1992

(leeswijzer: zie de pagina “Brieven aan Nand“)

blz 22 – stukje krantenartikel uit ‘De Standaard’ van 16 maart 1992 met lezersbrief van Sim)

“Saint Amour / Dat sommige schrijvers mekaar willen overtroeven met seks-literatuur is hun goed recht en dat ze de lezing ervan over onze Vlaamse culturele centra uitdragen zal wel door een bepaald publiek gnuivend worden aanhoord. Bedenkelijk evenwel dat dit gebeuren door de BRTN werd uitgezonden op een tijdstip waarop nog ene programma “voor allen” wordt verwacht. Och, ethische en morele waarden beknotten de vrijheid en zijn er nog enkel voor gefrustreerde fossiele zonderlingen! Sim V;-W. Weerde /”

(blz 23 opnieuw handschrift)
Maart 1992
Wat overkomt me? Ik weet het niet, reeds maanden schrijf ik niet meer en voel me wegebben in een dor en troosteloos gebied. Het is alsof er een rem zit op mijn gedachten en herinneringen en ik stel vast dat ook de boeken geopend en verwezen op de leestafel liggen en blijven haperen op dezelfde bladzijden. Ik volgde zo-even een programma over depressies en vind heel de gamma der eigen ervaringen erin weer. Ik geloof dat het met de beginnende lente te maken heeft. Ik zou niets liever doen dan weer met spade en hark de tuin in te trekken en me weer verbonden te voelen met het stukje omgespitte aarde – De kommer om de huisvesting van B. en C° in K., die binnen een paar maanden moet verhuizen, knaagt elke dag. Ik pluis verbeten alle aankondigingen van huur en verkoop door en las de escalatie tendens der prijzen in Vlaams-Brabant.
Soms durf ik niet meer doordenken. Hier wordt het toch waarschijnlijk niets. Ik telefoneer naar de tegenpartij. Ze zijn al even besluiteloos dan Al. Begrijpen ze dan niet dat het hele gedoe me opvreet tot op het bot. De muur van onzekerheid wordt straks hoger en dikker.
Soms wou ik het huis uitvluchten maar ik weet dat, als ik de anderen ontmoet,
(blz 24)
de waas van ontreddering zich in mij zal sluiten en niemand merken zal de leegte en de hopeloosheid die zich in elke vezel heeft genesteld van m’n afgetakeld lijf – Ik ben gisteren naar de huidarts geweest en liet nog enkele prikjes aanbrengen in mijn gezwollen voet.

(blz 25 Handschrift / Brief van Sim aan Zuster Desiree nav het overlijden van Zuster Beatrijs, 25 april 1992)

Lieve Desiree
Het bericht van het overlijden van Zr Beatrijs heeft me uit de lethargie der laatste maanden gewekt en het is van januari geleden dat ik mijn dagboek nog aanvulde. Ik verwijt me dat ik je met de voorbije hoogdag niets schreef en dat je verjaardag ook al “schijnbaar” voorbijging. Al is mijn idee en die heb ik hier altijd verkondigd: vanaf je vijftigste verjaardag verjaar je niet meer… Je doet het stilletjes en geruisloos…
Gke heeft me opgebeld en het bericht maakte me onwennig. Ik ben vanmorgen naar de viering van 40j priesterschap van E.H. V. Uffelen geweest in Brussel en ontmoette er Mgr Daelemans. Zo weet ik dat hij vrijdag voorgaat en de homilie zal houden bij de plechtigheid.
Met Nieuwjaar schreef ik Zr Beatrijs nog een paar woorden maar wellicht had ze reeds afstand gedaan van de kleine geplogenheden en attenties die ons nog binden aan dit kleine bestaan en was ze onbereikbaar in haar eigen wereld. Hoe heb ik het met Nand zelf ervaren.
Haar heengaan beroert me des te meer omdat we toch streek verbonden waren. Ze moest het steeds herhalen bij onze ontmoeting: Winge – Binkom. Hoe dikwijls legde ze in haar
blz 26)
jeugdjaren de weg af tussen de halte van het amechtig stoomtrammetje Leuven – Winge, vanwaar dan te voet de viertal km werden afgelegd, te Tiense steenweg op over de heuvelranden die beide dorpen nog steeds scheiden –
Ze kwam dus ettelijke malen voorbij mijn vaderhuis –
Toen ikzelf in Heverlee landde herinner ik mij haar kranige figuur, de haren saam in een volle wrong boven de postulanten-pelerine. Ze straalde iets uit van het gedegen vaste en welige Hageland. De uitbundigheid gevat in een streng-klassieke geest.
Haar humanioraleerlingen keken naar haar op met bewondering voor haar eruditie met meer dan sympathie voor haar warme uitstraling. Jaren later mocht ik haar als inspectrice geschiedenis ervaren. Ik hoor nog haar krachtige stem, hoe ze de les over het Parthenon samenvatte: “Acropolis. Gij zijt de rots waarop het gewicht van heel de geschiedenis rust!”.
Rust de Heverleese heuvel en de specifieke uitstraling ervan ook niet op figuren die deze instelling gezag en een eigen gezicht gaven?
Zr Beatrijs is één van hen en wanneer we haar vrijdag naar de “Kalvarieberg” zullen uitgeleiden zal de mozaïek van onze herinnering weer vergroten en zullen we weer piëteitsvol de namen noemen van hen die Zr Beatrijs zijn voorgegaan.
Jij was haar na, ik treur met je en alle medezusters, vooral zusters Hilda en Delfien. Je Sim.

