1968 getuigenis over Nand

Deze getuigenis over Nand is van Jan D’Haese (1922-2005) en verscheen in de “VWS Cahiers – Bibliotheek van de Westvlaamse Letteren”, zomer 1968 nav het verschijnen van Nands bundel “Moederzee”. De link leid je naar het volledige artikel waar D’Haese ongeveer hetzelfde schrijft over Nand als Anton van Wilderode in zijn feestrede over hem (zie pagina “Viering Nand 80“).

Uit dit artikel knipte ik onderstaand fragment omdat het één van de weinige getuigenissen is over hoe de fysieke verschijning van Nand kon treffen (zoals die andere getuigenis van de Finse dichter Arvi Kivimaa over hem in 1941, zie daarvoor de pagina “Dichterreis doorheen het Duitse Reis“.

Opvallend: beiden gebruiken het woord ” (stille) melancholie” als typische karaktertrek.

Dat D’Haese zo positief over hem schrijft is geen toeval, hij was bv in de oorlog Oostfronter geweest, en schreef later ook voor o.a. ‘t Pallieterke.

Hier zijn getuigenis:

” ‘Terugkeren tot het authentieke bestaan’ het zijn woorden die V. uitspreekt met een glimlach die melancholie laat vermoeden. Met een glimlach die tevens duidt op wijsheid, gewonnen uit jaren waarin de moeilijkheden hem — als gevolg van zijn houding en overtuiging, niet gespaard bleven.
Wanneer ik hem soms  ontmoet, midden in het gewoel van de grootstad Brussel, waar hij dagelijks heen-treint “om den brode” dan valt het mij steeds op hoe deze stille melancholie hem heeft getekend. Op een straathoek — ergens rond het St.-Jansplein — staat hij: groot, breed en steeds verzorgd. omstuwd door de jacht van mensen en verkeer. Hij praat, hij filosofeert en de mensen glijden aan hem voorbij, glijden van hem af. En toch is hij zich ten zeerste bewust van deze mensen, van de dreiging van de grootstad, waarmee hij voortdurend “meer dan hem lief is” in contact moet blijven: van het probleem Brussel.
Zelden heb ik een mens ontmoet — en daar zouden de betweters wel eens mogen over nadenken, die zoals V. de tragische gespletenheid en de angstwekkende automatisering van de hedendaagse mens aanvoelt, maar terzelfder tijd met ziel en zinnen gebonden blijft aan het Westen. aan zijn land van herkomst. aan de herschepping van een verleden dat het heden helpt verklaren. en aan de… “Moederzee”.
En er is nog iets. Wanneer ik de dichter op die straathoek ontmoet, dan denk ik aan zijn vers — dat te Brussel dubbel tragisch klinkt: “Zo heb ik altijd willen wonen : / aan ‘t dapper hart van ‘t ongeschonden duin; / geen straat omtrent, geen steedse tuin, / maar zand en helm, en schuine sparrebomen.” Het kan romantisch klinken, maar midden in ‘t Brussels gewoel staat F.V. zélf als een duin en is de zee niet ver af. Stammend uit een geslacht van zeelieden en omringd door de dingen van de zee (zijn grootvader bezat o.m. een opgezette albatros. met de wieken wijd uitgespreid als in volle vlucht) was de zee voor V. niet zo maar een dichterlijk motief maar leven van zijn leven en vaak – familieleden werden vermist – werkelijkheid. De vader van de dichter was zeeloods. Kwam deze thuis dan vertelde hij over de schepen die hij in veilige haven had gebracht en over het leven aan boord. Was er storm dan liet moeder de kinderen bidden voor de behouden thuiskomst van vader. Ook met het kustland was V., van kind af aan, vertrouwd. De haven, Oostende zelf, strand en duin, de poldervlakte met haar geweldige luchten. het zat hem allemaal in oog, geest en bloed. Als knaap ging hij mee bedevaarten naar O.-L.-Vrouw-ter-Duinen of naar het heiligdom van Sint-Godelieve te Gistel waar een halve eeuw later zijn openluchtspel, ter ere van de zwartharige heilige geschreven, zou worden opgevoerd.”

Omdat het het vroegste voorbeeld is van Nands handschrift dat ik kon vinden (ook in het archief), nl. 1938,  laat ik hier een bladzijde volgen uit het artikel van D’Haese die daar wel de hand op kon leggen. Blijkbaar moet Nand hem die gegeven hebben tijdens hun interview in 1968. D’Haese toont dit omdat hij een voorbeeld wil geven van wat Nand zegt, nl.:  “Het is één der zeldzame gevallen dat het vers zich zo intens aandient dat het rechtstreeks op de machine wordt getikt”. Toch blijkt hij later aan het gedicht dat uit de machine rolt aanpassingen in handschrift te hebben toegevoegd.

Scan van deze pagina:

Tekst op de pagina:


Ik zal komen langs kimmen van goud
ik zal komen op den paarschen vloed;
groot zal de vrede zijn van mijn gemoed:
mijn voorhoofd is met naderenden nacht bedauwd.

Ik zal komen door mijn droom bewogen,
ik zal komen op mijn hoop gedragen,
de nacht is nakend, ‘k wil van nacht gewagen,
en nacht ontwaren in uw haast geloken oogen.

Ik zie U aan en spreek geen enkel woord,
– ziet gij in mijn oogen ‘t gloeiend goud der kim? –
droomend waak ik als een schuwe schim
aan uwe zijde: hebt gij mij gehoord?

Ik sprak in ‘t lange zuchten van de verre baren
de donkre woorden die ik niet mocht vinden,
dieper dan smart, woorden van wie minden;
uw antwoord zal de zachte zee bewaren.

Ik zal heengaan als een schim, bij nachte,
ik zal heengaan in den nacht verborgen;
komt er nog dieper nacht, komt er een morgen:
ik zal aan duistere kimmen wakend wachten.

hier later toegevoegd stukje handschrift,
daaronder de commentaar van D’Haese:

“Handschrift” van ‘Stilte der Zee’, 1938. “Het is één der zeldzame gevallen dat het vers zich zo intens aandient dat het rechtstreeks op de machine wordt getikt” (F.V.) De met de pen bijgeschreven strofe is de vierde van het gedicht (zoals het in de bundel Kolga werd opgenomen).  Deze vierde strofe schrijven we duidelijkheidshalve over:

Ik sprak in ‘t lange zuchten van de verre baren
de donkre woorden die ik niet mocht vinden,
dieper dan smart, woorden van wie minden;
uw antwoord zal de zachte zee bewaren.

evenals het eerste vers van de laatste strofe (hier de vierde getypte) :

Ik zal heengaan als een schim, bij nachte,

(N.v.d.R.)


 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *