1991

(leeswijzer: zie de pagina “Brieven aan Nand“)

Hieronder de bladzijden vanaf 14 mei 1991, met de teller opnieuw op blz. 1. Nand wordt hier niet rechtstreeks aangesproken, zodat de stijl meer zuiver dagboek wordt, meestal geschreven, dus niet overgetikt, zie voorbeeld van blz. 2:)

“Het mocht niet zijn, zoals elk vurig verlangen naar geborgenheid, voor mij nu een ijle droom, elke dag wat meer onzeker; elke dag wat meer omfloerst….”

(blz 1 begint uitgetikt gaat over in handschrift)
14 mei 1991
Bert (nvdr: broer van Sim) ligt nu begraven, zoals hij wenste op het hellend kerkhof van Grimbergen. In de verte rijst de abdijkerk der Norbertijnen waar de uitvaartdienst plaats vond. Het is er rustig en de stadsgeluiden dringen hier nog niet door. Voor het eerst priemt de zon door de meiwolken.
“De bloemen en kransen zijn nog niet verwelkt”, zegt M. toonloos en probeer zakelijk te overleggen welke grafsteen het best geschikt zou zijn. De zonen staan er onwennig bij. Een vliegtuig scheert scherp naar het nabijgelegen vliegveld en de vogels onderbreken even hun verstoorde bezigheid.
Gd heeft het weekend bij mij doorgebracht; zo kan ze zich beter concentreren bij de studie. We vullen saam de leegte op in het huis en ik ben wel verplicht voor een ordentelijke maaltijd te zorgen. Want anders is het maar zowat “sur le pouce”!
Vorige zondag 12 mei kwamen de fontein mij ‘moederdag’ wensen. B. had zijn verplichtingen aan E’s kant. Hij belde me evenwel op in de vroegte. G.’ke had de plant der “hoop” bij een reukje en de kinderen de tekeningen.
’s Avonds trokken ze allen wuivend weg.
Ik ben met de verhuis begonnen op de slaapkamer en nam m’n intrek in het atelier bij de telefoon in handbereik. Ik slaap nu waar pappie het grootste deel der laatste twintig jaar permanent verbleef. Elk hoekje tast ik met nauwgezetheid af, ga met de beelden der allegorieën te ruste en ontwaak ermee –
20 mei 1991
Morgen verjaart G’ke, 38. Ik heb de plaatsen opgeruimd waar gisteren de familie compleet was voor de herdenkingsmis van pappie. B. en Co had weer andere verplichtingen. “Kismet”. Ze hadden bezoek uit Nederland. Ik hoop dat ze het huis wat orde meegaven, want de aanblik van de chaos maakt me misselijk. Ik zwijg en doe of ik het niet merk.

(nvdr: “Kismet“: een term die Nand vaak gebruikte, het woord komt uit het Arabisch en betekent: “(nood)lot”, “lotsbestemming”, of “het zij zo”)

(blz 2 handschrift)
Het is weer koud vandaag, reeds weken wacht ik op de warmte. De kachel moet weer constant branden. De doos die Bert me bij onze laatste bejegening overhandigde heb ik uitgepakt en al de emoties van een donkere tijd reten weer alle littekens open. De stapels brieven die we in de celtijd naar elkaar schreven. Eén van moeder naar haar enige zoon was zeer ontroerend; het is ook de eerste keer dat ik hem las, want ik was toen zelf geïnterneerd. Hoe zwaar toch werd het gezin beproefd. Noodgedwongen moesten ze het landelijke huis verlaten, have en goed wisselen voor de steedse behuizing. Te bedenken dat m’n ouders toen nog een stuk jonger waren dan ik nu en hoe ze de kortzichtigheid en de nijd van eigen volksgenoten moesten ondergaan.
21 mei

Ik ben naar Germaine VG geweest om de ongemakkelijkheid van het sorteren van me af te zetten en besloot naar het oude dorp door te rijden. Met moeite herkende ik het oude landschap onder de nieuwbouw en de keurig ingerichte tuintjes en percelen. Het vroegere “Perckveld” met de hobbelige aardeweg werd aangelegd, verbreed en verkaveld. Het Wingerveld vóór het ouderhuis – eens een wiegende graanzee – staat volgebouwd. Ik zocht met enige moeite naar het verloren perceel bouwland in de Looikensstraat en sloot met de boer een mondelinge overeenkomst voor verkoop. Toen ben ik even bij M.V.d.W. gaan praten, een herinnering van 50 jaar geleden —
(blz 3)
22 mei 1991
Vanmorgen ontving ik een ontroerend schrijven van een vriend van Bert. Hij stuurde een vergrote foto van hun beiden anno 1944 sept. Ik voeg hier de brief bij die ik hem schreef om hem te danken en om nog even te reminisceren  naar de tijd van toen —
24 mei 1991
Vandaag kwam G’ke met de fiets naar hier. We hebben samen op het terras gegeten en ze had de tijd niet voor de verbeteringen uit te voeren die ze gepland had want moederlief had veel te vertellen!!
26 mei 1991
Gisteren heb ik voor het eerst weer de zitmaaier uitgehaald, het was twee jaar geleden. Ik vreesde dat de kracht zou ontbreken om in te schakelen. Na een vijftal trekbeurten gebeurde het. ’t Was een vreemd gevoel opnieuw de banen af te meten, al is het gras in een bedenkelijke staat – –

Sim op de zitmaaier, enkele jaren vroeger:


B. kwam onverwacht met de knapen binnen. E. moest werken. De jongens waren ongeduldig om “te kermissen” in Kortenberg. Zo reden ze al tegen tweeën weer weg.
27 mei
Ik heb plantjes gehaald en de bakken (een paar maar) onder het stof en spinrag uit de garage gehaald. Nu staan een handvol geraniums en salvia’s te wachten op de spaarzame zon – In huis blijft het kil en daarom blijft de kachel in de studio branden.
(blz 4)
Reeds twee avonden na elkaar ga ik vroeg naar boven, geïnstalleerd in het éénpersoonsbed van Pips, in het atelier luister ik naar zijn lievelingsplaten, Rachmaninofs 2de concert. De Koningin Elizabethwedstrijd begon ook op de 27ste, de twee Russische pianisten hadden Rachmaninofs 3de pianoconcert gekozen: lang en zwaar. Ik moest aan pappie denken die er zijn commentaar zou hebben aan gegeven.


nvdr: “Adagio Sostenuto” uit het 2de pianoconcerto van Sergei Rachmaninof:


Begga en haar Pa waren op theebezoek. De kranige negentigjarige – over twee jaar wordt hij honderd – en zijn geest is nog lenig en gevat. Nadat ze om zes uur zijn weggereden overviel me plots een onverklaarbaar gevoel van desolate eenzaamheid, huilend heb ik het atelier opgezocht en hoorde de verklaring van Patrice Chalulau’s opgelegde concerto. Het is geïnspireerd op 9 gezangen uit de hel van Dante en toen ik het nu voor de vijfde keer hoorde gaf het heel de ontreddering en verlatenheid weer waarin de mens wegglijdt als hij niet vermag zijn zelfbeklag te overwinnen. Toen telefoneerde J. voor een afspraak ’s anderendaags. Het was een lichtpunt van een van de velen die nog om mij geven. Het stemde me rustig, al moest ik weer mijn toevlucht nemen tot een half Merinax pilletje. Het was toen al 4u in de morgen.
We hadden afgesproken op de parking van het Grimbergse kerkhof. Ik kan niet beschrijven wat er in mij omging. Het hellende dodenveld dat ik traag betrad. Het was een eerste warme lentedag van een koude meimaand die over een paar dagen ten
(blz 5)
einde loopt. Ik was er alleen. De graven keurig gerijd. In de gleuf van een gebroken zerk priemde een madeliefje, de namen waren onleesbaar.. Het graf van Bert in een terpje opgehoopt, was nu ontdaan van de tuilen en kransen der eerste dagen… Het houten kruis vermeldt alleen zijn naam, koud en onwezenlijk.
Ik hoorde me tot hem zeggen dat een oude vrouw me uitnodigde en hij wel veel in onze gesprekken zou aanwezig zijn. Ik zette het laatste beeld van m’n dode broer van me af. Een beeld dat steeds terugkeert. Zo was het bij m’n zus. Zo was het bij Ferdinand. Het grijpt je vast op elk ogenblik ban de dag en belet me bij nacht in de slaap vergetelheid te vinden.
(blz 6 opnieuw uitgetikt manuscript)
Mijn voorgenomen besluit geen reis te ondernemen zolang de tergende onzekerheid omtrent het huis duurt is ijl gebleken. De zomermaand is weer in zicht. Ik heb het rottende hout van de raamkozijnen wat geplamuurd en wat schrale bloemen in een paar bakken ingeplant. De tuin aan de garagekant is overwoekerd en telkens als ik de wagen gebruik denk ik aan wat het eertijds was. Het zal me beter bekomen als ik er een paar dagen uittrek, weg van de sombere junidagen die kil en koud zijn als de op materieel beluste mens. Ik zal Ant. bezoeken in het warme zuiden en er zijn “clowns” bekijken die de weerspiegeling zijn van een gekke wereld waarin we zelf meedraaien als in de mallemolen die Ferdinand ook heeft geschilderd. Ik zal me wringen in het keurslijf van goodwill en elke opkomende wrevel in ijl gezwets proberen te drukken.

Ps: zie verder de film die Sim draaide van haar bezoek aan Port Camargue / Le Grau du Roi (8mm)

Al. vergezelt me, maar ook haar perikelen zullen meereizen en ik vrees dat het relaas eromtrent, al worden ze soms verpakt in een tragisch-komisch verslag, evenmin zullen onderdrukt worden.
De verwachting van het onbekende en de spanning ervan scoort altijd hoger dan de realiteit. De comfortabele eersteklassereis met de slaaptrein werd verstoord door het onbehaaglijk sleuren van te zware bagage. Het betekende een regelrechte aanval op mijn opgespaarde energie die ik door het stilvallen van mijn tuinactiviteiten nu stilaan voel verebben. We bereikten na de hortende slaap het station van Montpellier bij 300. Ik vroeg me af of de onzekerheid van het avontuur  nog wel was weggelegd voor dames op leeftijd, temeer daar de vriendin permanent lijdt aan een slepende zenuwontsteking. Ik bewonderde haar uithoudingsvermogen, want ik vermoed dat ze de pijn verbijt om mij ter wille te zijn. De bus bracht ons bochtend naar het stationnetje van Grau du Roi. Ondertussen hadden we al de typische landschappen van de streek ontdekt: de zandkleurige huisjes in het groene kader en de weelde van de oleanders in bloei. We verbaasden ons over de afschrikwekkende woonmastodonten van het futuristische Grande Motte. Hun contouren tekenden zich brutaal af tegen de blauwe lucht van de Camargue. An haalde ons op in het autootje dat hoorbaar aan een grondig nazicht toe was al gaf het achteraf blijk van een “formidabel” uithoudingsvermogen, zoals trouwens zijn conducteur: de minzaamheid en hartelijkheid, zo oprecht en gemeend!
Al. en ikzelf schaamden ons later over onze eisen in verband met het logies want nadat onze gids de verschillende mogelijkheden had overwogen kwamen we terug tot het eerste uitgangspunt: “Hotel de la Camargue”, een studio met uitzicht op de piscine en verbonden met de nabijgelegen zee op een boogscheut alleszins en na een paar dagen hielden we van dit minuscuul plekje zodat Al. reeds plannen smeedde voor een eventuele terugkomst. Voor een rustig verblijf ter plaatse alleszins paradijselijk een oase van groen en geurende struiken. De marina’s en de boten niet veraf.
(blz. 7)
Ze wiegden dromerig zacht als lokkende sirenes te noden voor een trip op het blauwe!
Woensdag 28.
Al. is moe en rust uit van de inspanning der vorige dagen. We hadden afgesproken de Ibis in de namiddag te bezoeken aan de meerplaats niet ver van het hotel over de binnenweg die Ant. me vorige avond had aangewezen. Ik wilde even de weg opnieuw verkennen om, mijn schamel oriënteringsvermogen kennende, Al. straks een nodeloze omweg te besparen. Ik liep in de blakende middagzon de hele meerstrook af en liep zoals steeds weer verloren, langs verrukkelijke wegeltjes alleszins maar moe en bezweet bereikte ik opnieuw mijn vertrekpunt waar Al. niet erg opgetogen bleek te zijn met mijn lang oponthoud… Nadat we beiden over ons humeur heen waren bereikten we dan toch tegen drieën de Ibis en zijn bewoner bezig de te koop gestelde sloep wat op te kalefateren. Nadat we een kijkje hadden genomen in het interieur bezochten we ook zoon Rein en vrouw Viviane in hun zeevaardige optrek. Ik heb de opkomende weemoed onderdrukt als ik de plejade van zeilen, masten overschouwde, omdat ik steeds aan Ferdinand moest denken die nooit de trip naar het zuiden met mij heeft gemaakt in een tijd waar het voor hem een openbaring zou geweest zijn. Hij droomde van een zeereis, hij sprak erover en schreef zijn verlangen neer in het mooie vers:
“Konden wij reizen, gij en ik
o, geliefde mijn
op een broos getuigde brik
of een blanke brigantijn…”

(nvdr: zie over dit gedicht ook de pagina “Raratonga“)

Het mocht niet zijn, zoals elk vurig verlangen naar geborgenheid, voor mij nu een ijle droom, elke dag wat meer onzeker; elke dag wat meer omfloerst.

We hebben Ant. uitgenodigd voor een etentje bij een schemerlichtje en een prikkelende “Pic de Poule”. We hebben wat losjes gepraat en het moment van beleven in onszelf vastgelegd om later de herinnering ervan te koesteren als een kleinood in “une boîte magique”!
Donderdag 27
Ant. moet voor controleonderzoek naar Villeneuve bij Avignon. Wij vergezellen hem. Het is zijn eerste lange autoreis sinds de infarctus. Nu en dan tast ik de sterk gelijnde trekken af onder de golvend witte artiestenkop maar ik bemerk geen vermoeidheid en zacht gezapig vertelt hij zijn belevenissen, de moeilijkheden bij het opbouwen van een bestaan, de familieperikelen, de ups en downs in een kunstenaarsbestaan, de niet van risico’s gespeende beslissing met hebben en houden naar het zuiden te trekken weg van het koude noorden naar het lokkende avontuur nog vóór de bezadigde levensavond het verhinderen zal.
(blz 8)
We rijden langs kalme wegen. Ant. kent de mooie plekjes buiten de jachtige autoroutes. Het Van Gogh landschap ontrolt zich ettelijke malen voor ons. De gele weelde schept een gevoel van opgetogenheid, alleen de niet wijkende zwarte vlek op het netvlies van mijn oog scheert als een zwarte vogel over het vergezicht. Ik druk de gedachte van vrees en onbehagen weg en vraag aan Al., die achteraan in de wagen onze gesprekken maar met slierten volgt, of het gaat… “Het gaat”, zegt ze, maar ik denk dat ze wel stiekem haar pilletjes neemt tegen de opkomende pijn.
Terwijl Ant. op doktersvisite is, slenteren we naar de “Chartreuse”. We zien het fort André op de hoogte en zouden wel graag naar Avignon, maar we zijn gebonden aan onze bereidwillige chauffeur die ook zijn bevriende dame wil bezoeken die hem ook bij zijn reis naar Vlaanderen in de herfst vergezelde en even in Weerde te gast was. Haar huis deed me denken aan de “Kleine Johannes” van Fr Van Eeden. Een tuin vol romantiek zoals trouwens het huis, gevuld met allerlei zaken, liefderijk bijeen gegaard “une maison habitée”. De koelte op het terras werd onderbroken door een ver getsjirp van een verdwaalde krekel die als het ware optornde tegen het zuiders timbre van de bezig zijnde gastvrouw. Mijn gedachten dwaalden af onmerkbaar naar het verhaal van Ant. levensverhaal naast Régine had hij “the best years” van zijn leven doorgebracht de fijn begaafde vrouw uit het noorden. Het zal alleszins een aanpassing vergen of een inschakeling op een ander diapason zoals ieder van ons doen moet als we uit onze “heilige” eenzaamheid onder de mensen komen en we soms onze eigen stem over onbenulligheden horen spreken waar we het eigen gelaat proberen te verhullen.
Vrijdag 28.
We bezochten het graf van Régine: een zandkleurige terp op het nieuwe stoffige kerkhof van Grau du Roi. Het gaf me een schok. Ik hoorde de zachte stem van Ant. die zich verontschuldigde omdat de afwerking ervan niet voltooid was. De beplanting was door de warmte min of meer verschroeid. De keien knirsten onder onze voeten. Ik dacht aan de graven van onze geliefden en de vergankelijkheid van dit bestaan waaraan we nochtans met zoveel vezels vastzitten.
Ook het bezoek aan Aigues Mortes was indrukwekkend. De vestingen rondom de bedrijvige winkelstraatjes. Ik zou er willen terugkeren zonder de sliert van de luidruchtige toeristen en hun schreeuwerige muziek attributen. Je moet er lopen met je hoofd in de hoogte en verwijlen in die 13de eeuw toen de heilige Lodewijk van hieruit zijn kruistocht begon voor een ideaal, onbereikbaar en dat hem naar de dood zou leiden maar juist ook hierdoor onsterfelijk. Waarom overviel me weer die onuitsprekelijke weemoed waarvan ik niet loskom. Had ik me niet voorgenomen “het Carpe-diem” te beleven ver van het vertrouwde nest in het kleine dorp. Hier zit ik dan op een terrasje bij een flinterdunne pannenkoek, die naam niet waard,
(blz 9)
en ik moet de opwellende treurnis verdringen. Ik wil huilen maar wie zal het verstaan?
Zaterdag 29
Er is een groepstentoonstelling in “Le Carrefour 2000”, Ant. maakt deel uit van de jury en we gaan er naartoe. Het complex is vlakbij het hotel. De zon brandt en het is heet. De gasten grijpen naar de vriendelijk aangeboden drank en versnapering. De tentoongestelde werken geven blijk van niet al te denderende inspiratie: Camarguegezichten, schepen en bloemstukken. Geen doek waarbij je plots getroffen staan blijft omdat er de vonk is die je aangrijpt en ontroert, die het innerlijk beleven van de steller weergeeft, zijn eigen zienswijze, zijn ontreddering, zijn extase…
Al. wacht buiten op een stoepje. Ze is moe. We zullen even naar het hotel terugkeren en spreken af om naar het atelier van Ant. te rijden in de namiddag. We slenteren langs de straatjes van de Grau. Het is maar een vijftal minuten rijden van Port Camargue. Ik film een stukje van de haven. Jammer dat het fotoapparaat van Al. niet werkte!
Zondag 30
Ant. brengt ons naar de studio van M. die er nazicht houdt voor de verhuring. We babbelen iets te lang en full speed gaat het naar het station waar Al. en ik de trein nemen naar Nîmes. We komen er aan in de hitte van de middag. Ons uithoudingsvermogen is formidabel. Na de arena bezoeken we “La Maison Carré”, ernaast wordt de mediatheek opgericht, een moderne mastodont. Het gezicht ervan doet me weer inzien hoe luttel een tijdperk zich aandient in de spanne van de eeuwigheid.
We slepen ons voort naar “Les Jardins de la Fontaine” of hoe dat park ook heet. We ploffen uitgeput neer en verorberen er ons zoveelste slaatje en ijsbollen.
“Il faut absolument prendre le café chez Cortois”, had M. ons gezegd.
Na lang zoeken worden we beloond voor deze inspanning.
Een mooie dag spijts de sleet in de benen ! We komen er terug!
Maandag 1 juli
De dag vóór de afreis. We zullen de Tikki III op de kleine Rhône de Camargue bezoeken met de wilde paarden en de stieren die er tot vlak aan de oever te kijk staan. De boot werd overrompeld door heen en weer lopende bengels op een schooluitstap. Het maakte me humeurig. In St Marie de la Mer, zelfde druk beklante winkelstraatjes, bezoeken we de kerk der drie Maries en beëindigen we de laatste trip op een “eetterrasje” in de zon.

Film die Sim draaide (8mm) over het bezoek aan Port Camargue / Le Grau du Roi / Les Saintes-Maries de la Mer met vriendin Al. (Al. draagt donkere bril):

(blz 10)
Dinsdag 2 juli 1991
De terugreis naar het noorden vangen we reeds aan op de middag. Ant. brengt ons naar de bus Port-Camargue-Montpellier. We zullen er in de namiddag nog even verwijlen vóór de trein vertrekt om 8u ’s avonds.
“Polygoon” is een reuzewinkelcentrum en ik laat me verleiden voor een typische provencerok en de laatste briefjes worden gewisseld. Op de brede lommerrijke allee kauwen en trekken we aan de rijkelijk-belegde pain Français, een regelrechte aanval op onze tandenconstitutie. Veel te vroeg sjouwen we de koffers naar perron 2. Bezweet en moe bestijgen we de wagon-lit. Al. zegt dat het horten en schokken van de wagen voortkomt omdat we waarschijnlijk op de wielen liggen want bij de heenreis ondervonden we minder hinder van het gedender maar onze uitputting zorgde voor het nodige soelaas.
Het regende miezerig toen we te Schaarbeek uit de trein stapten, stilzwijgend en mijmerend in gedachten bij de te vlug verlopen dagen.
Na een kort oponthoud in de Rooseveldstraat werden we door de bereidwillige neef ten huize afgeleverd en het hele avontuur bleef een onwezenlijke droom. Al. zei wat weemoedig “wanneer vertrekken we opnieuw?”. Zij dacht waarschijnlijk aan de reis met haar familie op 10 augustus wanneer ze voor een drietal weken naar de Provence weerkeert.
Woensdag 3 juli
We hebben de zon meegetroond want hier wordt het ook zomers, alleen vergelijk ik de troosteloze verwildering van de tuin met de keurige perken in Port Camargue. Gelukkig heeft B. het grasperk gemaaid en de karige bloembakken verzorgd.
Met M. plan ik een oponthoud bij Marthe in Knokke. We zullen toekomende week afreizen en even langs Oostende het V.-graf bezoeken.
Dinsdag 23 juli
Ik voel me als Ahasverus de “reizende”, want na een week Knokke werd het Reimsbach in de Saar, heimat van M. Haar huis ligt tegen de rotswand en de heuvelachtige streek met onverwachte steile hellingen en dalen vergen uiterste concentratie bij het sturen. De vergezichten en panorama’s zijn adembenemend mooi, een streek om lief te hebben. De woning van haar nicht in Saarbrücken ligt op een rots; we moeten 62 treden op om de voordeur te bereiken, een huis voorbestemd voor een schilder of een schrijver waar hij ongestoord en rustig zou veruiterlijken de kleinheid van de mens en zijn bekrompen bestaan daar beneden zonder uitzicht, zonder omlijnd doel.
(blz 11 opnieuw handschrift)
Augustus 1991
Ik ben een paar dagen in Knokke bij G. en de meisjes te gast geweest. Dochterlief was humeurig. Ze had enkele dagen last gehad van maagongesteldheid. 30 juli kwam R. me halen en I. vergezelde me voor een tijdje vakantie in Weerde.
Op 4 augustus kreeg Mutti bericht dat haar broer missionaris in Argentinië heel erg ziek is. Ze wil ogenblikkelijk naar huis en ik stel voor haar weg te brengen maar gelukkig zal S. het doen. Hij kwam pas terug uit Washington.
5 aug.
Ben moe en ga naar de dokter. Deze heeft een vervanger: jong, interessant en artistiek ingesteld. Hij raadt me aan naar Mechelen in het dispensarium bloed te laten trekken. Ook is de dosis Ethuon die dokter T. had voorgeschreven ipv Thyranon veel te laag.
Ik knap stilaan op (450 cholesterol!).
8 aug.
Bezoek van Mia Brans, Begga en Lizette. Er wordt mij gevraagd het welkom uit te spreken voor Jetje Claessens op 6 oktober in Antwerpen. Ik aanvaard aarzelend.
13 aug.
Dr. Haenen kwam naar de werken van Pappie kijken en is zeer onder de indruk. Hij zal met een kennis komen die de tekeningen van Pips zal afdrukken.
(blz 12)
18 aug.
Verjaardag. 72. Onwezenlijk en respectabel dunkt me. Iedereen werkt in de tuin. Het lijkt me of de dagen van vroeger terugkomen.
22 – 30 aug
Ik heb de vensters wat geplamuurd en geschilderd en nam het perk met de bramen onder handen: een sisyfuswerk, maar G. zegt dat de tuinarbeid mij fit houdt, dus…
Ik ben naar het documentatiecentrum in Antwerpen geweest om de tekst voor te bereiden –
Op 29 nodigde M. een select gezelschap uit voor een etentje ten huize.
3 sept.
B. is onder de indruk omdat hij het huurhuis in Kortenberg vóór de zomer moet verlaten en hier schiet niets op. Ik ben heel ongemakkelijk.
Op 8 sept vond ik in de archieven van Pips beschouwingen voor de jeugd. Ik kan ze verwerken voor mijn toespraak. Het ontroert me sterk.
Op 11 sept zet ik opnieuw de traditie in en ga met het jong volk naar Leuven-kermis!
(blz 13)
19 sept. 1991.
Ik rij met G. Dck naar Nieuwpoort. Ze heeft er een luxeappartement in de “Castelli” – We blijven er een paar dagen en bezoeken het V.-graf in Oostende. Ik sluit de golf van frustraties achter een dosis humor weg wanneer we in het “Clarenhof” de thee gebruiken en we ’s avonds bij een whisky de geschriften van Daniel kritisch lezen over de rechtstreeks verkozen gewestraden waar hij zeer negatief tegenover staat.
Op 21 sept wonen we de receptie bij van P.V.E. in St.-Kruis. Ik lach en scherts met de oud-collega’s en stel me afstandelijk op bij de belachelijk uit te wisselen “zoenen” waar ik een gruwel aan heb!
23 sept.
Ik werk aan de toespraak voor Jetje en vind gelukkig een tekst van pappie die ik kan inlassen, alhoewel hij mij zeker zou hebben afgeraden de opdracht te aanvaarden. Hij had reeds lang het luik van de belevenissen onder en na de oorlog afgesloten. Hij wou er ook niet meer over spreken en bleef steeds ijzig zwijgen als er bij gelegenheid van bezoeken of ontmoetingen aan herinnerd werd.
Ik schreef ook een gedicht “voor Jetje”.