(blz 27 – hier volgt een gedicht, oorspronkelijke titel “Het Woord”, daarna veranderd in “Dagboek” ernaast staat “niet publiceren”, maar die woorden zijn opnieuw doorstreept:

Dagboek

Het bleke blad
het nieuwe woord
dwingend relaas
de dag voorbij
verstilde vreugd
vertraagd verdriet,
de zekerheden
opgeborgen
naar ’t vrij gebied
der duizend dingen
en weer de huiver
die niet wijkt
het woordbedrijf
vergeefs bedwingen

mei 1992
Thuisgekomen na de belevenissen van deze emotievolle dag, ik herlees de bedenking van Zr Delfien aan het einde van de uitvaarttekst. Haar bedoelingen lagen wel op een verhevener vlak van het “Woord” met de hoofdletter. Voor mij had het iets te maken met de “allerindividueelste expressie…” dixit de Tachtigers.
Het heengaan van Beatrijs, de indrukwekkende en toch sobere uitvaart, een gebeuren dat ons bijblijft en dat we niet makkelijk zullen zien verebben in de prozaïsche trend van de jachtige dag. Ook de drukte van de koffietafel met de taterende dames, de meesten in hun “pensioengerechtigheid”. We zaten er weer op die plaats waar we als puber onze verdrietjes en geheimpjes aan elkaar toevertrouwden. Je hoefde maar even de ogen te sluiten en de scheidingsmuren weg te denken en je zag de grote refter met de grijze stutpijlers en tegen de muur de grote fusains van de begaafde kunstenares Sr Beatrix. Ze gaf ons nog schilderles in de klas tegenover de slaapzaal van het H. Hart die zondagnamiddagen. Even bedrijvig als toen waren de zusters met de dampende koffiekannen en al smaakten de sandwiches en taart heerlijk, ze konden de boterhammen “made Heverlee” uit in illo tempore niet doen vergeten. Er was
(blz 28)
daar ook een zekere Janssens (voornaam vergeten) die dan steeds zong “ik ben zó blij… ik ben zó blij alli-alla-allo…”.
Terug naar de koffietafel.
Hadden we niet even de schim van Sr Angela zien verdwijnen die de uitbundigheid had losgelaten: “Vous pouvez parler”, kleine flarden van reminiscenties weder levendig al moesten we voor sommigen onder ons wel vijftig jaar terugduiken en onze beste visuele capaciteiten bovenhalen voor de oma’s, min of meer uitgezet, de rimpeltjes vergeefs gecamoufleerd met wat vleugjes kleur. De specifieke streekgeluiden haalden de bovenhand.
Impressies die je wat onbehagelijk en weemoedig maakten. Dat flatje van de zusters: een sterrenverblijf in de beste seigneurie waardig. Ik dacht aan die tijd toen we streng gerijd voorbij de grote deur kwamen van het “Slot”. Daarachter lag die andere wereld van de verheven roepingen, voorbehouden aan uitzonderlijke meisjes en vrouwen, die reeds heel vroeg de “stem” hadden gehoord. Het bezorgde me toen vage rillingen en de angst ze ook te horen en de strenge driedaagse retraites. O tempora O mores! Het evangelie parafraserend zou ik kunnen zeggen: “Ze hebben het beste deel verkozen…”, en de levensavond van de Heverleese zustertjes onbezorgd en omringd met de onderlinge genegenheid is hun beloning voor hun edelmoedige inzet. – –
(blz 29)
7 mei 1992
De momenten in het leven waarbij je tot in het diepst van je zijn ontredderd en gekwetst bent – dat elk vleugje hoop verdwijnt, dat je zou willen inslapen zoals vanmorgen toen de telefoon m’n vreemde droom verbrak, die momenten beleef ik weer vandaag. Al. belde me op: de verkoop zal publiek gebeuren in het najaar. De lente die opnieuw aarzelend doorbrak heeft alle teerheid verloren. Hoe kan het anders, de meimaand bracht de laatste jaren altijd de herinnering mee van afscheid en vergankelijkheid. Morgen is Finneke 15j weg, de 12de Pips drie jaar en Bert al 1 jaar. Ik durf het niet laten doordringen maar de hele dag is het alsof ik die etterende buil moet uitspuwen die mij belet te ademen of maar iets naar binnen te werken. Kon ik de gal uitspuwen die de bitterheid door al m’n aders jaagt kloppend en duwend – 41j… Ik heb met mijn handen de muren betast waarachter het vocht naar boven trekt, als tranen van gemis maken ze bubbels door het behang, kon ik maar even het raderwerk in mijn hoofd stilleggen. Ik heb de foto’s van Pips uit zijn studententijd klaargelegd en een tekst uit ’29 die hij uitsprak in Antwerpen op een AKVS bijeenkomst. Ik zal alles aan P. zaterdag overhandigen.
10 mei 1992
Ik ben gisteren naar de landdag geweest van O.A.K.V.S. in Averbode. J. kwam mij halen bij G. Het was killig herfstweer zoals het is in mij. J. maakte grapjes, zielig.
In Averbode stond de bijeenkomst in het teken van E. Van der Hallen, stijlvol en intiem. Er zijn weer 25 getrouwen overleden sedert de laatste bijeenkomst. De confrontatie met de ouderen, Nands generatie, is nu praktisch verdwenen. Nand Quintens uit
(blz 30)

foto: “de ouderen” in Averbode, Sim achteraan midden:

Oostende, mijn tafelgenoot, kon nog vele namen plaatsen onder de oude foto’s van ’29 hoofdbestuur AKVS en de leiders van het KVHV. Namen die ik Pips wel eens hoorde vernoemen. Ik leef bestendig in die tijd van de generatie vóór mij en besef dat ik twintig jaar mis van een leven waar Pips zo intens bedrijvig was. Ik hoorde zijn rechtlijnigheid, ernst en soberheid prijzen en zie hem weer, nu niet in zijn levensavond maar als jonge “streber”.
“Bent u de vrouw van Nand V.”, vroeg me iemand. Het klonk onwezenlijk – De hartelijkheid en eensgerichtheid van heel het gezelschap heeft me even de kommer om het huis doen vergeten, veel heviger was de prijs van het gemis, ik denk aan de woorden van Goethe: “Vielleicht ist dies der höchste Grad der Liebe: zu lieben ohne zu besitzen”.

(nvdr: het citaat is van Marion Gräfin Dönhof, in “Kindheit in Ostpreussen”, 1988)

Met A. naar het feestje van S., ze deed haar Pl communie, geweest. Ik had afgesproken niets over de kommer los te laten. B. had de tegenslag vermoed vermits ik niets had laten weten. Hij zal nu wel wat driftiger zoeken naar een onderkomen. Huren of komen? Het blijft een vraag, ik zal hem moeten helpen maar hoe. G. heeft me opgebeld, heel laat nog, en besprak de alternatieven, ook J. deed voorstellen. Ik zal er over nadenken zeg ik en denk, denk, denk,… De pijnscheuten willen niet wijken. Hoe is het mogelijk dat ik opnieuw heel de scheiding van drie jaar geleden moet verwerken heviger dan ooit? Hoe hou ik het vol?
(blz 31)
 (- krantenknipsels “Herdenking” overlijden Nand)

(blz 32)
12 mei 1992
Het is nu precies drie jaar en, door de omstandigheden verhinderd, de pijn is verser dan ooit. Ik verstuurde zo naar drie kranten – G.V.A, Het Laatste Nieuw en De Standaard – een herdenkingstekst en het bericht erbij dat de werken van Pips elke zaterdagnamiddag (mei en juni) hier te bezichtigen zijn. Het was een voornemen dat al lang door mijn hoofd speelde indien het huis publiek zou worden verkocht, want waar moet ik heen met een honderdtal schilderijen? Ik heb de galerij beneden wat geschikt: op de tafel al de dichtbundels en de tekeningen, de eigenhandig geschreven gedichten en de verluchtingen errond. Bij de opruiming zag ik hoe verkommerd de muren zijn en hoe het vocht ook in de meubels is gedrongen. Ik maak m’n berekeningen ettelijke keren en ben radeloos: huren of kopen?
16 mei
Ik wacht… het is bijna twee uur. Ik heb gisterenavond heel laat doorgewerkt met het nummeren van de schilderijen. Het was een sisyfuswerk. Dan heb ik ze alle opgetekend volgens nummer en benaming en heb de bladen en stencylen. De prijzen verlaagd met de dood in het hart maar het is beter dat ze ergens terechtkomen als te verkommeren op één of andere zolder of kelder. Ik heb er een 160tal gecatalogeerd. Ik leef nu weer intens in zijn wereld. De zomer heeft nu blijkbaar toegeslagen want het weer is zonnig.
19 mei
Drie bezoekers zaterdag! – Zondag naar Zwijndrecht met Begga. De oude garde was present. Prof Ada Deprez heeft pappie als een “ziener” nog zien stappen over de dijk in Oostende. Ze was toen zelf een tiener.
(blz 33)
In Zwijdrecht vroeg Mia Brans me over Nand te spreken op de volgende AKVS-bijeenkomst. ‘k Zal er eens over nadenken.
Zondagmorgen 24 mei 1992
Ik ben opgestaan om 6 uur en maakte de taarten klaar voor Bt’jes 1ste communie. Tegen twee uur word ik in Kortenberg verwacht. Ik ga hier naar de tienurenmis. Gisteren belde Dr. Van Lierde me op om zijn bezoek aan te kondigen. Bert Peleman kwam hier aan tegen vijf uur. Hij was onkennelijk vermagerd en had problemen bij het gaan. Hij deed me aan Pappie denken en het bedroefde me te zien hoe de oude generatie nu stilaan de schemering intreedt. Het maakt me zelf plots heel bejaard – De bezoekers waren uitermate verrast bij het gigantische werk dat Pappie heeft gepresteerd. Ik word er ook elke dag mee geconfronteerd en hij is hier meer dan ooit aanwezig, tastbaar en grijpbaar. Ik leef nu meer dan ooit met de beklemming in mij die maar niet wijken wil. Alleen als de slaap me genadig is valt het raderwerk van de gedachten een paar uren stil. Tot als ik in de nacht plots wakker wordt. Zoals vandaag. Ik ben dan maar opgestaan en heb gelezen in Kierkegaard. Zijn beschouwingen over de stadia in het leven van de esthetische mens – de esthetische en de religieuze – Pappie heeft veel onderstrepingen, uitroep- en vraagtekens geplaatst. Volgens de beschouwingen van Sören klasseer ik Pips bij de esthetische mens die aan zijn bestaan zin en waarde geeft, boven de wisselvalligheden van het leven standvastigheid voorstaat, wat eenzelvig misschien en soms stroef, maar alle vertrouwen waard.
(blz 34)
De analyses van Kierkegaard zijn a.h.w. een voorafgaand deel van de resultaten die de Duitse psychiater Kretschmer terugvindt in de twee mensentypes: de ene klein en gezet, levensgenieter en humeurig, de andere ascetisch en groot, ernstig in zichzelf gekeerd, wat wereldvreemd! (Beeld van Pips!)
Juli 1992
Veel belevenissen verwerkt met de bezoekers die eerder schaars zijn. Het is immers vakantieperiode.
Op 11 juli woonde ik in de raadszaal van het gemeentehuis de viering bij. A. Neyts sprak er. Ze is in Etterbeek nog ooit mijn leerling geweest, ook haar broer Frans. Het schilderij met de golfbreker heeft een ereplaats in de zaal. Ik was er blij verrast mee.
De gemeente plant een straatnaam F.V. in de verkaveling aan de overkant. Het bericht wekt in mij een warboel van gevoelens: trots en angst en ik voel me soms ongemakkelijk –
De tuin is weer opgeruimd en het geeft me geen genoegen. De toekomst hangt onheilspellend als een donkere nevel voor me. Ik word heen en weer geslingerd tussen een tikkeltje hoop en dan weer de knagende neerslachtigheid. De bezoekers uiten hun enthousiasme voor het “environment”. Ik heb goed te weeklagen over de belabberde muren en vensters. Ze zien het niet…
Ik ontving bezoek van de oud-collega’s. Ze hebben daadwerkelijk hun bewondering geuit. Bij R. hangt nu de bleekgroene vloed en bij M.L. de ondergang van Venetië en het rode Zwin. Hun enthousiasme over hun verworvenheid doet me goed en het zal me in de gelegenheid stellen de werken te gelegener tijd te gaan bezoeken.
(blz 35)
Op 25 juli werd ik uitgenodigd bij M.T.R. Nu ben ik nog beroesd van de belevenissen in haar retrowoning in het eurocratische Brussel. Het was een vorstelijke ontvangst in het verzorgde nette huis, ook de stulpen van de collega’s doen me de belabberde toestand van dit huis schrijnend inzien. De ontvangsten der laatste weken verliepen hier en elders opgewekt door de sprankelende vloeistof in de tintelende glazen, het deed me kommer en zorg een wijle onderdrukken en toch wordt de verlatenheid des te heviger als de nieuwe dag aanbreekt en ik twijfelend nog even indommel. Zoals voor een paar dagen toen je lijfelijk naast me stond tastbaar en reëel en ik je vertelde over de ervaringen die de verschillende bezoekers me bezorgden. Je was er weer, bedaard relativerend en zacht mijn uitbundigheid temperend: “Simmeke, Simmeke…” Ik hoorde me denken “ik droom toch niet?” en aarzelend berichten over het familiegraf in Oostende dat ik al maandenlang had verzuimd maar waarvoor ik nog een dag uitsparen zou in G’kes vakantieplanning. Toen barstte de droom in de nuchterheid van de ochtend die al een heel eind was opgeschoven. De droom hield me vast en ik zocht naar de betekenis en naar het teken aan de wand, tussen al je visioenen ben ik weer de laatste augustusdagen ingetreden. De laatste uitnodigingen zijn verstuurd.

(volgende baldzijden t.e.m. blz 40 zijn uitgetikt)

“Les chiens aboient, la caravane passe…”

(blz 36)
23 sept 92
Vanmorgen dacht ik aan de tijd van toen 41j geleden. Hier was het huis vol bedrijvigheid om ons op St Michielsdag als jong echtpaar te ontvangen.
En heel leven ligt er nu tussenin… Ik overloop in een flits al de wederwaardigheden zoals een stervende blijkbaar in luttele seconden zijn leven overloopt (ik hoorde het onlangs van een getuige die op de rand van de dood weer bijkwam). Ik wacht op wat nu onherroepelijk komen moet, soms gelaten, en aanvaard-bereid soms opstandig en met in mij een onontwarbaar kluwen van besluiten en radeloosheid. Elke telefoon, elke postbedeling wekt die knagende onrust en toch de beslissing zal een dezer dagen vallen. Het begon 5 jaar geleden toen de notaris ons inlichtte over de verkoop, 5 jaar van hoop en onrust. Hoe heb ik het volgehouden. De kommer die gedeeld werd maakte het toch minder zwaar.
Dit weekend ben ik op gestadig aandringen van M. weggeweest met de VL-Academici naar Frans-Vlaanderen. Het was een leeerrijke trip en de reisleider reciteerde een gedicht van jou over Cassel. De verschillende localiteiten die ik alleen bij naam kende riepen verre associaties op nl Hazebroeck waar Oberleutnant Ernst Jungman zijn E.K.I. kreeg. De Catsberg waar de zoon van je studievriend Louf nu abt is.
Oktober
De dagen glijden troosteloos voorbij en ik ben soms als verlamd en omdat de huistentoonstelling nog elk weekend loopt zit ik hier dan vast voor de schaarse bezoekers.
De vliegtuigramp in Amsterdam heeft me mijn treurnis doen relativeren en toch duikt het spookbeeld van de onzekerheid alsmaar dreigender op. B. zit steeds nauwer nu het probleem van een nieuwe huisvesting dingend wordt. Met 1 jan moet hij verhuizen. Het kapitaal dat ik hem zal geven vermindert mijn eigen mogelijkheden maar ik moet ook beseffen dat mijn tijd gekomen is. Ma. sprak over de mogelijke huur van het appartement dat ze zal kopen… Ik gruwel van de gedachte van een duiventil of een bijenkorf… en toch wordt ik elke dag meer dan vroeger geconfronteerd met de kilte en de klamheid van dit vochtige huis. De koude van de laatste dagen verplicht me de kachel in de woonkamer aan te steken en zoals vroeger heb ik in het bos aansteekhout gesprokkeld maar in mij is de waakvlam gedoofd.
Ik was even in K. Het huis geeft een miserabele indruk, daarin groeien de kleinzonen op. E. lag te slapen. Het bevreemdde me erg. Ze was moe, is opgeblazen en geeft een ongezonde indruk. B. heeft een hoest die me niet bevalt. Ik ben in mineur naar huis gereden, naar het huis waaraan ik nu moet ontgroeien. Ik heb het heel erg koud en het is maar half oktober.
(blz 37)
Vanmorgen werd er driftig op de deur geklopt. Ik deed niet open en beantwoordde geen telefoon. ‘s Avonds kwam J. op bezoek. Hij had een schatter aangesproken die de hoge grondprijzen in K. bevestigde en de raad gaf het slophuis waar B. zijn zinnen op had gezet aan te kopen. De woning wordt verkocht wegens een aan de gang zijnde scheiding, de man blijkt akkoord en de vrouw moet nog gecontacteerd worden. Ik zal het hier nu zeker moeten opgeven. Het is mij vreemd te moede, verdriet en opluchting terzelfder tijd.
Vandaag zondag heb ik al de kachels aangestoken, het was behaaglijk warm en gezellig maar niemand daagde op. Gisteren woonde ik nog het samenzijn bij van Broederband. Een deprimerende ervaring: een gezelschap van fossielen zou Pips hebben gezegd toen in Averbode bij de jaarlijkse bijeenkomst van het AKVS.
20 okt
B. heeft mij opgebeld gisteren. Hij is nu beslist het sloppenhuis aan te kopen en moet woensdag voor de compromis bij de notaris verwacht. Mijn handgift wordt al gedeeltelijk verwacht. Ik ben verward maar laat het niet blijken. Het is wellicht beter dat de knoop wordt doorgehakt. Zij hebben nog een leven voor zich en mijn aftakeling kan nu beginnen, ik hoop maar dat het niet lang meer zal duren. Ontgoocheling, verdriet, berusting, aanvaarding: het woelt allemaal door me heen.
