1989

(leeswijzer: zie de pagina “Brieven aan Nand“)

(blz.1)
Brieven aan Pips,                      mei 1989

Je bent weg pips, we hebben het al weken zien aankomen en jij wist het blijkbaar niet; of heb je toch mijn aanhoudend smeken gehoord in je heldere witte kamer: “Pips word beter, want we moeten in juni naar zee!”. ik had dit afscheid al vorig jaar gevreesd; maar je hebt toen gevochten tegen het onvermijdelijke. Jij hebt toch je hele leven gekampt; sterk en krachtig zoals een eik die niet valt maar splijt. Het is hier ontzettend stil in de kamer. Ik weet dat je niet schuivend de studio zult binnenkomen en vragen of de thee klaar is en of de merel fluit, neen ik zeg het zelf stilletjes voor me uit, nauwelijks hoorbaar, maar zeer bewust.

De nacht was “unheimlich”. Ik heb de schemerlamp laten branden in de galerij boven want er stond een vreemde auto vóór het  huis geparkeerd. Ik ben een paar keer gaan kijken tot ie omstreeks 1 u. verdwenen was. Het werd niet helemaal donker buiten en de meinacht was reeds zomerzwoel. We zouden op 1 juni naar zee gaan. Jij had er toch zo naar verlangd. Ik zie nu met angst de volgende maand tegemoet omdat elke dag me herinneren zal hoe het zou kunnen zijn zoals de vorige jaren. Ik heb mijn dagboek doorbladerd en bemerk dat het toch ook een kommervolle tijd was. Weet je nog die maanden vóór de ingreep en je geest dwaalde soms af; het was nog pijnlijker dan het feit dat je niet meer gezwind over de dijk kon wandelen. We hebben toen die rolwagen geprobeerd waarvan je vroeger zei: “als ik ooit daar moet inzitten, dan ben ik liever dood!”. Maar jij hing nog met alle vezels vast aan het leven met mij en de kinderen, al waren er die ongemakken van de laatste jaren.

Ik heb gisteren een paar dozen uit de ingemaakte kasten gehaald en plots werd ik hevig teruggegooid in de verrukkelijke verlovingstijd. Ik heb vannacht de brieven gelezen, bijna veertig… in je sierlijk handschrift. Het was heel laat of vroeg zoals je wil toen ik onrustig ben ingeslapen. Nu liggen ze hier op het salontafeltje en ik neem ze nu één voor één en herleef intens de dagen van toen, de herinneringen zitten vol zon en zeelucht zodat het me hier in huis te eng wordt. Ik ben daarstraks door het hoge gras gelopen, je weet dat we het de eerste jaren ook maar lieten wild groeien; de vader van Karel kwam dan hooien, misschien zal ik de nieuwe boer vragen. Jij had zo graag dat het grasperk er keurig uitzag zodat je ongehinderd kon wandelen tot beneden in de boomgaard of tot het schapenhok waarop je de witte zwaan had geschilderd.

Nu maar pas bemerk ik hoe jij in je brieven mij hebt opgevoed en doordrongen van je eigen visie op mens en maatschappij. Jij spiegelde er onze toekomst in voor verheven boven de trivialiteit van de
(blz.2)
gewone sleur. Het is of ik nu maar pas de dieper zin van je beschouwingen vat en mijn God, ik kan het je niet meer zeggen. Het doet afschuwelijk pijn, soms prangt een golf van weemoed mijn ademhalen dicht tot de verlossende snik.

Ik ben zo-even naar het gemeentehuis geweest met ons trouwboekje en mijn identiteitskaart, er moesten ook handtekeningen gelegaliseerd. Ik heb het trouwboekje teruggekregen en dacht dat je overlijden erin zou vermeld zijn. Men was het vergeten en het gaf me een gevoel van opluchting. Vreemd hoe kleine dingen je plots hevig treffen; zoals de nietszeggende berichten van medeleven naast de andere ontroerd en gemeend. Twee vermelden me als weduwe F. V. en dat doet weer zo’n pijn. Ik weet nu dat ik bij gelegenheid in een blijk van medeleven dat nooit zal schrijven.

De zon zit weer zomers te glooien al een hele week sinds jij verdween. Als ik straks buiten zat even in de zetel zomaar kwam je niet langs de achterdeur schuifelend en vragend een tikkeltje aarzelend “wanneer eten we”. Ik heb vorige week nog twee borden klaargezet; het was afschuwelijk ontnuchterend. Gelukkig komt Gd. het weekend hier doorbrengen. Ze heeft je atelier ingepalmd en zit aan je bureau. Gisteren was de familie compleet voor de verjaardag van G. Het werd weer het klassieke jarenlange ritueel maar jij zat niet meer aan je vertrouwde plaats. Niemand maakte er een opmerking over maar we communiceerden dezelfde gedachte. Weet je nog die meienamiddag toen G. zich aanmeldde? Tante stond mij bij maar jij verdween in het bos dat net tegenover de materniteit lag. Toen jij terug om vijf uur aankwam (je eerste was er al van drie uur) en je aarzelend je hoofd naar binnenstak en tante je proficiat wenste met je verse dochter klonk er wel een tikkeltje ontgoocheling door in je stem. Jij had een zoon verwacht. Hoe kon je weten wat een schat je toen in je forse handen hield? Twee jaar later ging je wens in vervulling en nu stoeiden gisteren je zes kleinkinderen onder de waterkraan proestend en hijgend van uitgelaten pret. Het was bijna hetzelfde tafereeltje als tweede paasdag toen jij met ons op het terras zat en je de kleine badmintonraket olijk als gitaar gebruikte. Zo sta je nu op de foto’s de laatste waarop we allen saam de volledige kring maken…

Ik heb de was opgehangen er was nog een pyjama van jou bij en je blauw onderlijfje dat je droeg toen we je op 10 april noodgedwongen moesten wegbrengen. Ik ben bijna die vreselijke weken vergeten dat je in coma lag, ik maak onwillekeurig de brug naar de tijd dat je nog hier met je boeken urenlang te lezen zat. Je boeken liggen er nog steeds en je brillendoos ligt er grijpensklaar. Overal liggen nu jouw bundels als het me te erg wordt lees ik één van je verzen; weet je dat mooie “Mijn blonde lief in het rijpend koren… en voel je mijn adem op je gezicht”. Het was ook het gedicht dat Anton Van Wilderode op de viering las.


Mijn lief staat in rijpend koren”:


(3)
Hij wou ook voorgaan bij de eucharistieviering van je laatste afscheid maar een aanval van diabetes en bloedstoornissen hebben het hem belet, toen hebben we een beroep gedaan op John van Echelpoel, je weet die oud-collega van Assumpta. je had er ooit esoterische gesprekken mee en hij was je zeer genegen.


Onze-Lieve-Vrouw-Ter Duinen kerk, Mariakerke (foto niet vd afscheidsviering)

Het was vorige donderdag één van de weinige zomerse dagen in mei, hoe dikwijls reden we met onze kustvakantie onder een druilerige sombere hemel, de weergoden hebben je stralend begeleid. Het intieme Duinenkerkje geurde naar de meibloesems en de zoele zeebries waaide strelend in mijn gezicht. Je was er meer dan ooit aanwezig, toen de kinderen de meiklokjes (ik had ze nog in de vroegte in de tuin gegaard… de laatste) op de sepiabruine urne legden. Ik had even hetzelfde gevoel als in de abdij tijdens je viering: een onwezenlijke werkelijkheid. Toch waren er een tiental, voor mij vreemde aanwezigen, die ontroerd de viering volgden. Achteraf bleken het nog verre verwanten van jou die het bericht van je bijzetting in Oostende ’s zondags in de mis hadden vernomen?. De kinderen waren er zeer van aangedaan en besloten een eerstvolgende tijd je stamboom op te sporen.
De grafkelder, waar je steeds zo bekommerd om was, hebben we gans laten vernieuwen. De bronzen lettertekens van de V.namen glansden hevig op uit het donkere marmer.

We stonden ervoor verwezen en verstild zonder misbaar maar ik voelde toen jouw levenskracht in mij wegvloeien trager en trager tot er niets meer was dan “dor loof en uw verloren spoor”. We hebben het maal gebruikt in “De Kinkhoorn” op de dijk, het was er duf en benauwd, daarna zijn we uit Mariakerke naar Oostende gereden langs de Koninginnelaan 25. We hebben voor je oudershuis aarzelend gepoogd je beeld op te roepen in die tijd.

(foto: Google Streetview, september 2014)

Toen we langs het domein van de koninklijke villa het open water bereikten en de verkwikkende zeelucht de hete middaglucht temperde wist ik meer dan ooit hoe erg je moet geleden hebben om Oostende je thuishaven te verlaten. Heb je zelf niet dikwijls herhaald dat je in Weerde woonde maar er niet leefde?