Het gedicht van Sim op het rouwprentje van Jetje:

Op 24 sept is het 40 j geleden dat we hier onze intrek namen en ik probeer tevergeefs de gedachten eraan te onderdrukken om zo de hevige weemoed te milderen.
(blz 14)
30 sept 1991
De zoon van J.P. ligt zwaargewond in het ziekenhuis en de gedachte aan haar grote ontreddering doet me de eigen materiële moeilijkheden vergeten, ik schrijf haar een woordje opbeuring. Ook beeld ik m’n medeleven aan in een kort woordje aan Mevr. T. wier zus Anna overleden is en die ik een paar keren in de school heb ontmoet, waar ik toen haar minzame en bezorgde ingesteldheid mocht ervaren i.v.m. eigen familiale moeilijkheden.
6 oktober
Om 11u vertrek ik naar Antwerpen voor de viering van Jetje Claessens. Het is een goed georganiseerde bedoening en er is meer volk dan ik verwachtte. Mijn toespraak leek succesvol en pappie was er in de gesprekken erna bestendig aanwezig.
“Ben je verwant met Nand V.?” – “Ben je soms de dochter van N.V.?!” Het leek me plots alles zó onwezenlijk en bij de terugkomst over de drukke autobaan drong maar pas de werkelijkheid tot mij door. Het gebeuren een fractie van korte momenten in het herleven van een tijd die voorgoed voorbij is. Een tijd waarin we nog éénmaal hartstochtelijk willen leven, herbeleven maar de realiteit van het rauwe alledaagse omklemt en beklemt ons in de flarden van gesprekken en hartelijkheden die een kort moment ons diep en vreugdevol hebben beroerd vervagen reeds na enkele dagen en blijven nog even
(blz 15)
hangen in een telefoongesprek, een krantenknipsel, een relaas of een bezoek. Dat opbeurende bezoek van Jetje en haar gezelschap ten huize.
9 oktober 1991.
A. deelde de uitslag mee van de bemoeienissen die haar notaris bij de tegenpartij deed. Deprimerend relaas. Het gezeur en hebberig gedoe om rekeningen, opbrengsten en materiële eisen takelt me inwendig af, zodanig dat ik opnieuw m’n toevlucht zoek in de neppillen. Voor de zoveelste keer pluis ik de verkopen van huizen en appartementen af en zou voor mijzelf wel een oplossing vinden maar de kommer voor B. en zijn gezin die op tien jaar tijd nog niets hebben gespaard maakt me angstig en wrevelig tegelijk.
15 oktober ’91
Zacht herfstweer. Ik fiets naar Kortenberg, 20km. Binnen 1 uur heb ik de tocht afgelegd. Onderweg dwarrelen m’n gedachten terug in de tijd. Hoelang is het gelden sinds ik nog een behoorlijke fietstocht maakte… 1949 – Dus meer dan veertig jaar. Ik ben verbaasd over m’n uithoudingsvermogen. De auto’s razen rakelings langs me voorbij en ik besef nu maar pas hoe druk het verkeer is toegenomen, want in de wagen zelf besteed je er nauwelijks aandacht aan. Ik bespreek realistisch de toekomstige huisvesting, want hoe langer hoe meer moet ik tot het
(blz 16 )
besluit komen dat Weerde waarschijnlijk dient opgegeven. Zouden de partijen zolang treuzelen om ons de moed te ontnemen?
De samenstellers van het T.V.-programma “Ommekeer” nemen contact op en zullen 25 e.k. even op bezoek komen om te spreken over m’n dagboek.
Ik bereid het interview voor.
Als ik het verloop van m’n aantekeningen nakijk stemt het me weemoedig, bijzonder de wederzijdse brieven van de verlovingstijd.
Allerheiligentijd ‘91
Ik ben met de fiets naar Grimbergen naar het graf van Bert om er de steen te zien die nu de terp zal toedekken. Het kerkhof vlekte een bonte bloementuin onder de aarzelende herfstzon. De bezoekers schoven behoedzaam over de pasgerijpte paden en verdeelden zich in groepjes tussen kruisen en tomben. Er stond een peinzende man voor broers buurgraf. Ik wist dat hij de vader was van de verongelukte jongen van 25j. Ik wou hem toespreken maar iets hield me tegen, een beschroomd gevoel om de kille floers van bewogenheid te verbreken. We stonden beiden op minder dan een meter naast elkaar en keken elk onwennig en doelloos naar de namen daar op het kruis. Als een schrijn lagen onze gedachten relikwieën der herinneringen – De man ging heen vóór mij weg het hoofd ietwat gebogen.
(blz 17)
( R ) Mijn dagboek       November 1991
Ik teken mijn gedachten op, zoals zovelen wellicht, reeds van in de jeugdjaren. Wie schreef in die tijd geen rijmpje of gaf de verwarring en de onstuimigheid al niet een uitlaatklep, de tijd der adolescentie: het hele gamma der ontwakende gevoelens, het dwepen met personen, religieuze en andere aantrekkingspunten. Van mijn meter kreeg ik het kleine poëzieschriftje, dat ik nog altijd bewaar, waarin ik jeugdverzen optekende.

M’n studietijd werd een heerlijke tijd waaraan ik met dankbaarheid en vreugde terugdenk – en dat heeft niets met de nostalgische gemoedsgesteltenis van het ouder worden te maken – Daar werden waarden meegegeven die we behoedzaam in ons verder leven hebben meegedragen en die onze beslissingen steeds hebben beïnvloed en bepaald.
Een literair begaafde zuster voor wie we als jonge pubers “schwärmden” wist me aan te moedigen innerlijke emoties te beschrijven, te verwoorden in ellenlange opstellen. Het mondde uit in een verzenbundel “De Dagtocht” waarin het zwaarwichtig gerijm Van de Woestijniaanse invloed verried. Het was ook de hoofdauteur die we in het laatste regentenjaar bestudeerden.
Toen ik na de oorlog en de donkere repressietijd mijn latere man leerde kennen betekende de correspondentie met hem het uiten van de hartstochtelijke en beroerende gevoelens die de jonge vrouw
(blz 18)
in die begenadigde tijd klaar maakte voor die nieuwe levensfase.
Toen de brieven werden opgeborgen legde ik door m’n huwelijk met de bewonderde kunstenaar, dichter, schrijver, schilder, mijn dagboek in de lade. Mijn man vertolkte in zijn werk alle emoties en gedachten die hij veel beter dan ik ooit kon verwoorden. Hij werd mijn klankbord en mijn weerbeeld: alle vormen van welbehagen, vreugden en ontreddering, angst, bewogenheid, ontgoocheling, verwondering, minachting – en machteloosheid. Het zoeken naar het waarom van dit bestaan. De ervaring van het nutteloze pogen om het vooropgestelde doel te bereiken – De droom voor het bestaan, voor de kinderen, voor je plaats in die korte tijdspanne van dit leven. Het gevecht tegen de ziekte en de aftakeling waarvan je weet dat de strijd hopeloos is. Op dàt ogenblik trok ik opnieuw de lade open en nam mijn dagboek. Mijn weerbeeld had immers het schrijfgerei opzij gelegd, de penselen verhardden op het palet –
De schakel brak. Ik voelde me stilaan weer belanden in die verwarrende tijd van een adolescentie toen ik met mijn emoties geen blijft wist. Ze aan niemand kon toevertrouwen als aan het bleke blank onder die levende hand. Toen was het de angst voor het leven dat me grijpen zou met alle facetten van mogelijkheden en verwachtingen, de grens tussen de kommerloze besloten jeugd en de grote levensuitdaging. Nu beleefde ik opnieuw  de angst voor die tweede grens: de nieuwe boord die ik alleen zou overschrijden, zonder het beleide houvast. Het leek me of ik nu maar pas het stadium der volwassenheid had bereikt. Ik zou nu zelf moeten
(blz 19)
beslissen over het verloop van dit verder korte bestaan. De dagen naar mijn eigen ritme indelen. De uren van werk en vertwijfeling van vertrek en aankomst. Blijde bevelen ontberen en de leegte van de avonduren met woordloze gesprekken. De nachtelijke beklemming verschalken door esoterische beschouwingen.
“Wat de mens ge-uit heeft is hij kwijt”, las ik ergens, “wat hij in zich houdt neemt toe aan kracht en macht”. Maar soms wordt deze stuwing in jezelf ondragelijk. Elke mens voelt in zich die drang zich te uiten: de pasgeborene huilt om het verlies van die veilige geborgenheid en uit zijn eerste verzet in de kille wereld. Het kind verwoordt gevoelens en ontdekkingen in tekens – gebaren, gestamelde woorden, de tekens van strepen en onsamenhangende figuren zijn de eerste geschreven uitingen – zoals de nieuwe schilderkunst teruggrijpt naar de zuiverste ongedwongen gevoelswereld van het ongecompliceerde kind zijn –
19 november 1991
Gisterenavond volgde ik op het tweede Duitse net ZDF een reportage over Goethe en Weimar en het “Elephant” hotel waar pappie soms over sprak omdat hij  in 1941 er uitgenodigd werd saam met de Europese schrijvers en dichters. Op een gegeven ogenblik werd deze bijeenkomst getoond en zag ik een flits van V. de jonge dichter: stoer en beslist! Het gaf me een schok, zo onvoorbereid een confrontatie. Het ontredderde me en ik raak het afschuwelijke onbehagelijke gevoel niet kwijt. Het was middernacht door vooraleer ik naar boven ging en
(blz 20)
verlangde naar de morgen. Toen ben ik even bij D.D. gaan vragen hoe ik misschien aan de cassette kon komen. Na een telefoon met K.H. besliste ik de ZDF in Stuttgart aan te schrijven. Ik nam ook contact op met senator L. want ik las in de krant dat de documentaire over Katyn de Europese prijs voor dit genre had behaald en hij had me ooit beloofd Ik zag Katyn, een brochure van Pappie over de moord door Stalin – Rusland op duizenden Poolse officieren in 1940
(blz 21 = uitgetikte pagina)
december 1991
Morgen begint de speciale nostalgische decembermaand, een tijd die meer dan anders tot bezinning noopt. Ik verbaas me over het snelle ritme der dagen dan als de uren me soms zo lang en troosteloos lijken. De straten hangen vol kitscherige licht en publiciteitsreclames waarin je nauwelijks het vroegere intieme kerstgebeuren weervindt. Het zal wel voor een groot deel aan mijn weemoedige herinneringen te wijten zijn en aan de afwezigheid van hen die me duurbaaarder worden al naargelang de jaren vorderen.
Ik hou me nu bezig met het schrijven van brieven naar hen die me dit jaar om een of andere reden nabij waren: de geregelde correspondentie naar Port Camargue (Antoon) en naar Malaga (Leo), de twee bekenden die pips zo na waren. Ook zal ik de brieven van Jetje in Argentinië beantwoorden. Ik betrap me erop dat als ik die adressen schrijf naar die verre streken dat er iets van mijn dromen mee verstuurd wordt naar iets onbereikbaars ver en daarom ook een zekere bekoring inhoudt.
Het is de 14de weer, Pips verjaardag. Hij zou er 85 geworden zijn. Op het scherm zag ik even de afgetakelde en vermagerde Karel Jonckheere., dezelfde leeftijd en er was iets in mij van berusting dat jij het niet meer moet meemaken de onverbiddelijke veroudering van lichaam en geest. Ik zelf ben er uren mee bezig: de niet eindigende kommer voor wat komen moet. Ik zeg wel steeds het vers van Marsman na: “Laat ons vergeten wat gisteren was, want vandaag is een kostbaar bezit…”. Maar het ogenblik wordt steeds vergald door die immer kerende onrust.
De telefoon klinkt soms wel maar dan hoor ik aan de andere zijde ook niet aflatende zorgen voor betalingen, onverwachte moeilijkheden en stress. B. heeft in de nacht de loodgieter moeten opbellen voor een lek in de waterleiding. De geldgier legde een rekening voor van 9000 f. Zoon-lief was er nog niet van bekomen. Ik heb de pil wat verzacht en zal de eigen behoeften wat milderen. G., die sinds de grote vakantie niet meer naar hier kon wegens het overdadige werk, heeft met mij afgesproken voor dinsdag 17. ’s Anderendaags zal ik Al. naar Antwerpen brengen en opnieuw de litanie van haar weeën aanhoren. Dan wens ik me soms mijlen ver van daar om te ontkomen aan het gehuichel van m’n belangstelling.
Ik zat zo-even in de Weerdse tienurenmis; een gebeuren bijna uitsluitend voor bejaarden, vooral vrouwen dan. Ik pikte onderweg een kerkgangster mee die zich beklaagde over haar eenzaamheid. Ik bemerkte dat de pastoor precies nog kleiner was geworden en “le petit colonel” zoals ze hem als legeraalmoezenier ooit noemden, was nu al niet van de normale grootte. Iedereen prevelde wat en zong de voorgeschreven gebeden; de kragen hoog opgetrokken en nu en dan de vochtige neuzen bettend en snuitend. De pater sprak in het sermoen over hen die van hun overvloed moesten mededelen: de tweede mantel weggeven, het tweede huis, de tweede auto