Ik ben naar Mechelen geweest bij Al. en ben er in een schijn-opgewektheid gaan koffieën. Toen ik wilde tracteren wou ze het verhinderen: “Jij moet sparen”, zei ze lachend doelend op de aankoop hier en ik durfde de beslissing niet meedelen. Hoelang nog zal ik hier kunnen blijven. De verkoop van schilderijen vlot niet meer en de meubels zal ik moeten likwideren, maar ik zal wachten tot het uitdrijvingsbericht zich aanmeldt. Ik gruwel van de gedachte eerst de kooplustigen te moeten rondleiden in al de vertrouwde plaatsen waar Pips’ aanwezigheid nog zo ontegensprekelijk waart. Ik heb al zoveel slapeloze nachten achter mij. Al. gaf me een sterk slaapmiddel en dat heeft me geholpen.
21 Okt.
Ik ben naar de bank geweest voor de liquiditeiten en heb in K. op de kinderen gepast terwijl B; en E. naar de notaris gingen voor de overeenkomst af te sluiten. Bij hun terugkeer verkeerden ze in een euforie. Het is nu definitief beslist en Weerde wordt vergeten.
(blz 38)
26 oktober 1992
De lange angstige afwachting omtrent het huis wordt afgesloten. De fase van de definitieve onthechting moet nu beginnen. Ik weet dat het weer een moeilijke tijd zal worden. Misschien komt er hulp van hier boven maar ik geloof het niet. Het heeft al te lang geduurd. Ik probeer al de ongerieflijkheden in het huis onder ogen te zien maar waarom wordt alles nu ineens zoveel mooier en verbleken alle ongemakken van koude, kilte en de beslommeringen van de kachels aan te steken, de kolenkitten uit de kelder op te halen, de schimmels en de vochtigheid op de muren, het is plots niet meer zo gewichtig, ook de verrotte vensterkozijnen zouden misschien nog kunnen hersteld enz. enz.
Aan de overkant van de straat kondigt een affiche de verkaveling aan van de gronden aan de overzijde. Zal één der straten nu nog de naam V. krijgen indien ik hier zal weggaan van het dorp waar ik 41 jaar lang verbleef?
28 oktober 1992
Ik ben vandaag naar K. geweest en de aankoop bezichtigd; ik ben er helemaal van ontdaan en durf de kosten niet schatten, om het maar enigszins bewoonbaar te maken zijn de werkzaamheden niet te overzien. De angst overweldigt mij als ik de euforie van de kinderen vaststel. Indien E. niet uit werken gaat zal het een zware dobber worden. Ik voel me er nauw bij betrokken. Wat moet ik doen???? De raad die buitenstaanders me geven is negatief realistisch alleszins. De grote tuin alhoewel verwaarloosd troost me wat. Ik moet slaaptabletten bemachtigen om de nacht door te kunnen.
29 okt
Begga vergezelde me naar Zwijndrecht waar ik “Ecce Homo” heb afgeleverd. Een stukje van Pips ging weer de deur uit…
In de Vl-Nat-debatclub moest ik even de honneurs waarnemen en de bloemen uitreiken aan Mevr. M. (Mia Brans koos me ervoor uit omdat ik… mijn hoed ophad vermoed ik!!!). Het was weer een bedoening van oudjes. Ik kwam thuis tegen 11u maar wist dat ik niet onmiddellijk zou inslapen en hield het vol tot 2u (de pilletjes van B. hebben dan geholpen).
30 okt.
Ik ben de chrysanten in de kerk bij Mr. Pastoor gaan deponeren in plaats van naar het kerkhof te gaan. Ik die nooit begraafplaatsen heb bezocht zal nu gestraft worden door het uitzicht erop in de Kerkhoflaan (ik denk aan de anekdote van Kierkegaard!).
8 november 1992
Een bewogen week is voorbij. B. werkt als bezeten in euforie aan de krot. Ik geloof dat hij beseft dat de aankoop een geweldig risico is. Indien E. geen werk vindt nu ze haar stempel kwijt is wacht hen nog een moeilijke overlevingstijd. Ik slaap niet van onrust.
Hoe moet het nu verder?
Het schijnt dat hier een buurtbewoner bezwaren opperde tegen de naam der V.-straat in de verkaveling. In het Groot Verzenboek van Deleu werd ook de naam vergeten. Ik heb de samensteller een schrijven gezonden en hem herinnerd aan de teruggezonden bundel jaren geleden met de vermelding “te onbelangrijk om te bespreken…”. Pips heeft er toen erg onder geleden.
Ik verwacht elke dag het bevel van mijn uitwijzing en handel verdoofd. De alternatieven, ik weet het, zijn niet denderend. Ik vrees de onvermijdelijke strubbelingen indien ik voor een aanbouw bij B. opteer. Zal ik hun manier van leven kunnen aanvaarden?? De aankoop van een stuk grond door de Fontein waarop ik een stulpje zou neerzetten en er bij wijze van spreken “heer en meester” zou zijn maakt mij ook angstig; want alleen in een heel nieuwe omgeving in de grijze donkere jaren die mij nog resten… Inslapen en ontwaken, de problemen waren rond…
15 november
Het regent, de bomen staan sinds de hevige wind van dinsdag nu bijna kaal op een paar koppige blaadjes na.
Ik keek naar de film “Out of Africa” waar de liefste begraven werd in een met struikgewas omzoomde vlakte, een leeuwenpaar strekte zich behaaglijk uit over de verste terp. De treurende vrouw verdween alleen naar de einder toe.
Buiten druilt het nog steeds en over de Zenne klinkt het gekandenseerde geluid van een ziekenwagen.
Er kwamen geen bezoekers vandaag en ik heb de deuren van de galerij weer gesloten voor een week.
De buurman haalde het abonnementsgeld op voor het parochieblad. De tekst op het achterblad ervan geeft nog wat binding met het gebeuren onder de dorpstoren, ook drukte Mr Pastoor mijn bijdrage af “mijmeringen” waarin ik wat nostalgisch treur om de afbraak van het oude boerderijtje om de hoek waar nu een jong stel een modern stulpje bewoont.
De zondagsmis werd opgeluisterd door de harmonie, dat was wellicht de oorzaak dat er meer godsvolk bewoog in het intiem bebloemde kerkje.
Zondagnamiddag te lande onder de herfstige vochtigheid. De geluiden verstillen zodat ik nu en dan een blad hoor vallen van de kamerplant achter de divan. Ik denk dat hij aan verpotting toe is opdat hij de winter zou doorstaan; ik hoop dat ik er een dezer dagen aan begin…
(blz 40)
Vorige week bracht ik een bezoek aan een dame in een bejaardenflat aan de rand van de stad. De residente leeft er in herinnering en beweegt moeizaam van de leunstoel naar de tafel in de koestering van een overladen interieur. Ze keek naar de tuin waarover wat nattigheid zweefde. “In de zomer moet je komen dan is het hier zo mooi”, zei ze vermoeid. Ik voelde me opgelucht toen ik de omgeving verliet en probeerde vóór de avonddrukte de autoweg te bereiken. Al. die me vergezelde voelde zich onwel en toen ik haar een paar dagen later opbelde vernam ik de jobstijding: opname in het ziekenhuis en de kleine beroerte belette haar niet zich behoorlijk uit te drukken. Ze is nu weer in de vertrouwde omgeving, maar de dokter schreef haar een complete rust voor van vier weken.
J. Deleu heeft mijn brief beantwoord, zonder verontschuldigen zich beroepend op zijn persoonlijke mening. Ik denk dat de wijze raad van Pips: “laat alle kritiek over je heen gaan, puur eruit wat waar is en voor de rest verloochen jezelf niet”. Soms herhaalde hij ook het Frans gezegde: “Les chiens aboient, la caravane passe…”
december 1992
De derde decembermaand in de eenzaamheid van het steeds verder verkwijnende landhuis. De kinderen pramen me het kerstfeest naar oude gewoonte hier te laten plaatsvinden; ik voel me beroerd en futloos en wou dat deze weken zo snel mogelijk verglijden. Deze maand waar Pips zo van hield. De glitter en de schijnglans wordt weer overal geïnstalleerd en de brievenbus puilt uit van de publicitaire koopjes en prullaria.
Ik ben met Begga naar de handelsbeurs geweest in Antwerpen. Het duurde nog eens zo lang om een parkeerplaatsje te vinden en ik neem me voor bij een volgende verplaatsing het openbaar vervoer te benutten.
Bij Begga hebben we F. nog even nagevierd voor zijn 99ste jaar. Hij beweegt moeizaam maar zijn geest is helder en hij genoot van de schuimwijn die sprankelde in de kristallen glazen. Om 8u was ik thuis en luisterde nog even naar de BBC waar de scheidingsperikelen aan het koningshuis mode is. Zo lijken wat overal deprimerende toestanden te heersen. Waarom niet meer genieten van de kleine alledaagse dingen en hunkert de mens steeds naar het onbereikbare? Ik herinner me een passage in een schoolopstel van meer dan vijftig jaar geleden waar ikzelf trachtte naar “alles wat heel ver is en heel schoon!”
G’ke is op bezoek geweest en heeft hier wat verpoosd bij een hoopje strijk. We wisselden wat ideeën uit en ik stelde vast doe zij ook al bekommerd is over de kinderen hun reilen en zeilen. De eeuwige gang van het bestaan.

(vanaf blz 41 opnieuw handgeschreven dagboek)

(blz 41)
18 december ‘92
De nacht was me ongenadig en ik heb me opgelegd geen slaapmiddeltje in te nemen. Het atelier met het divanbed is nu mijn rustplek en op dezelfde plaats waar jij de laatste jaren de slaap opzocht lig ik nu meestal met open ogen. De strepen licht langs het gordijn doen me denken aan je bekommernis je van alle helligheid af te sluiten. Je installeerde de schildersezel met het grote boegbeeld als een scherm voor een klaarte die je belette in te sluimeren. Ik heb ettelijke keren de lamp aangestoken en heb de trage uren geteld kijkend naar de doeken waarin je onuitputtelijke droomwereld staat afgebeeld –
Het was een bewogen avond. Op TV kwamen de niet aflatende beelden van de zogezegde onverdraagzaamheid tegen de vreemde inbreng (?) waarvan Aloïs Gerlo getuigt: “Het multiculturalisme is de nieuwe heilsleer van de gauchisten, na de ineenstorting van hun linkse ideologie. Het is gericht tegen het wezen van de Vlaamse beweging”. De films en documentaires brengen de zoveelste keer het vertekende beeld van de nazigruwelen. Wanneer zal er ooit objectief een oordeel kunnen geveld? Wij worden nu gelijkgesteld met de negatieve oorlogsgebeurtenissen. Ik zag een fragment van een crematie en kromp ineen bij de herinnering, ook als ik bij de overlijdensberichten lees over een verassing moet ik de gedachte van me afduwen… Op de Franse TV1 was er een uitzending over de buitennatuurlijke verschijnselen en contacten met de overledenen – ik geloof het niet al zou ik het willen.
(blz 42)
Voor een paar nachten heb ik me wel in een moment tussen waak en slaap je horen roepen: “Moeke… Moeke…”. Het heeft me de gehele dag beziggehouden. Soms verwart m’n droom je met mijn vader en zie ik het huis van mijn jeugd.
De beslissing omtrent het huis zal nu wel in één der volgende weken vallen. Ik voel me als een asielzoeker. Soms berustend, soms radeloos.