In de avonduitzending riepen ze het bericht om van je afsterven: kort verwijzend naar je Noorse inspiratiebron. Ik heb het zelf niet gehoord vrienden zeggen het ons. Voor T.V. was je al zoals “De Standaard” het zaterdag schreef “Door de jongeren niet gekend en door de ouderen vergeten…” dus hier gaf men het bericht niet door. Ik denk maar steeds aan je woorden “Mocht ik maar blijven leven met één of twee gedichten ik zou al tevreden zijn…” Nu ik de vele brieven krijg waarin je heengaan zo oprecht wordt betreurd, weet ik dat je niet vergeten zult worden.
(4)
Ze liggen hier naast mij: sommige in onhandig en bevend geschrift de ouderen die je hebben bewonderd tijdens de mobilisatie, jongeren ook die je via mijn lessen in Assumpta hebben gekend. Het is ontroerend en troostend tegelijk. Ook vele telefoons (al zou ik ze liever niet beantwoorden) getuigen van een oprecht medeleven. Ik heb boven een paar dozen onder handen genomen. Het is zeer vermoeiend werk; ik weet dat je er eens aan begonnen was en je het opgaf want het is zenuwslopend. Dan nam ik maar je onvoltooide memoires ter hand. Het bracht me terug in de tijd van de mobilisatie, je schrijft daar over de eerste bombardementen; ik had het er ook over in mijn langzaam voortschrijdend boek (ik heb er sedert 12 mei niet meer aan voortgewerkt, mijn hoofd stond er niet naar).

Ik heb nu de foto’s saamgebracht voor het bedankkaartje. B. is binnengekomen en heeft er eentje uitgekozen. We hebben eigenlijk niet kunnen praten want er was burenbezoek.
Ik heb de tekst gekozen “Sterrennacht”, B. vond het ook goed. Ik denk dat ik ook iets zal schrijven, zoiets als een laatste brief aan pappie. Ik kan dan eens zeggen dat er nog zovele je kennen en in het hart dragen; het zal dan een repliek zijn op de Standaard waarin Hugo Vanhoof zei: “de jongeren kennen hem niet en de ouderen zijn hem vergeten”; daar heeft al een briefschrijver op gereageerd. Dat deed goed. Vanavond zal ik eraan verder werken als ik het kan zonder huilen want soms breekt de stroom buiten de oevers en moet ik mezelf in toom houden. Daarjuist zat ik even buiten, er waaide een frisse bries en het terras was wat afgekoeld. De bomen ruisten en als ik mijn ogen sloot was het alsof de zee in de kruinen zong. Ik vroeg me toen af waar is onze pappie nu, zou hij me nu zien en weten hoe ik voel, er besloop mij weer een ondraaglijk gevoel van ongeloof en verwarring, kon ik maar weten dat je ergens was, dat je ergens kon helpen, ik weet dat je het zou doen. Ik heb iets gedaan wat ik mij verboden had, ik heb overal je foto’s gezet, ik zal er een paar lijstjes voor kopen. Voor mij staat die van Kerstmis ’83 waar je me stevig vasthoudt en we lachen beiden beaat en gelukkig (ik had ook een flinke taart in de handen!), daarnaast stappen we beiden gearmd over de zeedijk in Oostende; het was een zondag en tante vergezelde ons. We hadden in de mis in Gistel onze naamafroeping gehoord “de eerste roep”. Ik denk dat dat nu niet meer gebeurt want ik hoor het niet meer in de zondagse mis, er is ook zoveel veranderd. Eigenlijk horen we niet meer in deze verdwaasde wereld thuis. Als ik even T.V. opzet kan niets mij meer interesseren, zelfs mijn geliefde “chiffres et lettres”, het boeit mijn niet meer. Misschien begin ik verder te lezen in Bodiffees “Ruimte voor Vrijheid”? Je kaartje steekt er nog in tot waar je las…

Het is vandaag 24 mei, ik ben vroeg opgestaan en ben aan de tekst begonnen van het bedankingskaartje.  Het is ontroerend werk en tussendoor ga ik even naar buiten.  Het is tropisch warm zelfs onder de zonnescherm.  Er kwamen weer veel brieven vol medeleven.  Het troost me maar het wordt me soms toch wat te machtig.  Ik heb verschillende telefoons gehad een heel lange van Mevr. Van Brussel.  Ze vertelde mij van het leed in haar familie en ik voelde me met haar opgenomen in een zee van troosteloosheid.  Ook Jenny Van Osmael kwam even informeren.  Ze bekommerde zich erg om haar 97-jarige moeder, die in een geriatrie verblijft en die ze elke dag met de dood in het hart gaat opzoeken: “Mijn God” zegde ik tot me zelf “waar is er nog vreugde te bespeuren in dit aardse bestaan.”  Mijn tekst is afgewerkt.  Het is bijna halfacht.  Plots komt Bert (nvdr: broer van Sim)  binnen.  Hij is naar de schieting geweest in Antwerpen.  We zitten samen in de zwoele avondbries op het terras en ik haal de fles wijn een Pontet-Cane naar boven: een gulle schenking van M.L.  Het is godendrank en we mijmeren beiden, turend naar het dieprode glas, over onze jeugd en over een toekomst die zich niet meer zo denderend aanbiedt.  Bert kommert wat over zijn zonen, zijn leeftijd en zijn ongemakken.  Ik luister maar half en voel, onder de roes van de wijn, een onzeggelijke weemoed over mij heenkomen.  Wanneer hij wegrijdt sluit ik alle deuren.  De voordeur is nogal weerbarstig.  De warmte heeft het slot uitgezet en ik heb alle moeite om het ijzeren tongetje in de gleuf te laten klikken er komt een schroevendraaier aan te pas.  Ik ga nu maar slapen en het lukt tot vijf uur.  De zon zit weer rood gloeiend als ik naar de galerij ga en door het venster kijk.

Ik heb weer een doos uit de lange kast in de atelier gehaald en ik begin weer het zenuwslopend werk van het triëren.  De brieven liggen nogal dooreen.  Als alle dozen nagekeken zijn zal ik ze één voor één weer op volgorde klasseren.  Opnieuw zijn er weer brieven toegekomen een heel bijzondere van M.L.  Ik maak het pak boeken klaar voor Zr Margo.  Ze zal ze nog verdelen onder de verpleegkundigen die erom vroegen. Ik ga naar de bank met de formulieren en naar de drukker.  Toekomende week zal de drukproef klaar zijn.

In de namiddag ga ik naar Alice en de priester ze zijn ontroerd als ik over de laatste dagen van Pips vertel.  We raken ook even het probleem aan van het huis.  Ze zouden ervoor voelen het uit de hand te verkopen.  Wat zou ik niet geven als er een oplossing voor komt, maar het hangt niet van mij af.  Ik rij van Mechelen ineens door naar Kortenberg.  De zoontjes stoeien in hun zwembadje.  B. haalt een vriend af in Melsbroek.  Ik wacht niet en ben tegen zes uur opnieuw thuis.  Ik eet maar wat uit de hand en drink de laatste slok wijn die overbleef na het bezoek van Mr pastoor vanmorgen, die kwam mij verwittigen dat er een mis voor Pips zal gecelebreerd worden op 4 juni.  Nu wacht ik op J. die in Mechelen een vergadering had.

Vrijdag 26 mei.  Het is mistig buiten zoals in de hete zomerdagen als de zon maar tegen de middag doorbreekt.  Ik ben al om vijf uur bezig de overvolle dozen uit de lange muurkast te halen.  Ik vind er een ontroerende brief in van je moeder uit de tijd van je laatste weken hechtenis.  Wat een liefderijke bezorgdheid en eindeloze weemoed en verlangen spreekt uit haar eenvoudige formulering van verdoken leed.  Ik denk aan jou en verplaats me in de tijd toen je dat las.  Ik huil wat en doe voort.  Je grote zakdoeken komen me nu goed van pas!!

Het is vandaag juist twee weken geleden sinds Zr. Margo opbelde “Pappie is overleden …”  Ik herinner me flarden uit je gedicht “Ik droomde, droomde dat ik je verloor en eenzaam voor een donker water stond …… en ik vond niets dan dor loof en uw verloren spoor ….. uw oog was van lang wenen rood …”
(nvdr: zie liefdesbrief nr. 30 van 26/10/1950)
 Was het een verscheurend visioen dat je toen al zag?  Zijn dichters niet a.h.w. profeten die in de toekomst staren?  Ik stuurde een brief naar de Standaard om mijn ongenoegen te uiten voor de fouten in het overlijdensbericht.  Jij zou het ook onmiddellijk opgemerkt hebben de voorkeursspelling veranderde men in facultatieve.  Het verspringen van een regel enz.

In Pallieterke staat een heel lang bericht over jou.  Mooi.  Je zou het zeker geapprecieerd hebben.  Hoe kon de schrijver zo duidelijk weet hebben van je houding tijdens je bezetting en je verdediging met zelfs de verzachtende omstandigheid van het vonnis “omdat hij in opstand kwam tegen de verknechting van ons volk tegen het nazi ”imperialisme”.  Je weet je hebt het zo dikwijls herhaald.
(nvdr: zie de pagina “Pallieterke“)
In de namiddag ben ik met G. gaan wandelen in Leuven  We dachten beiden aan de tijd dat we met jou dan een afspraak maakten in één of andere “konditorei” met de marsepeinen gebakjes, en we dan ongerust waren als je te laat op de afspraak verscheen omdat je te lang verpoosd had bij Bouts “Laatste Avondmaal” in de St-Pieterskerk.

Dirk Bouts (1410-1475) Laatste Avondmaal met zijpanelen 

 

Vanavond bij het terugkeren heb ik S. meegebracht voor het weekend.  We zijn vroeg gaan slapen want ik was heel moe.  Ik heb weer uitslag op mijn lip.  Je weet dat we dat afwisselend cadeau kregen als we gestresseerd waren of te bekommerd werkten.  Ik zal nog ettelijke weken nodig hebben om die vele slapeloze nachten van zorg en angst in te halen en toch probeer ik eraan te denken om de afschuwelijke pijn te milderen van het besef dat je me nu niet meer nodig hebt.  De moeder van E. schreef het treffend “Het is niet de pijn van het snijden dat ondraaglijk is, wel het afgesneden zijn.”
(nvdr: is een citaat uit het  gedicht “Sotto Voce” van M. Vasalis)


(Sont-Martinuskerk Weerde)

Zondag 27 mei.  Blakende zon … We gaan beiden naar de mis van 10 u.  We zitten wat te vroeg in de kleine gotische kerk waar het zonlicht pasteltinten doorstraalt tot in de donkere zijbeuk waar flikkerende kaarsen het Mariabeeld eren.  Ik denk aan Pips toen ik hem voor de laatste keer zag verstard als een arduinen beeld in de witte kleine ziekenkamer.  Ik kan mijn tranen moeilijk bedwingen.  Mijn God geef me de sterkte niet toe te geven aan de verterende golf in mij want straks zal de pastoor wellicht voor de aankondiging van de herdenkingsmis de naam van Pips afroepen … G. komt de namiddag bij mij doorbrengen.  De zusjes zijn nu volledig.  Ze stoeien in de badkuip die ik buiten met de waterslang heb gevuld.  Ze kraaien en proesten van pret.  Het gras verdort onder de hitte van de nanoen.  Gisteren was B. er ook met Bt. en W.  Ze hebben met S. verpleger gespeeld.  W. was het slachtoffer die in de spoedgevallen was binnengebracht en dan in de intensieve werd verzorgd.  Hij laat zich gewillig omzwachtelen en beleeft er zelf een danige pret aan.  Ze spelen het met een ernst die me vertedert en terzelfdertijd weemoedig maakt.  God geve dat ze het nooit in werkelijkheid moeten beleven.  Zondagavond valt de stilte over het huis en loert de eenzaamheid in alle hoeken van de schemering.  Ik wil wat T.V. kijken maar duw gauw de knop terug in.  De nacht is in mij, sinds lang, genadig en de slaap bevrijd met van het onophoudelijk denken en angstig piekeren over wat nu komen zal.

Ik ga in de ochtend naar het gemeentehuis om m’n identiteitskaart te vernieuwen.  De bediende werkt traag en ietwat onbeholpen.  Nu staat mijn naam erop: weduwe F. V.  Het doet pijn en de overdreven aanhaligheid van Stef, die er toevallig ook is, weer ik af.  Hij meent het goed maar denkt dat ik gezelschap behoef in mijn eenzaamheid.  Ja, eigen volk dat wel of heel intieme vrienden zoals M.L. vb.  Vannacht overviel me een onweerstaanbare drang om weer te klasseren.  Daar liep ik dan rond: alle kamers hel verlicht en de propvolle dozen minderden tergend langzaam.  Mijn God wat heeft hij gewerkt en geschreven, geschreven.  Het ligt jammerlijk verspreid over de verschillende kasten en mappen.  Ik vind mijn eigen brieven in een doos en, ontroerend moment, in een klein doosje het treinkaartje dat hem op de bewuste 1ste ontmoetingsdag naar Deurle aan de Leie bracht.  De uitnodiging voor het tuinfeest op de Kriekenberg bij de familie Welvaert lag er bij en in de benedenhoek mijn thuisadres, haastig in potlood geschreven.  Ik heb de namiddag herleefd en zal in de doos ook de foto bergen die Jan Lancsweert toen van ons vrolijk gezelschap nam … (zie de pagina “Het Tuinfeest“)

de foto:

Het is 30 mei.  Vorig jaar waren de valiezen al gepakt om naar zee te vertrekken.  Ik dacht eraan toen ik voor het jongenstehuis wat ondergoed en kledingstukken van jou in de grote koffer legde.  Je hoeden heb ik uit de ridderkast gehaald en opgeborgen, ze geurden nog naar jou zodat je bijna lijfelijk aanwezig was; ‘k zal weer moeten huilen.  Het zal een lange dag worden want ik ben weer vroeg opgestaan.  Er kwam weer post met brieven van medeleven één was bijzonder aangrijpend.  Hij kwam van Leo Vanhee uit Spanje.  Hij herinnerde aan de hechtenistijd en dat jij voor hem als een vader was.  Ik weet dat je mij ervan vertelde je noemde hem “mijn zoon” of “jongeling”.

(nvdr: Leo deelde als jongeling de cel met Nand)

G. telefoneerde; ze was opgetogen omdat hun werk “waarde-opvoeding bij de jeugd” voor twee jaar kan voortgezet worden.  Magda V. kondigde haar bezoek aan met M.L. donderdagavond.

Ik heb al verschillende dozen opnieuw in de lange kast gezet maar de ingemaakte puilt nog uit en wacht op behandeling; ik zal het toch even moeten stop zetten want door het manipuleren van al die papieren worden mijn handen zo droog en ik vrees opnieuw die akelige pijnlijke kloven, je weet hoe ik daar mee aan de sukkel ben soms.

Vandaag woensdag kwam Begga Andries op bezoek, ze was vergezeld van een jonge man die een trouwe fan van jou is.  Deze was ontroerd verbaasd over je enorme werkkracht.  Ook pa Andries een krasse 95-jarige wou volgens Begga niet thuis blijven.  Hij heeft in jouw zetel een dutje gedaan terwijl we in huis rondgingen.  Op dat ogenblik kwam B. binnen met E. en de drie knapen en gangen en kamers vulden zich met tomeloos leven!  Toen ze om zes uur weggingen keerde ik weer terug alleen in de grote stilte.  Het is altijd een kwaad moment bezoek te zien verdwijnen want we kunnen saam onze commentaar niet meer kwijt.  Ik weet nu dat het lang zal duren vooraleer ik die ondraaglijke benauwenis zal kwijt raken of … zal het ooit??  Ik voel me wegzinken in een ijle ruimte en grijp en grijp.  Kon ik maar je grote warme hand weer voelen zoals die laatste namiddag  ik wist wel dat het hopeloos was en toch voelde ik je nog zo dicht bij me.  Iedereen zegt en schrijft me dat ik niet mag treuren maar gelukkig zij omdat jij zo uitzonderlijk was en voor velen heel bijzonder.

Ik hoorde het tweede pianoconcerto van Rachmaninof.  Je weet dat we daar saam naar luisteren en ieder zijn eigen gedachtewereld volgde.  Nu ben jij er constant in aanwezig.  Ik ben je kwijt en toch ben je nog heviger dan ooit bij mij en “waar ik ga of sta”.  Het sapje in de morgen, het kopje thee, de summiere middagmalen.  Je weet dat ik ooit zei “mocht ik alleen zijn ‘k zou maar aan tafel gaan als ik honger voel”.  Nu zijn zelfs de uren waarop we saam aan tafel gingen – jij stond zo op stiptheid -12 u. 5 u. verdrietige momenten.

“Adagia Sostenuto” uit het 2de pianoconcerto van Rachmaninof:

Het is 1 juni.  B.’s verjaardag.  Ik ben vannacht even naar buiten gaan kijken.  Ik hoorde de nachtegaal niet die jij 34 jaar geleden wel beluisterde toen tante je vanuit Ukkel opbelde dat ons een zoon was geboren.  Je was de vooravond opgebleven naast de telefoon vertelde je mij ’s anderendaags in spanning afwachtend.  Je hebt toen in één trek het intens doorvoelde vers geschreven “In diepe nacht mijn zoon wordt gij geboren, uitverkoren in een bestaan van logen en vertoon zij u dit uur.  Leef schoon als deze stilte kind …..”  Ik kan het helemaal uit het hoofd en heb het dan stil voor mij gepreveld en voelde de wijding weer van die vervlogen tijd.

(nvdr: gedicht op het geboortekaartje:)

Ik heb het licht aangeknipt en zag voor mij het doek waar jij zo van hield “de seraf”: aardsonttogen, gevleugeld en onwezenlijk zoals jij nu bent nergens en overal met woorden niet te meten.

Schilderij “Seraf”:

Jij hebt het zelf aangevoeld zo dikwijls geuit in je verzen.  Op zoek naar het grote onbekende, de andere oever de zekerheid van een ander bestaan. Of ligt dat zoekende verlangen in ons zelf in “het schrijn van mijn gedachtenis?”

Begga A heeft zoëven opgebeld.  Ze had naar P geschreven om de auteur te kennen van het artikel.  Ze gaf de naam niet door maar ik kon wel schriftelijk me wenden tot steller dezes.  Dat heb ik dan ook gedaan.  In de namiddag ben ik naar de drukker geweest voor het nakijken van de proef van het dankkaartje het was een lastig moment …  De enveloppe heb ik al meegebracht en schrijf de adressen het zal een lang werk worden: tweehonderd minstens.  Het herinnerde mij het titanenwerk tweejaar en half geleden toen ik de uitnodigingen voor je viering verstuurde.  Het schijnt nu alles veraf.  Terwijl ik even verpoosde kwam B. plots binnen, het gaf me een warm gevoel, hij kwam nog even door gedreven door een onbestemd verlangen van vierendertig jaar geleden toen hij als verse boreling in mijn armen lag.  Weet je nog dat jij hem toen verbaasd aanstaarde “Hij heeft favories zoals een koetsier” schertste je en toen jij hem in je grote handen nam zag ik hem nog nauwelijks: het kleine tere wezentje waar ik nu tegenop kijk, groot en breed-geschouderd het evenbeeld van jou op die leeftijd.  Je weet dat ik het steeds herhaalde hoe afgunstig ik was op die tijd dat ik – klein Wings meisje – je nog niet kende niet vermoedde wat ons beider lotsbestemming inhield.  Nu bekijk ik je foto’s van toen en zie je zoon erin terug.  De kinderen en ook bezoekers vereenzelvigen je beider afbeeldingen met elkaar.  Zo leef jij nog intenser voort en wordt de herinnering een bestendige aanwezigheid.

Vandaag 4 juni is heel de familie saam gekomen, we gaan naar de mis van 10 u.  Ze werd opgedragen te uwer intentie.  De jongetjes vonden de dienst te lang duren en B. toog met W. en Bt. naar het dorpscafeetje vlak voor de kerk.  We hebben dan je naam horen vernoemen en het was weer zo onwezenlijk.  Ik heb me dit keer sterk gehouden.  Toen we thuis kwamen deed de warmte goed want het verraderlijk en wispelturig weer bezorgde het jong volkje een hele rij hoestbuien, je zou weer bedenkelijk het hoofd hebben geschud en wijze raadgevingen geuit hebben.

We vierden de verjaardag van B..  Met de Roosevelt bij waren we met 15!  B. presideerde nu in jouw plaats en de dochters hadden de koude schotels netjes bereid en in de galerij op de lange tafel geschikt.  Er werd flink geschranst … Het was weer de drukte van de grote feestdagen en het klein grut was danig uitgelaten ze begrepen precies niet dat er geen vermanende stem klonk die hun temperament wat wou intomen.  Je weet hoe je vroeger naar de stilte van je atelier vluchtte.  Toen ze allen vertrokken waren begon de grote opruiming: beneden en boven.  Het was goed zo het bezorgde me een bezigheid voor de hele avond.  Ik voelde toch dat ik in het grote huis niet alleen zal kunnen blijven.  De gedachte maakt de leegte in mij nog groter.  Te moeten afscheid nemen van de jarenlange vertrouwde kamers.  Och alles is verre van geschikt en aangepast.  Er zou veel moeten gerenoveerd worden maar toch.  We hebben er straks 38 jaar in geleefd en de kleinste hoekjes spreken een eigen taal.  Ik hoorde een Hollandse zangeres een liedje zingen over haar oude huis dat ze moest verlaten omdat het pand gesloopt werd.  Het was een teder levensliedje maar ik vond me er geheel in terug.  Ik ben nog even naar de bank geweest want ik zal straks bij de drukker de bedankingskaartjes moeten betalen, mijn rekening was nog altijd geblokkeerd.  Ik heb de spaarboek op G.’s naam moeten aanspreken.  Er overvalt me weer een mateloze weemoed als ik teruggrijp naar mijn dagboek en de pagina lees van een maand geleden.  Nog maar een maand, er is zoveel intens beleefd de laatste weken, en het is of je al heel lang weg bent en toch weer niet.  Mijn God ik weet het niet.  Er komen nog brieven binnen.  Ik heb de tekst van P laten fotokopiëren, ik heb de blaadjes netjes geplooid (een heel werkje) en ze reeds in de enveloppes geschoven.  Het begint weer te regenen.  Het verdorde gras vertoont opnieuw groene sprietjes, het had immers sedert jouw vertrek niet meer geregend.  De rozen bloeien en de papaver heeft nog geen enkel jaar zo mooi gestaan.  Als de brieven zullen verstuurd zijn en ik de laatste rekeningen en bescheiden zal klasseren, weet ik dat de grote drukte rond je heengaan zal verstillen en de gewone bezigheden van elke dag je gemis nog meer zullen accentueren.

Alle dankbetuigingen zijn nu verstuurd en ik kan nu volop beginnen met het klasseren van je briefwisseling.  Ik heb op je atelier een map gelegd voor elk jaar één te beginnen met je interneringstijd en de briefwisseling daaromtrent het werden er een dertigtal want de laatste jaren verminderde de correspondentie merkelijk dus vanaf 1980 gebruik ik er één voor twee jaar.  De familiebrieven hou ik apart behalve die van de gevangenistijd en de verlovingstijd die schik ik weer afzonderlijk.

Ik vond een briefje dat ik naar jou schreef eind oktober 1973 toen je ook in St-Norbertus werd verpleegd voor die kleine speenoperatie.  Ik schreef je dat ik de tekst las van Odysseus waar hij als bedelaar vermomd door zijn vrouw Penelope niet herkend werd die zijn wonden verzorgde en die zegt “als de nacht gekomen is lig ik maar stil in mijn bed en ontstellen bittere zorgen mijn kloppende hart …”  Duizenden jaren geleden bestond dus het leed even prangend en benauwend.  O  eender mensenhart.

Het is vandaag drie weken geleden dat je werd bijgezet, morgen vier weken dat het laatste warmtegevoel in mijn hand verdween.  Ik zou me nu moeten vastklampen,  me vastspijkeren aan alles wat je naliet “me verheugen, blij zijn naast jou geleefd te hebben “in die zin schreven mij honderden getrouwen maar het gaat niet het gaat helemaal niet.  Ik ben geen sterke vrouw die haar leed verbergt en glimlacht voor de schijn.  Ik ben zoals ik ben, al heb je aan die jonge vrouw van 5 augustus 1950 op de Kriekenberg je beste van jezelf gegeven met een ongewoon geduld de oppervlakkigheid weggeschaafd tot je enigszins een gaver geheel verkreeg al weet ik goed dat ik nooit helemaal geworden ben het ideale beeld van de liefhebbende vrouw en moeder.  Jij was die eerste jaren toch onverbiddelijk in je eisen, maar stilaan heb je mijn tekortkomingen aanvaard als een wezenlijk element van elk menselijk bestaan.  Ik weet hoe hard het was voor jou die een eigen wereld had opgebouwd waar geen plaats scheen voor onbelangrijke kleine bekommernissen maar je werd geconfronteerd met “the struggle for life”.  Je had, radeloos op een keerpunt, gekozen en vond jezelf ongewild in een kleine wereld terug.  Ik vond tussen je knipsels een haastig geschreven bedenking, ik denk het klad van een brief naar iemand die ook de grote sprong waagt, ik schrijf het fragment over :

“… onlangs maakte ik aan mijn vrouw de opmerking dat de dagen zo eender en eentonig voorbijgaan – met altijd hetzelfde werk, zonder een bericht dat u doet opkijken.  Nu brengt ze mij een bericht dat mij inderdaad doet opkijken en hoe … jij waagt dan tenslotte ook de sprong!  Misschien vind je evenals ik dat het geen aantrekkelijk vooruitzicht was als vrijgezel te moeten eindigen.  Al zijn er aan het huwelijk nog zoveel schaduwzijden.  Als men het klein lichaampje van zijn kinderen tussen zijn handen voelt dan kan men daarvoor wel iets prijsgeven.  Eenmaal gehuwd heeft men ook een evenwichtiger kijk op het leven …”

Daar zijn van die handschriften van brieven en ontelbare knipsels uit kranten en tijdschriften, folders en allerlei publiciteit die jij bewaarde sommige netjes opgeplakt andere lukraak door elkaar vergeeld en verfomfaaid met soms in de hoek erboven “niet weggooien” dat was dan een week voor mijn opruimingswoede.  Zo had ik ooit het tijdschrift “Live” dat tamelijk beduimeld en bepoteld was al klaar gelegd naar de krat met de weg te werpen papieren.  Je verontwaardiging was groot.  Het was namelijk het nummer helemaal gewijd aan de bijbel met de reusachtige afbeeldingen van het laatste oordeel in de Sixtijnse kapel van Michelangelo.  Jarenlang heeft het nog gelegen naast je zetel in de hoek op je bureau en hoe dikwijls heb je erover gemijmerd als je weer in een periode kwam van zoeken en tasten naar het Onbekende.  Die zetel in de hoek van het atelier was je heilige plaats “de nombril van de wereld” voor jou.
(“nombril: Frans voor “navel”)
Als ik uit de school weerkeerde veerde ik eerst naar boven om mij te ontdoen van de steedse kleren maar eerst pikte ik een glimp van je op.  Als je niet aan je schildersezel stond zat je verdiept in je geliefkoosd hoekje te mijmeren of te lezen je reisdeken behaaglijk rond de lange benen.  Dan luisterde jij gedwee naar mijn soms laag bij de grondse verhalen uit de schoolgemeenschap: het dagelijks stramientje waarop collega’s, directie en leerlingen een bonte wemeling vormden van kleine verdrietjes en anecdootjes, terechtwijzingen en ruzietjes alles even onbenullig en “het vertellen niet waard” zei je dan; al wist ik ook dat jij maar éénoors luisterde terwijl jij leefde in een kosmos van werelden en gedachten, ideeën en nog te verwezenlijken dromen.  Je zetel staat er niet meer.  We hadden wat zeg ik … Ik alleen heb hem eens naar beneden gesjouwd, wringend en trekkend langs de te nauwe trapleuningen.  Je stond toen versteld van mijn kracht!  Jij wou immers warm naast de Ardense kachel zitten want de trap op zou een te grote belasting betekenen.  Maar het was niet meer zoals vroeger hé Pips.  Je moest nu het hele slameur van de doordeweekse dag meemaken.  Je eenzaamheid was doorbroken.  Je zag mij wel bewegen van het aanrecht naar de tafel sjouwen met de kolenkitten.  Je hoorde mij sakkeren als er iets verkeerd liep en je zag voorzeker mijn machteloos optornen tegen het onafwendbare dat soms benauwend dicht nabij leek.  Je voelde mijn wurgende onzekerheid voor een nakend onheil dat over jou maar ook over het oude landhuis hing.  We zouden het moeten verlaten omdat ongeduldige erven eindelijk en begrijpelijk; het goed wilden te gelde maken.  “Ik koop het zelf” had ik je eens overmoedig gezegd, al wist ik dat het zonder de kinderen nooit zou gaan. Toen kwam er een vreemde lichtglans van hoop in je vochtige ogen en bijna kon ik ook weer in de toekomst geloven.  Konden we maar kijken in de goddelijke raadsbesluiten.  Waarom kunnen we zelf het uur van afscheid niet bepalen?  Waarom moeten geliefde wezens scheiden en moet volgens de aardse wet toch één voor de andere gaan.  De “karma” in jou heeft haar werk nog niet voltooid” peroreerde goeroe Stef met oosterse wijsheid.  Ik weet alleszins dat vanaf het fatale telefoonbericht van 12 mei precies jouw karma in mij trad en heftig rukt als wou ze ook mij bevrijden.  In waak verwijl je steeds in mijn gedachten en sinds de laatste dagen heb ik voor het eerst sinds je verscheiden van jou gedroomd.  Je stond in de serre – vreemd ze is al jaren verdwenen – je riep met de druivenschaar in de hand.  Je weet dat verschrikkelijke werkje bij het uitdunnen.  Ik zag je staan en kon zoals in het koningslied bij jou niet komen.  Er was geen water geen hindernis maar ik stond roerloos verstard in mijn droom.  Ik zal moeten kijken in je droom-boek.  Je weet het was altijd een spelletje naar de verklaring ervoor te zoeken.  Het gretig aanhoren als er een positief gegeven in zat maar ongelovig de minder gunstige lachend wegwuivend.

(“koningslied”: De ballade van de twee koningskinderen:

“Het waren twee koninghs kindren,
Sy hadden malkander soo lief;
Sy konden by malkander niet komen,
Het water was veel te diep.”)

Ik heb een brief gekregen van schrijver van het artikel in P.  Het is Hektor De Bruyne, oud-minister en ere-senator.  Ik voelde dat hij je zeer na was in geest en gedachten.  Hij vroeg me niemand mede te delen dat hij steller van het in memoriam was omdat hij er dingen in vermeldde die vertrouwelijk uit het repressiedossier kwamen.  Hij had immers vroegere magistraten als collega in de senaat gekend, hij bedoelde waarschijnlijk W. Calewaert die voor jou ooit de doodstraf vroeg.
Telkens als ik intens bezig ben met mijn gedachten te verwijlen in de vroegere tijd, kom jij mij tegemoet zoals zaterdag bij het ledigen van weer een beduimelde doos uit de ingemaakte kast.  Het waren allerlei spullen die peter (nvdr: vader van Nand) bewaarde: strookjes van betalingen, akten van verkoop, zijn eremedailles in een klein kaarsendoosje en toen vond ik opgerold vergeelde krantenknipsels bijeengehouden met een ruig touwtje.
De knipsels waren gedateerd en gerangschikt.  Het was het relaas van de krijgsraad anno nov. tot jan. 1946-47 van het beruchte proces van Volk en Staat waarover H.D.Br sprak in zijn brief.  Ik heb ze alle ingekleefd in een groot tekenblok.  Ik kan je niet zeggen hoe ik mij voelde toen in grote italieken te lezen stond: “Het behaagt de raad Verknocke ter dood te veroordelen” fout in je naam en fout in de gepubliceerde foto: dichter-landverrader het was de foto van Bert Peleman!  Maar jij werd bedoeld ook de honende commentaar van de journalist van Volksgazet …” nu de nar van de bende de Bachten de Kupsche vaarzenfabrikant …”  Toen ik het Gke te lezen gaf, brak ze in tranen uit.  Moet ik je nog zeggen hoe een Ghetsemani van leed ons beiden omsloot, kwam daar nog bij het besef van het verdriet dat je twee oudjes in Gistel in die donkere herfstdagen hadden te verduren.  Och het is alles nu meer dan veertig jaar geleden en ik vraag me af of ik je wel genoeg heb vergoed om die afgrond van leed te dichten.  Een gevoel dat bij je zo ontvankelijke natuur wel niet te dempen was.  Nu begrijp ik pas je drang naar de beslotenheid, je wegvluchten in je eigen wereld die je alleen voor je zelf had opgebouwd waarin geen plaats meer was voor tekortkomingen allerlei, al bleken ze toch inherent aan elk menselijk handelen.  Hij had het hoogland bereikt over de moeilijke weg der onthechting, had afstand gedaan, over de pietluttige bekommernissen van de dagelijkse sleur, van uiterlijk vertoon.  Om mij ter wille te zijn heb je nog meegedraaid in de eisen die een normaal gezinsleven nu eenmaal vergde: kleine bezoekjes, kleine feestjes, kleine mensjes.  Soms heb ik het ook zo aangevoeld maar ik weet dat ik in je ogen me toch te veel bewoog in “daar waar men kleinheid kan ontwaren” G. Billiet heeft zo goed aangevoeld toen hij jou heeft getypeerd in D.W.B. “een wereld kuis en koel, waar harmonie en schoonheid stralen, de zinnelijke levensvreugde bedwongen door ascese, tucht en arbeid …”.

Ik heb een brief geschreven naar die vroegere krijgsauditeur.
(zie de pagina “Senator Calewaert)
Je had het mij verboden toen hij eens voor T.V. het afschaffen van de doodstraf bepleitte.  Nu jij er niet meer bent heb ik je verbod overtreden het was sterker dan me zelf.  Ik heb geschreven zonder haat noch wrok een beroep doende op zijn humanistische visie die hij dan toch in de loop der jaren tot de zijne maakte.  Ik refereerde naar Terentius gezegde “Homo sum …” Ja we zijn menselijk en het is me nooit zo duidelijk geworden dan die laatste weken.  Ik voerde zonder het te weten nu gesprekken met de andere zijde.  Ik klasseer en schik opdat de kinderen erna het gemakkelijker zouden hebben voor het identificeren.

De buurvrouw kwam even praten om mij uit te nodigen voor een feestje met oud-collega’s vrijdag.  Ik zal niet gaan maar ik durf het haar nog niet zeggen.  Ik zal zondag ook niet naar die kermis van Herderen gaan.  Mijn god het zou een marteling zijn.  Ik treed je wereld binnen in de plaats zal ik eens al de brieven lezen die je tijdens je interneringstijd naar je oudjes schreef.  Ik schrijf “oudjes” … ze hadden mijn leeftijd nu …

Ik zat daareven buiten op het terras, de zon schijnt weer zoals in die meidagen, de bomen ruisen en ik hoorde de zee terwijl onrustige merels over de kruinen scheren; één was er zilverwit ze gleed zwevend over het huis.  Ik moest weer huilen.  De verzen van Charles Peguy sloeg ik open je had juist een streep gezet aan:
“Quand l’homme s’en ira dans une nuit profonde … quand l’homme s’en ira dans une nuit étoilléé. ”  (uit “Ève“, 1913)
Het is of je tot mij sprak in deze regels zwaar van betekenis.
Weet je nog “Konden we reizen gij en ik, o geliefde mijn …”
(nvdr: citaat uit het gedicht “Raratonga“)

De zon zit weer dagen te branden.  Het is te warm op het terras en er is werk genoeg aan het archief.  De mappen moeten nu behandeld worden jaar na jaar.  Het werd me te eng en ik heb onze verlovingsbrieven gerangschikt.  Telkens een antwoord op je brieven zo kan ik ze lezen achter elkaar: een hevig liefdesverhaal.  De telegrams, je weet wel die ik je soms ’s morgens verstuurde om dan in de namiddag in één race naar Gistel te komen, een paar uren uitrovend op mijn dagelijkse handelsreizen en terwijl was jij bezig maar te solliciteren?  Ik kan ze niet tellen de vele gerangschikte brieven en hier en daar het onvermijdelijke “… het spijt ons …”  In al onze berooidheid een tijd die nu meer dan ooit bezit van mij neemt.  Ik weet niet of ik het aankan.  Het steeds bij mezelf moeten herhalen “Hij is weg, ik zal hem nooit meer naar zijn oordeel moeten vragen naar dat ene woord of die ene blik waardoor we elkaar ogenblikkelijk op hetzelfde diapason (‘octaaf’) raakten.  Het is nog niet tot mij doorgedrongen, ik voel het aan de onooglijkste kleine dingen.  Je kijkt naar mij vanuit je foto en ik stel je dikwijls luidop de vraag waar ik dan zelf je antwoord op weet.  Goed dat niemand mij hoort of toch?  Geef me weer een teken.

Ik was gisteren ook bij A en de Pr, het gaat niet goed met hem, als er iets gebeuren zou dan kan ik wel een afscheid voorbereiden i.v.m. het huis.  Het hangt als een Damocleszwaard boven mij en ook dat maakt alles nog eens zo zwaar.  Gisteren kreeg ik ook een bezoek dat mij, plots, veertig jaar terugbracht.  Ik had je ooit verteld van een oude “vlam” van zijnentwege alleszins die zekere J.  Stond hij daar voor mijn deur.  Het gaf me een vreemd gevoel alsof ikzelf hem moest duidelijk maken dat in zijn geval van persoonlijk condoleren toch minstens gewaagd was.  Wie kent de roerselen van ’s mensenhart.  Ik weet ook niet of hij bij zijn vrouw van dat bezoek gewag zal maken.  Ik stel me in haar plaats.  Het is natuurlijk krankzinnig te veronderstellen dat jij in soortelijk geval bij Y zou in levende lijve een rouwbeklag overmaken.  Ik weet dat ik een geweldige scene zou maken en wie weet wat nog ?!  G. moest schaterlachen toen ik het vertelde; eigenlijk had ik er een beetje medelijden mee …

Gisterenavond kwam St met zijn vrouw op bezoek.  Het was tegen middernacht dat ze wegfietsten.  Ik ben om drie uur weer opgestaan en las de verlovingsbrieven ook die van juni 1950, je weet, toen door een misverstand we danig op de helling zaten.
(zie brief nr.81 van 27/6/1951)
Ik herleefde weer de grote verwarring van mijn gemoed en mijn nadrukkelijk smeken; de vrees je te verliezen.  Ik leef nog amper in het heden.  Door het rangschikken kan ik me sommige dagen van dertig jaar geleden nog helder beleven.  Ik lees bijna brief voor brief van uitgevers, van kranten van vrienden.

Vandaag kwam er met de post geen enkele blijk meer van medeleven.  De laatste kwam gisteren van … een kapsalon.  Een mevrouw schreef met ietwat onhandig over haar tweeëntachtigjarige moeder die Pipsje heel goed gekend had.  Ze vroeg twee gedachtenisprentjes.  Het was ontroerend in eenvoud.  Er kwamen wel brieven naar jou gericht.  Dat zal nog wel een poosje doorgaan want het leven gaat zijn onvermijdelijke gang en het is of ik nu nog alleen ben met jou, weer geborgen in onze eigen wereld op het eiland van onze gedachten.  Dat zal dan zo verder gaan en ik betreed als het ware een nieuwe periode.  Zou ik ze kunnen vergelijken, het is dwaas natuurlijk, met de verwachting in onze verlovingstijd toen ik je zo intens lijfelijk bij me wou en het je dan ook zo hartstochtelijk schreef.  Je kijkt me meewarig aan op de foto met het vlinderstrikje.  Hier naast me op mijn schrijftafel staat ze.  Als ik er naar kijk weet ik al wat je me zeggen zal …  Straks ga ik naar Leuven waar ik een afspraak heb met M.L. die, terwijl haar dochter een examen aflegt, in de stad wat zal rondkuieren.  Ik zal met haar wat gaan praten aldus ontsnap ik aan het tuinfeest hiernaast.  Luidruchtige gezelschappen wil ik vermijden nu, het stoort je aanwezigheid in mij en onze communicatie.  Ik zal ook een kaartje bij de dokter gaan bestellen met de vermelding, ironisch bedoeld aan, “ik veronderstel dat u niet weet dat F op 12 mei in St Norbertus Duffel overleed, daarom deze gedachtenis get. Mevr. V.”   Op de prent schreef ik “bedankt voor de goede zorgen”.  Hij zal dan maar zelf moeten uitmaken wat zijn stilzwijgen betekende.  Hij kwam hier als vriend tien jaar elke maand over de vloer.  Wat zijn mensen mager van gevoelens soms.  Jij hebt het een heel leven lang ondervonden.

Gisteren vond ik in de papieren een schrijven ged. 1943 in het Duits gesteld.  Het kwam van de Kommandantur in Brussel.  Het werd je verboden het gedicht VOLKstaat te publiceren omdat het te expliciet de eigenheid van ons volk benadrukte.  Ik geloof dat O.D.BR. daarnaar refereerde in zijn art.
Het klasseren vordert nu traag.  Het jaar 1957 zal ik morgen aanvatten.  Ik vond gisteren ook de dagvaarding van het proces in Maaseik toen we bij een 11-juliviering de nacht hadden doorgebracht bij de Braunsfamilie, die een café openhielden maar geen hotelregister bijgehouden hadden.  Ze werden verklikt door nijdige buren.  Toen we voor de rechter stonden was het precies een vroegere medestudent van jou in Leuven.  Hij vroeg je toen “Ben jij dat die ooit in Leuven met je wandelstok door de straten laveerde …”  Je hebt toen geantwoord: “Ja mijnheer de rechter en bedoeld café was zeker geen hotel vermits mijn vrouw en ik in een veel te klein bed hebben geslapen waarbij mijn voeten een eind ver uitstaken”.  De zaal schaterde en de vrijspraak volgde.

Dag pappie, ik ben zo-even naar de stembus geweest.
(nvdr: Het betreft hier de verkiezingen van 18 juni 1989 voor het Europees Parlement)
Ik had ook de brief van de pr. mee met een doktersattest, het vermeldde dat hij wegens ziekte zijn kiesplicht niet kon vervullen.  De twee brieven herinnerde mij de laatste keren toen ik voor jou een volmacht had gevraagd en toen ik dan naar huis keerde zat je in je zetel te doezelen om weer wakker te worden als ik binnenkwam.  Dat is nu definitief voorbij.  Het wordt elke dag nu moeilijker.  Vanmorgen ben ik om zeven uur opgestaan maar heb eerst nog brieven gelezen juli 1951, de bewuste verzoeningsbrief weet je nog na mijn nadrukkelijk schrijven: “het zal niet meer zijn wat het was …” schreef je en kon de ontgoocheling nauwelijks beheersen.  Ik zeg nu ook tot me zelf “het zal nooit meer zijn zoals voordien”.  Ik ben leeg, verloren, oud en grenzeloos eenzaam vooral met mensen rondom mij die me beletten na te denken.  Ik ben naar de bakker geweest en moest maar twee broodjes bestellen, ik heb een doosje aardbeien gekocht aan het kraampje aan de kerk van Eppegem, kleine handelingetjes en elk daarvan zwaar geladen.  Toen ik terugkwam zag ik hoe verwaarloosd nu de tuin en de grasperken zijn, het ontbreekt me aan die vroegere onafgebroken drang om buiten te “sjoeffelen”.

Gisteren zijn we, G. en de meisjes, naar de avondmis in Leuven geweest, ze werd opgedragen voor de moeder van J, die een paar weken geleden ook heengegaan is.  Ze was hoogbejaard zesennegentig.  “Maar het gemis is toch aan geen leeftijd gebonden” schreef ik naar J.  Ik verdraag ook niet dat men mij zegt hoe gelukkig ik mag zijn dat jij er tweeëntachtig werd.  Het zien van bejaarden waarvan ik dan steeds de leeftijd inschat op jouw lijn, doet pijn.  Ik weet: het is dwaas en onrealistisch en ik heb de kinderen en alles wat je naliet en alle sympathie van zovelen maar daar is maar één plaats waar ik zou willen zijn bij jou, maar waar in die wereld daarboven?  hier naast mij?  in mijn gedachten “het heilig schrijn”?  zeg met mij, zeg het mij.  Geef nog een teken zoals vorige week: op een knipsel of een potloodstreep in je boeken waardoor je aanduidde wat je beroerde.  Ik zal maar weer naar je atelier gaan om aan je archief te werken.  Ik begin nu aan het jaar 1960, dus het zal nog een tijdje duren eer ik er mee klaar ben want bij het rangschikken van de brieven volgens datum ben ik steeds geneigd ze te lezen zo werk ik aan één map soms twee uur.  Ik las een brief van een zekere Bart Govaerts die je “Kapitein Kruyt” had gelezen tijdens zijn zomervakantie aan zee.  Hij was één en al lof en begreep niet hoe het geen luider respons gekregen had in de literaire wereld.  Ik word ook getroffen door je bergenhopen brieven waarin je solliciteerde zonder gevolg; ook de dreiging van het sekwester vergalde al die jaren.  Je hebt toen dikwijls een beroep gedaan op een oude vriend die minister geworden was De Grijse.  Ik bemerk wel dat hij voor jou je zaak is gaan bepleiten bij het ministerie van financiën.


Het oude landhuis.

Het gras staat ongemaaid, de haag is ruw geschoten
en boordt het wilde bed van ongesnoeide rozen,
de tuinbank hangt vermolmd, de stenen opgebroken
en wat er overbleef van zomerzonnebloemen
ligt er nu wreed verdord.
Een tuin van zeer verdriet sinds jij mij hier verliet
en nog het bang bericht der erven moest aanhoren
het ende delen van hun vaderlijk bezit
dat we mochten beheren, straks veertig jaren lang …

“Leef hier uw levensdagen” had ooit je vriend gezegd.

Nu waren ze geteld, zoals de populieren
die voor de nieuwe weg, brutaal werden geveld.
Zo staan de gevels open en bladderen de muren
van vroeger beurten verf.
Het vocht vreet traag naar boven en in de onderlagen.
Wat is van al het werk dat liefderijk werd bedreven
nog over, van de plaats waar jij soms neergezeten
me volgde bij mijn doen en glimlachte tevreden?

De vrienden zijn gegaan … de schimmen rukken aan
maar uit de hoge bomen, die jij hebt aangeplant,
ruist nog dezelfde bries die we tesamen hoorden
als jij me dringend noodde voor ’t uur der milde pauze
de thee der tederheid …
Waar toeven al degenen die ooit hier zijn getreden?
De schermen zijn verdwenen, het duinstel opgeborgen
opkopers aan de deur, onzekerheid voor morgen.
De gragen grijpen reeds om het bezit te werven.
De kilte klampt mij aan, ik van jaren moe
en sluit de luiken dicht en schuif gordijnen toe.


(woensdag 21 juni 1989)
Vandaag begint de zomer en het is werkelijk met een hittegolf dat hij inzet.  Ik breng de pr naar de gasthuisberg.  Het is al laat na de middag eer zijn zus me bij G. opbelt dat hij klaar is.  Bij de terugreis vraagt ze mij: “Voelt R. er nog voor om het huis te kopen?”  Ik aarzel omdat ik het niet weet.  Ze zegt dat ze al vraag gehad heeft ernaar.  Ik zeg niets maar voel een grote ontreddering in en over mij.  “Het moet zoveel mogelijk opbrengen…” dat heb ik tegen de notaris gezegd scherpt ze achter mijn oor.  De pr zegt niets hij hoort het ook niet en ligt precies ingedommeld.  Ik weet niet wat me te wachten staat.  Na de afschuwelijke pijn om je dood drukt de nijpende onzekerheid dat ik hier weg zal gaan, weg, weg, ik moet het steeds maar herhalen.  Ik durf nauwelijks naar alles kijken want het afscheid zal vreselijk pijn doen.  Ik zal ook moeten weggeven of verkopen, ik heb al twee opkopers per brief gehad.  Wat moet ik met je meer dan honderd schilderijen doen … ergens in een kelder opstapelen een zolder zal het niet zijn want ik zal in een van die blokkendozen wonen … hoeveel hoog?  Geen bomen meer zien, die je zelf aanplantte, geen gras meer maaien niets meer dan dromen van herinnering.  God geve dat het niet lang meer duurt.  Ik wil de tijd die me rest niet rekken, ik wil dat die tijd nu komt, ik zal hem als een langverwachte vriend begroeten en “eindelijk eindelijk weten dat onbegrijpelijk bestel …” misschien zullen we saam glimlachen om die aardse zorgen en verdriet … misschien … misschien wie zal het zeggen?  Kom Pips geef me een teken een heel klein teken dat je me hoort en ziet dat je nog om me geeft.

Vandaag schreef J.D’H., hij zal het artikel schrijven voor “Vlaanderen” en hij had het over je vroegere ontmoetingen in Brussel.  Hij vond geen woorden om me te troosten.

Bij het klasseren van je vele verhalen, ik wist niet dat ze zo talrijk waren, vond ik plots weer je antwoord op mijn smeken voor een teken.  Het was een gedicht dat ik nooit gelezen had.

Neen, gij zijt niet ver van hier,
gij zijt geen onbekende;
wij zoeken niet in woest omarmen
vruchteloze eniging.
Vrouw, gij leeft in mij.

Gij leeft in mij:
ik sluit mijn ogen en ik zie uw beeld,
ik hoor U in mijn eenzaamheid.
Gij zijt gevangen in mijn ziel,
en mijn ziel is wereldwijd.

Liefste, ik zoek U toch,
ik zoek uw levende leden:
ik haal naar uw blik
naar uw kalme handen in mijn handen,
naar uw warme mond.

Geef mij uw lach, uw plotse zwijgen,
uw bevende wimper, uw gelaat.
Word leven, word geboren,
word vrouw, beminde, kuise bruid,
word moeder, kind.

Het is voor mij een vreemde gewaarwording nu: te weten dat je mij toch ergens benadert, dat je al tijdens je leven als een begenadigde ziener, misschien onbewust, toch al de tekens hebt verzameld die ons eens na dit aardse scheiden, boven de tijd heen voor altijd zouden binden… Het is een zekerheid die ik koester omdat ik vrees deze weer te verliezen.

Ik ben met A naar de openbare verkoop van het huis van die neef geweest al zijn erven waren er.  Ik heb de clan van V benaderd en ook hun notaris.  Ze waren bereid over een mogelijke verkoop te praten.  Ze zouden eens bijeenkomen.  Nu wacht ik af en word danig heen en weer geslingerd.  We hadden in illo tempore moeten doordrijven.  Ik vond menige brief van jou aan vader Cl waarin je vroeg het huis te kopen.  Het antwoord bleef steeds vaag en onduidelijk omdat, zo schreef hij, zijn kinderen niet reageerden op zijn eigen moeilijkheden i.v.m. het ouderhuis in V.

Vandaag verwacht ik bezoek van een schoolcollega.  Ze komt in de voormiddag want ik moet de kinderen van de Fontein om vier uur afhalen en dan gaan we saam naar de mis door J.V.E. opgedragen in Heverlee.  We zullen weer veel aan jou denken (alsof ik het nog meer kon!).  Het weekend is voorbij.  We dachten saam te komen voor de bespreking hoe het nu verder met mij zal gaan … ik kan toch niet alleen in het grote huis blijven.  B. en co schijnen er niet veel voor te voelen want ze konden niet komen; het is dus weer afwachten en het belooft een onzekere tijd te worden.  Gisteren belde M op, ze was ook niet zeer enthousiast vanwege de schooluitslagen van de zonen en kommert iedereen maar voort met eigen problemen.  We hebben erover gesproken: Gke en ik toen we met de meisjes gisteren aan de Zoete Waters de namiddag hebben doorgebracht.  Ik herinnerde mij dat we beiden er ooit hadden gewandeld en ik dacht ook aan je studententijd toen jij in je sturm und drangperiode er ook zo dikwijls had rondgezworven.  Het zal toen wel intiemer geweest zijn dan nu met die bonte menigte aankomend tussen het hoogopwaaiende stof van zenuwachtige auto’s.  O tempora o mores!

Ik klasseerde weer en vond op een snippertje, verloren tussen honderden doorslagen … “weemoed en vergankelijkheid, alles vergaat zoals onze dromen zoals wij zelf”.  Ik zal dus nog even geduld oefenen tot ik zoals jij verga maar dan met jou in jou opgenomen zoals de Boeddha waar ik zo-even naar kijk bij het ontbijt opgenomen in het nirwana zonder nood en zonder pijn …

22 december 1989.
De winter is begonnen met zware stormen en regenvlagen.  Het zal misschien worden zoals vorig jaar: zacht en herfstelijk; de mildste winter van de eeuw.  Reeds één week is verlopen sinds het deprimerende bericht waardoor heel mijn hoop en verwachting omtrent het huis verdween.  Ik moet mijn klein notitieboekje naast me leggen om de loop der dagen te kunnen inschatten want nu ik weer deze vrijdagavond intreed lijken ze alle eender geladen met een bijna onverdraaglijke onrust.  Ik kon zondag niet naar de mis ik betrap me erop dat ik daar te onbeweeglijk moet zitten en het tobben neemt er dan groter afmetingen, m’n gedachten dwalen er steeds af terwijl St Martinus onverstoord in het brandglas achter het altaar zijn mantel de knielende bedelaar toereikt.  A telefoneerde me.  Ze had me na de mis niet kunnen spreken en vermoedde dat de griepvirus hier nog aanwezig was.  Er was een kruisweg gepland voor jou en onze Eerwaarde.  Het stond in het parochieblad zegde ze.  Hoe kon ik dat niet gelezen hebben?  Ik kijk nochtans elke week naar de zondagse tienurenmis waarvoor ik bij de pastoor reeds vóór een paar weken had betaald.  Ik ga in de namiddag naar A.  Ze jammert de hele tijd over geld dat haar nog rechtmatiger wijze moet toekomen.  Haar zoon is realistischer en zegt een groot kruis te maken over het geven en nemen en indien B. het huis kan kopen ook inschikkelijker te zijn met de neef.

Maandag heb ik een hele dag gewacht op een tegenbericht van de notaris die meldde bij monde van L dat indien er geen overeenkomst kan plaats vinden er dan maar een publieke verkoop moet zijn.  Het begint weer van voren af.

Woensdag ging ik naar G.  De kinderen kwijten er zich van hun huishoudelijke taken ik heb er wat gestreken en keer in de druilerige regen weer naar huis.

Donderdag ben ik naar de schatter geweest die ging met vakantie en zou de ajournering begin januari maken.  In de namiddag sprak ik met notaris A.  Hij zal de partijen in januari laten bijeenkomen.

Om vier uur breng ik A naar de radiografie in Antwerpen.  Ik heb er twee uur in de wagen gewacht.  Het was onuitstaanbaar.  De auto’s flitsten onophoudelijk voorbij en langs de huizen schoven de haastige voetgangers onder hun regenschermen met pakjes en kerstrozen.  “In de plaats van mijn hart zit een zweer” had ik glimlachend tegen de notaris gezegd en ik voelde werkelijk als een blauwe vlek daar ergens waar het de laatste dagen zo hevig bonst!

23 december 1989.
Dag Pappie nog twee dagen en het is Kerstmis.  Ik kwam zo-even binnen nadat de begrafenisplechtigheid ten einde was van de buurvrouw V.G.  Er was grote belangstelling in de kerk waar een paar meter van de kist de kerststal was opgebouwd tussen een rij van naar harsruikende donkere sparren.  De pastoor sprak trage woorden van medeleven uit voor de treurende nabestaanden.  Ze verloren een echtgenote en moeder.  De overledene was van mijn jaar en dat deed me de gehele tijd diep nadenken.  Na het “In Paradisum” heb ik de begrafenisstoet gevolgd.  Het kerkhof ligt niet zover af.  C, mijn lieve dorpsgenote vergezelde me.  Ik zou anders al naar huis zijn gekomen want je weet dat ik steeds de begraafplaatsen schuwde, een instinctmatige weerzin voor de doden die ik alleen levend in de geest oproep en het langzaam verterende lichaam als een vloek beschouw.  Ik heb de hele tijd ook aan jou gedacht en zag de met koper versierde urne onder de zwart arduinen grafkelder ginds in Oostende.  De noorderwind zal er ook zo nijdig slieren om de zerken en kruisen als hier bij dit treurende afscheid.  Dorpsgenoten en anderen uit de geboortestreek van de overledene schoven traag voorbij de bleke kist en tekende er vluchtig een kruis overheen.  Familieleden wachtten geduldig met nauwelijks verholen verveling drukten ze de handen van de voorbijgaanden.  Het gaf me een voldoening dat ik de drukte om je heengaan heb vermeden en dat ons afscheid zo intiem is verlopen.
C. bemerkte mijn onbehagen en nodigde me binnen. Haar man en dochter omringde me zo vriendelijk en begrijpend dat ik even mezelf kon zijn. De kerstkransen hingen er als een uiting van de bereidheid in hun harten.  Het deed me goed er even te vertoeven en wat dieper in te gaan op de betekenis van leven en dood.  Ik ben traag naar huis gereden.

De kilte hier werd even verbroken door het rinkelen van de telefoon.  Ik had een langdurig gesprek met J.  Hij is zeer betrokken met de moeilijkheden omtrent het huis.  Zijn voorstellen klinken klaar en realistisch.  B had de Fontein verwittigd dat de familiereünie met Kerstdag zou plaats vinden.  Ik zal in H naar de mis gaan want G is moeder Maria in de levende kerststal en dat moment wil ik niet missen.  Te midden van de kinderen zal de pijn om je afwezigheid er steeds zijn maar de weemoed moet verzachten als ik dan kijken zal naar de glans van de kerstlichtjes in hun klare ogen.

Gisteren onderbrak ik de lectuur van “Johanna van Bourgondië”.  Haar verscheurde leven en onbegrepen zijn bracht me tot het besef dat de diepste roerselen van de ziel zoeken naar een klankbord dat wellicht alleen na de dood begrepen wordt of uitzonderlijk tijdens het leven door de begenadigden de Zieners, de Ingewijden.  Misschien was ik je onvolkomen klankbeeld in dit leven, lieve Pips.  Nu je weg bent, ben je mij levender dan ooit.

Het is vandaag de 28ste december.  Het herinnert me mijn kinderjaren in het Brabantse Wingerdal.  Het was er de gewoonte het feest der “Onnozele Kinderen” te vieren met het z.g. buitensluiten.  Pa of Ma moesten dan iets beloven vóór ze opnieuw binnen mochten.  Het was gewoonlijk een wafelenbak in de namiddag.  Daar dacht ik vannacht op toen ik weer niet slapen kon.  Ik ben dan maar opgestaan en de kachel in de woonkamer aangestoken, wat gedoezeld op de divan daar waar je de laatste maanden ook sliep, ik zie nog de vage afdruk van je hoofd op het wandpapier tegen de muur en ik voel weer hoe de afschuwelijke droogte mijn keel toeplakt.  Jouw laatste muntjes liggen op het tafeltje naast mij.  Je weet wel: je moest er telkens twee hebben naast het glas met water, ik doe nu hetzelfde.

De kerstdagen verliepen in mineur.  De brieven en kaartjes die ik toegestuurd krijg refereren naar mijn eenzaamheid.  Ja, het is de eerste kerst zonder jou en ik denk aan al die vele jaren toen het anders was.  Ik heb historische biografieën uit de bibliotheek gehaald “Johanna de Waanzinnige” en de “Reizen van Karel V”.  Het T.V.-kastje liet ik dicht voor de valse kerstsfeer en de gruwelijke beelden van Roemenië.

Met kerstdag ben ik dan naar de Fontein geweest.  Gd. was Moeder Maria in de levende kerststal tijdens de kindermis in de kapel van de Dominikanen.  St Jozef was nogal klein uitgevallen naast zijn slungelachtige vrouw die droeg de pop van S. teder in de armen.

Gke had haar best gedaan voor de feesttafel.  De kinderen lazen een verhaal voor (Gd. had het hare zelf gemaakt) en J. debiteerde zoals een vrome patriarch een stichtende lezing bij het maal.  Voor de koffie kwam ook B. en C°.  Het was de joelige sfeer van de Weerdse kerst bij het openen van de geschenkpakjes.  Nu en dan keek ik naar jou en sloot alle indrukken bij elkaar en ik wist dat het nooit meer zal zijn wat het was.  Ik geloof dat iedereen aan jou dacht maar niemand vermocht je naam uit te spreken.  Ik ben naar huis gereden toen het al donker was maar er was weinig verkeer.  Achter de gevels vermoedde ik de familiereünies want de helverlichte kerstbomen flikkerden voor vele vensterramen.

Gisteren ontving ik onder band een publiciteitskrantje “Vrij Maldegem”.  Er stond jouw gedicht “Kerstnacht” in.  Je schreef het na onze wandeling in de streek van Ruusbroec, toen we even verpoosden in “Het Rode Klooster”.  De herinnering eraan heeft me bijzonder aangegrepen.  Er komen wensen: koud en afstandelijk, andere getuigen van de bewogenheid van trouwe kennissen.

Het nieuws uit de Rooseveldstraat is niet zeer bemoedigend en de ziekte van Bert versterkt mijn angstig gevoel voor wat onafwendbaar is.

Straks komt de Fontein op bezoek en morgen wordt je petekend 7 jaar.  Aan de hand van mijn dagboek anno 83 herleef ik elk moment van die toenmalige blijde gebeurtenis: een nieuwe stamhouder!