1974 Karel Jonckheere

De Oostendse auteur Karel Jonckheere (1906-1993) schreef met “Waar plant ik mijn ezel” uit 1974 het tweede deel van zijn memoires, vooral over de periode  1930-1937. Daarin ook enkele bladzijden over Nand. Beiden delen hetzelfde geboortejaar (1906), en kenden elkaar goed, hoewel “[hun] jeugd onzichtbaar voor elkaar was voorbijgegaan”: Karel liep immers school aan het Nieuwpoorts atheneum, Nand aan het Oostendse college.
Net als Anton Van Wilderode in zijn laudatio, verwijst hij in zijn stukje over Nand (pp. 97-100) naar twee andere schrijvers uit 1906: André Demedts (8 augustus) en Jan Vercammen (7 november).
De pagina’s over Nand zijn interessant, omdat Jonckheere enkele anekdotes aanhaalt die typerend zijn voor zijn karakter (oorspronkelijke spelling is bewaard).


Ferdinand Vercnocke, van 1906 (14 december) zoals Jan Vercammen (7 november) en André Demedts (8 augustus), was mijn jaargenoot maar hij was kollegestudent geweest als Duribreux en onze jeugd was onzichtbaar voor elkaar voorbijgegaan. Zijn vader die loods was had ik toevallig eerder ontmoet dan hemzelf. Het gezin Vercnocke betrok een burgershuis in de hoge nummers van de Koninginnelaan, niet ver van het koninklijk “paleis” (*). Soms, als ik van mijn school in Nieuwpoort kwam en afstapte vlak bij zijn woon, zag ik voor het kelderraam Nands broer (*) staan, een reus als hij, starend naar de voeten van wie voorbij kwam, roerloos, dromend van zijn zeemansleven dat hij tijdelijk had onderbroken. Met mijn wijsvinger wees ik naar boven, kreeg een knik of een neen, beduidend dat de lyrische broer al of niet thuis was. Een zwijgende vertoning die mij telkens tot gewisse inkeer bracht. Ik belde aan. Korte tijd had op de gevel een koperen plaat gehangen, “Ferdinand Vercnocke, advokaat” (**). Op zekere dag was ze weg. Een verhaal uit die dagen deed te Oostende de ronde dat Nand zelf de deur had opengedaan toen een klant zich aanbood en vriendelijk had geantwoord dat de meester niet thuis was. Hij was aan het dichten. Ofwel zat Nand te schrijven ofwel stond hij te schilderen. Ik herinner me hoe hij met stoere lieflijkheid telkens een paar doeken toonde, meestal gezichten uit het “Blote” (***) of een landschap met centraal de toren van Lissewege. Zeer zuiver gepenseeld en gewijd door het uitzonderlijke licht dat de Zwinvlakte sereen, tijdeloos en doorschijnend maakte. Meermaals, tussen Middelkerke en Oostende, bekeek ik hem door de tramruit, stappend langs dijk en strand, zodat ik hem vereenzelvigde, iets meer met Eugeen van Oye dan met Cyriel Verschaeve. Drie meeuwen, drie blauwvoeten, drie romantiekers maar Vercnocke de meest benaderbare, van opener eenvoud en de gezondste qua waarachtige taalvaardigheid. Zijn heimwee naar een Vikingverleden, naar een harmonie tussen geschiedenis, zee en kust was realistischer en de wijze waarop hij zijn droom uitdrukte was tastbaar van lijn zoals de gekleurde vlakken van zijn grafisch werk. Zelfs zijn vizionaire verbeeldingen behielden de gebaldheid van een nog jong menselijk gehouden drama. Kort gezegd: hij was een geestdriftig getuige van ons verleden met slechts langs de zomen wat retoriek. Ten minste, zo voelde ik het toen aan. Ik verkoos de gedichten waarin een beeld sprak door simpele direktheid boven die waarin hij meer verwachtte dan de gewone lezer door zijn vertrouwdheid met Noordse heldennamen, wel mooi maar niet geladen, tenzij met machtige klank, – Kolga, Skjold en andere.
In niet uiterst-Vlaamse middens werd Vercnocke niet gemeden maar dan toch wel iets buiten ontvankelijke belangstelling gehouden. Ik deed mijn best om deze houding in mijn milieu te doorbreken, besprak in Voetlicht, 1935, zijn Koning Skjold, waaruit hij vandaag nog mijn lovende woorden kan citeren. In een nummer van Voetlicht, 1936, heb ik ook de 2e druk van zijn eerste bundel, Zeeland, besproken.
Van 9 tot 14 november 1936 richtte het Willemsfonds een IIIde Vlaamse Boekenweek in. Een avond werd ingenomen door Nand Vercnocke. In het Guldenboek van het Willemsfonds schreef hij in zijn stevig handschrift zijn vers: “Ons geslacht is uit de zee geboren!”. Voor Voetlicht schreef hij een resumé van deze lezing, ‘Dichter en Volk’.
Nooit hebben wij elkaar in delikate stonden een stro in de weg gelegd. Slechts één keer heeft hij me een vervelend moment bezorgd, in de herfst van 1940. Maurice Roelants had als voorzitter van de Vereniging van Letterkundigen een prijzenswaardig maar broos plan opgevat om de vereniging horizontaal én vertikaal te struktureren. Naar de formule van de gilden in Italië. Ook Emiel Hullebroeck had aan een dergelijke formule gedacht, voor alle kunsten als ik me niet bedieg. Een van de voornaamste aanleidingen tot deze optiek vond Roelants in de precaire positie van sommigen onder ons, zoals Lode Zielens die in Volksgazet Hitlers gedachten en daden allesbehalve had aangemoedigd. Als per ‘gouw’ of per omschrijving en per stad de werking zou toevertrouwd worden aan twee bestuursleden, die solidair zouden blijven ten gunste van de anderen, hoewel ze elk een aparte houding vertegenwoordigden, dan zou, zo werd gedacht, de bezetter laten betijen. Voor Oostende viel Roelants’ keus op Vercnocke en mij. Zekere morgen ontving ik van Nand een kort briefje: “Amice, eer wij tot samenwerking kunnen overgaan, wens ik eerst van u te vernemen of het waar is wat men vertelt, nl. dat ge lid van de loge zijt”. Ik trok dadelijk naar de Oude Molenstraat 18, bij wijze vriend Van Aerden. Hij had evenmin fiducie in een teoretisch sympatieke stellage en op Vercnockes vraag zou ik dan ook, besloten we, antwoorden: “Waarde Vriend, als ik wèl lid zou zijn, zou ik het u niet zeggen; als ik geen lid ben… In beide gevallen luidt mijn antwoord dus neen”. Er gebeurde niets, wat ik op prijs stelde. Vandaag begroeten wij elkaar sedert jaren in station of per telefoon met het timbre van de oude kameraadschap. Langs de draad vertelde Ferdinand me onlangs dat hij eens in de duinen van Raversijde was verdwaald, plots op een éénogige meneer stootte die hem in het Engels beval (‘Double up!’) op te hoepelen. Het was de vleugeladjudant van prins Karel die het met prikkeldraad omgeven terrein van Monseigneur bewaakte. In zijn halfverscholen duinhuis vond de prins jaren lang een egelstelling waarin hij veel las, zelfs gedichten, en orgel speelde. Op mijn beurt vroeg ik Ferdinand of hij zich nog het moment herinnerde toen hij me eens in zijn Oostendse studio een foto bewonderen liet van Knut Hamsun met een stel hoge, mooie blonde dochters ter zijde, van wie hij, Nand, er moeilijk één uitkiezen kon. Ook idealisten kunnen weifelen in aardse aangelegenheden. (…) Aldus de kamertemperatuur van literair Oostende 1930-1935. In het Frans briljanter dan in de moedertaal, in de moedertaal intiemer en waarachtiger dan in het Frans. De kennismaking met Raymond Brulez zou beide sferen voor mij tot waardevoller harmonie maken.”

(Uit “Waar plant ik mijn ezel?”, Karel Jonckheere, uitg. Manteau, Marnixpocket, 1974, pp 97-100, ISBN 90-223-0449-3)


(*) “zag ik voor het kelderraam Nands broer”: dat raam zag er zo uit, op het balkon leunend in het wit Marie-Louise, Nands zus met buren:

Huidige toestand van het “burgershuis in de hoge nummers van de Koninginnelaan, niet ver van het koninklijk “paleis’”(Google Streetview) richting zeedijk (de ingang is verdwenen, omdat de woning nu deel uitmaakt van het hotel links ernaast, de tram rijdt er nog steeds):

(**) De bewuste “koperen plaat” is bewaard en heeft alle verhuizingen overleefd. Afmetingen: 31cm x 24,5cm:

(***) “het Blote”: “Het Noorden van West-Vlaanderen wordt ingedeeld volgens het uitzicht van de streek in het Blote, waar bijna geen bomen staan, en het Houtland. Het Blote is de kleistreek of Polderland, het Houtland daarentegen is de zandstreek.” (uit: “Het Vlaamse Polderland en de Kust”, Dr. J. De Smet, 1948, p.3)


Het was ook Jonckheere die Nand uitnodigde in het programma over “Kunstenaars en de zee”. Hieruit een kort fragment (ca 1980) waarin Nand vertelt over zijn jeugd, zijn passie voor de zee en een gedicht voordraagt:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *