1993

(leeswijzer: zie de pagina “Brieven aan Nand“)

2 maart 1993
Twee maanden sinds ik nog iets aan dit voorgaande toevoegde en toch bleef ik even bezwaard. Hoe heb ik het alles reeds zovele maanden volgehouden. De winterreis bracht me nog meer onzekerheden… Het vertoon van mensen op leeftijd die nog even zich vastklampen aan de zinloze beroerselen en zich inbeelden dat de leegte kan gevuld worden met ijl gewoord. Ik voel mezelf niet meer. Als een wegkwijnende fossiel en slinger voort tussen de dagen als een losgeslagen anker. Kennissen en vrienden vallen één voor één af. De oude vrouw in het Kölner Bahnhof bracht me het schrille beeld der nog resterende jaren. Begga belde me op en berichtte me haar ongeluk. Sterven is niet erg, zei ze, ik was bewusteloos en wist niet meer hoe alles gebeurde. De man van S. is gestorven en de vriendin van Al. ligt verlaten in de afdeling der terminale patiënten op het einde te wachten.
(blz 43)
1 mei 1993
Ik kom zoëven terug van het jubileumfeest van G. en D. Vele oude bekenden en de jonge “nachwuchs” die zelf al aankomende pubers hebben. Ik had een gelegenheidsvers geschreven, luchtig losjes zoals het bij dergelijke feestjes nu eenmaal hoort. Misschien heeft het niemand gemerkt maar de mokerslag van de voorbije dagen drukt krachtig op m’n gemoed. Het blaadje van de SP waarin Pappie zó erg gebrandmerkt wordt met het onvermijdelijke gedicht aan H. Wellicht is dát het teken om de band met deze contreien nu eindelijk te breken. Weg, weg van het odium dat nu op mijn naam kleeft. Gelukkig zijn er nog goede vrienden die me hebben opgevangen, trouw en oprecht. Met G. was ik donderdagavond bij de V.Nat debatclub. Het was een herademing. Ook kreeg ik de kaarten van het Zangfeest toegestuurd. Ik zal er morgen met Begga naar toe gaan.
Het zangfeest was indringender dan vorig jaar. Ik zocht vergeefs naar een lied van Pips (Remi Van Duyn werd herdacht die zoveel van Pips heeft geregisseerd). Gaf vluchtig Anton Van Wilderode een hand en verloor even Begga in de stroom.
Je bent nu meer dan ooit aanwezig. Soms zit het heel hoog.
Met Al. dinsdag een kleine trip gemaakt. Ze ziet er niet goed uit en geeft me allerlei suggesties voor de koop. Ik doe alsof en spreek en lach mechanisch.
Ben naar Averbode geweest. De vrienden worden grijs en moe. Ik had het even erg in de kapel. Een bejaarde vrouw kende aleens je naam niet meer, een andere sprak met geestdrift over je toespraak in Wieze… Een zekere
(blz 44)
Mieke Vanden Berghe droeg een rits gedichten voor maar geen enkele van jou, wat zou gepast hebben, cfr. het publiek.
Al. belde me vanmorgen op. Ze werd benaderd door het bedrijf Verh. voor de koop van heel het goed. Het brengt me weer in een ontredderde stemming. Ik zal nu wachten tot zondag als de gehele familie aanwezig is om de definitieve beslissing te horen zodat ik opnieuw normaal kan ademhalen na zovele jaren beklemming. St. en Ca. zijn hier geweest. De roddels over de straatnaamgeving verebben. De mensen in de buurt zijn vriendelijk, al vermoed ik hun commentaar.
Terug uit Hasselt om 8u.
(blz 45)
Lente 1993
Pappie,
Ik stond zo-even voor het venster dat uitgeeft op het terras, de zon verwarmt al even beschut achter de gevel tegen de koele noordoostenwind en ik sprak onweerstaanbaar tot je “in de zomer zijn we weer aan zee”. In het huis is het kil, al blijft de kachel in de studio doorbranden.
Ik leef van de ene morgenpost naar de andere en verwacht het bericht van de openbare verkoop. De perken werden nochtans weer gemaaid en het oogt mooier dan ik wou verwachten bij de eventueel grijpgrage kooplustigen.
Ik speel ambulancier voor gebroken armen en benen bij zoon en kleinzoon van Al.
Ook Gke is in ziekteverlof met een geschonden miniscus. Ze kan nu, al wordt ze in haar bewegingen gehinderd, wat uitrusten van het schoolse werk.
Omdat de lente stilaan doorzet heb ik de melaatse gevel wat opgekalefaterd. Jij klaagde er steeds over hoe triestig hij er na de winter uitzag. Ik heb een potje witte verf gekocht en zal de voordeur een beurt geven want op 27 april komen een paar oud-leerlingen van Hasselt op bezoek. Ik zal weer het onbehouwen uitzicht van vensters en deuren moeten verontschuldigen.
Al. belt niet meer als ik het zelf niet doe. Ze nam contact op met haar notaris. Hij denkt dat de verkoop in mei zal plaatsvinden. Ik verwacht het en toch maakt het bericht me onpasselijk.
M. wou dat ik Mevr. J. vervang bij een trip met de Esselens naar Düsseldorf.
(blz 46)
We verbleven er in de officiersmess. Heel comfortabel. ‘k Ben het niet gewoon!
Vandaag 18 april heb ik Mevr. D. gaan uithalen voor de Bormsmis in Merksem. Ze nodigde me uit in “het Scheldezicht” op de linkeroever. Ik zag een vrachtschip voorbijvaren, precies het schilderij in de galerij en ik moest de opkomende gedachten verdringen. Mevr. D. is een lieve dame maar zoals we opmerkten tijdens de mis: de oude garde is moe en vergrijsd.
(blz 47)
De dagen rond O.H. Hemelvaart 1993.
De dag begon druilerig en ik mijmer over de belevenissen van een druk weekbegin.
Zondag was heel de familie aanwezig voor de herdenkingsmis. De kleinkinderen joelden over de perken en het was weer zoals in de vroegere jaren alleen “jij” ontbrak waarmee het allemaal begon. Als je naam weerklinkt in het kleine kerkje (Brab. gotiek) zie ik je weer met je volle 1.92m maar liggend opgebaard: arduinen ridder onwezenlijk en toch zo indringend nabij.
De heftige meibloesems in de tuin zijn alweer verdwenen en aan de takjes van de heesters kleven de papiertjes die de kleinkinderen eraan bevestigden bij hun schattenjacht. Ik laat ze hangen als zoekgetuigen van hun aanwezigheid en mijmer maar door. Waarom werden we te gul bedeeld met te “emfindliche” gevoelens? Hoe eenvoudiger zou het zijn als we wat luchtiger over de kommer heen de scherpe kantjes konden vijlen.
Ik zag voor een paar dagen een film anno 1940 met vedetten die we als jonge puber ook al vereerden: Olivia de Havilland en Eroll Flyn! De laatste beelden met crèmerige hemelse muziek. Nu vinden we het kitsch maar toen deed het ons romantisch wegsmelten! Alleen de tekst onder het beeld “happy end” bleef me bij. Het klonk zo ongeveer: “Er is geen groot verdriet dat toch bevrijdend kan
(blz 48)
worden, geen donkere wolk zonder dat randje licht, geen onheil waaruit toch iets goeds keert”.
Het is nu ook de tijd dat de kinderen van ex-collega’s, vol zoete min, inschepen voor de levenstocht. Ik word dan uitgenodigd op mis en recepties die als maar rijkelijker en voorzeker geldverslindender (!) worden, zoals gisteren in Mechelen en al was de bruidegom weduwnaar en reeds opa, de jongere bruid (ook al 45) had er beslist een groots gebeuren voor gewild. De misviering werd voorgegaan door drie celebranten en twee koren vertolkten o.a. aangepaste motetten van Bach. Ik dacht aan het sublieme “Bist du bei mir”. De bruid droeg haute-couture in kant, Milaan-Versace met een oogverblindende rug décolleté, wel even gewaagd vond ik tussen de bedaarde pijlers van de O.L.Vr. kerk. Tijdens de receptie gleed bruidegoms hand teder over de gebronzeerde schouderbladen. Onwillekeurig dacht ik aan de eigen omoplates waar ik de laatste dagen reumascheuten in vermoed.
De gehuwde aanwezigen zullen wel de eigen trouwdag hebben gememoreerd. Een heel leven flitst door je en het ene moment dat je erin het meest beroerde blijft de laatste dag van het definitieve afscheid. “In goede en kwade dagen”, zegde het bruidspaar voorzeker lippendienst op het ogenblik dat pijn en verdriet zo ver af is.
(bl 49)
donderdagmorgen in mei ’93.
Het onweerde vannacht, niet erg. De regen viel strak neer over het terras ritmisch en mals over het grasperk. Ik lag een tijdje wakker en dacht aan het vers van Adama Van Scheltema dat we in onze jeugd afdreunden “Het regent, o wat regent het, ik hoor het in m’n warme bed”…
Tegen de morgen had ik een heerlijke droom. Het bracht me terug wel 40j geleden. In de trein met kleine G. aan de hand stond ik voor het venster. Aan de halte stond pappie ons op te wachten. Hij stond er op het perron rijzig in zijn mooie beige pak. We wuifden elkaar toe. De trein gleed nog even verder maar toen we afstapten bleef alles wazig en onwezenlijk… de droom brak af. Ik sloot het venster want de kilte na de nachtelijke regenbui drong door in de spijt van het ontwaken. De zwoele hitte der voorbije dagen was verdwenen. De barometer duidde “veranderlijk” aan. Ik droeg de droom nog mee in de ochtenduren.
1 juni
Uit Hasselt teruggekomen. Ik was via de oude weg Leuven-Diest ernaartoe gereden. In het geboortedorp was er de omlegging. Zo kwam ik langs het ooit vertrouwde huis omringd door drukke handelshuizen, daar waar vroeger de rode papavers en de korenbloemen door het graan schoten een grote parking aan het Gouden Kruispunt. Waar waren de karren haperend over de hobbelige kasseien en de stoere Brabantse paarden – voorbij, onherroepelijk voorbij – Het landschap, vreemd niet te herkennen. Alleen de strook tussen Winge en Tielt lag er nog even bij zoals toen. De brede linde voor de vroegere afspanning had de tijd overleefd. In Kiezegem leunde de verweerde grafstenen tegen de geroeste Diestse bakstenen van de oude kerk. Het verkeer was druk en de fietsweg van vijftig jaar geleden nergens te bekennen.
(blz 50)
Bij R. vond ik de hartelijkheid weer die een verademing leek na de deprimerende tocht. We speurden naar de vertrouwde plekken van zoveel jaar terug. De zangerig-zoete Limburgse intonatie bracht sfeer. Als A. aan het woord was hoefden de anderen niet veel in te brengen. Het doek “Geborgenheid” leek de ideale plaats van eindbestemming bij iemand die de kern der dingen nog ontdekt en benadert met een preciesheid die verrast. Ik geloof dat F. met minder reserve één van zijn geesteskinderen ter plaatse zou weten omdat juist inzicht en begrip in zijn visionaire bewogenheid zeldzaam blijken.
Zaterdag 5 juni
Ik kwam terug van een trip naar de Saarstreek, heimat van M. 700km op de teller en langs grote Duitse autowegen moet je de pedaal wel doordrukken. Het maakte me onbehaaglijk en onwennig. Zoals het hele feestgebeuren bij C. en R. daarboven op de berg waar de Hondsuch zich kronkelend uitspreidt en waar de “camere”-genodigden de weelde tentoon spreiden van een genoegdoening na een leven van hard labeur weliswaar. Luxe en comfort. Ik zal hier wel even moeten wennen in het belabberde huis waar maar geen oplossing lijkt aan te komen zodat ik node de bezoekers rondleid en alle aandacht vraag voor het oeuvre van Nand.
10 juni
De hitte drukt mediterraan en beklemmend. Ik gaf de tafel op het terras een verfbeurt en ook de voordeur die in een hachelijke toestand verkeert.
Naar Al. getelefoneerd. Ze werd nog niet geopereerd en voelt zich zeer eenzaam. Er overvalt me plots een onzeggelijke weemoed. Pips, ik mis je zó.
Ik zoek de betekenis op van “Raratonga”. Raratonga, ik legde het uit als het eiland van geluk, ver en begeerlijk. Ik zie nu
(blz 51)
dat het het grootste eiland is van de Cook-groep in de Stille Zuidzee (Polynesië). En weer besef ik hoe Pips in een andere wereld bewoog ver van aardse beslommeringen had hij al het Nirwana bereikt, de onthechting van elke rusteloze vezel die ons bindt en waarvan we node kunnen scheiden zonder ontreddering en verdriet. Waar haal ik de kracht om die onthechting door te voeren, te bewegen in die andere dimensie die glimlacht, meewarig om onze zwakheid.
Vandaag bleek weer de idee bewaarheid. Een bedenking die Bert zó dikwijls aanhaalde: Immer wan mann denkt es geht nicht mehr, kommt von Irgendwo ein Lichtlein her“. Bij de gemeenteberichten stond de beslissing afgedrukt dat de zijstraat van de Vogelzang nu toch definitief de F.V.straat zal heten.
15 juni ‘93
Met Begga haar roots gaan opzoeken en deprimerende reis – langs verbouwingen, verschraalde kerkhoven en oude kennissen – We zijn daarna bij Al. in het ziekenhuis geweest, de steeds terugkerende nare ervaring van een opgelegde dwingende taak. Hoelang nog – De hangende onzekerheid –
Met A. De M. naar Oostende. Ik stond aan het familiegraf. De zilverplantjes hadden sinds oktober goed stand gehouden, waren zelfs in gele bloemtoppen hoog opgeschoten. Ik had elders plantjes over. Ik moet telkens even zoeken naar de graftombe om dan weer plots de confrontatie aan te gaan altijd met die knagende weemoed en die onzeglijk troosteloosheid die me steeds overvalt als ik de dodentuinen betreed. Schuw en verlaten met op een tiental meter de drukke levensader van het denderende verkeer – en nog even verder de zee diep en wijd uitdeinend,
(blz. 52)
zodat de beklemming in mij stilaan verebde en de junivakantienemers – de oudjes en de babys – de gang van het leven, komen en gaan – bevestigden
21 juni
Zomerzonnewende – Ik heb het gras een beurt gegeven. Misschien was het nog niet zó nodig maar het bespaart het vermoeiende oprijven, alhoewel die ritmische bewegingen zeker niet schaden zouden en me helpen de winterkilo’s kwijt te geraken die ik nu met wisselend succes bestrijd met een door G. aanbevolen dieet: fruit en groenten. Het lukt me aardig tot in de namiddag, dan zitten de hongerduiveltjes kabaal te maken van jewelste en ik betrap me erop dat het met de wilskracht maar povertjes staat. Gelukkig heb ik de snoeplade drastisch beperkt…
(blz. 53)
25 juni 1993
Gisteren ben i, met L. VdB naar Gistel gereden. Ze treurt intens om de plotse dood van haar dochter (42) in Hongarije twee maanden geleden. Ik heb haar de hele tijd laten vertellen tussen de huilbuien door. Tegen de middag kwamen we in Gistel toe bij haar familie die nog het ouderlijk huis bewoont. De hoeve ligt vlakbij de Hoge Bilk en na het deprimerende bezoek in het rusthuis waar de nicht S. is opgenomen ben ik even op verkenning geweest naar de tijd van toen. Meer dan veertig jaar geleden. We waren eerst naar Oostende geweest even naar de Nieuwpoortsesteenweg. Het zijn momenten die alsmaar meer me intens aangrijpen. Ik reed langs de oude weg terug waar het landschap verbazend eender zich nog uitstrekt met de hoeven die F. zo dikwijls heeft geschetst om ze daarna op doek te penselen. De molen met de laagbouw erachter, de zwenking naar links de kleine Warande in; ik reed door tot aan de hoeve voorbij het huisje waar het allemaal begon. Het vrouwtje dat me er te woord stond herinnerde zich de tijd dat ze F. zag ritmisch over de weiden en velden stappen, een onzeggelijke weemoed overviel me, een verlatenheid die me niet meer losliet – en meer dan ooit voelde ik zijn bijna lijfelijke aanwezigheid –

(nvdr: Sim in 1951, voor het huisje in Gistel “waar het allemaal begon”:)

Ik wist dat de nacht lang zou zijn en me niet genadig, zelfs de dosis Merinax hielp niet. Tot laat in
(blz. 54)
de morgenduren. De vrees dat de droom me nog meer zou beroeren bleek ongegrond. Ik herinner me alleszins niets meer. Nu probeer ik los te komen van de confrontatie. Ik heb naar G. gebeld maar ze zit in haar eigen gevulde leefwereld… J. heeft ook getelefoneerd en Al., maar het lijkt me alles zó onbdeduidend.
Ik schrok van m’n weerbeeld in de spiegel. De rimpels hebben zich de laatste maanden sterk geprofileerd. Daar helpt zelfs geen zalfstrijken meer!!! Kismet! De jaren stapelen zich nu gezwind maar respectabel op.
Ik tracht nu weer naar de trip vrijdag, halte: Hasselt bij M. De post bracht me een politie PV. De overtreding in Sint-Niklaas moet ik dan toch bekopen. Het werd dus ook een financieel dure reis naar Oostende.
Truda kon niet mee wegens haar hinder. Toen ik ’s avonds thuiskwam na een oponthoud in Winge vernam ik haar opname in Sint-Jozef. Ik ben haar zaterdag gaan bezoeken.
Zondag 28 een doelloze trip met M. langs de Louizalaan waar de uitstalramen de luxe voorbehouden voor de rusteloze happy few – B. belde me ’s avonds op. Hij moet met mij ernstig praten. De gissing die ik mij de gehele nacht maakte bezorgden mij weer een rusteloze nacht. E. is ernstig ziek. De ongemakken van de belabberde huisvesting zit er wel voor iets tussen. Ik help ze financieel voort.
(Blz. 55)

Sim tijdens de laatste zomer in Weerde (1993) op het terras van “Het Landhuis”:


Sept. ‘93
Pappie,
Lange donkere maanden sinds ik nog wat neerschreef om je schriftelijk te benaderen al toeven de gedachten in deze sombere tijd zoveel bij jou.
De vakantie is er geen geweest. Ik K. gleden we langsheen het drama van depressieve E. die zich vergeefs probeerde vast te klampen aan de veranderingen in de “krot”-woning. B. één en al geestdrift heeft zich in de vrbouwing vastgebeten. Ik heb weer financieel moeten bijpassen en zie m’n jarenlange Weerdse droom vervagen. Het is een nachtmerrie en ik weet niet waar ik de energie ophaal die ik in K. spendeer dag na dag de triestige trip met de warrelende gedachten der onzekerheid als een tergende bedreiging steeds nabij. ’s Avonds kom ik in het holle huis en mis, meer nog dan de eerste jaren van je heengaan, de afwezigheid van het klankbord. De openbare verkoop van het huis, op 29 september ’51 tweeënveertig jaar geleden trokken we in, zal nu wel spoedig gebeuren. Ik verricht automatisch de schaarse schoonmaakbeurten. Bij de opruim in de chaos bij B. vond ik nog een foto. Je laatste op 27 maart ’89. Je zat op het terras omringd door al je kinderen. Nu kijk ik elke dag ernaar en beleef de angst voor het nieuwe verlies, alle plaatsen, plekjes waaraan jouw aanwezigheid kleeft.
De ontgoochelingen en het verdriet zouden je moeten harden. Maar onder de broze korst ervan zit week en (nvdr: tekst afgebroken)
(Blz. 56)
Oktober ‘93
Pappie
Het is zover. De notarissen kondigen hun bezoek aan, koud en afstandelijk –
Op 20 oktober zijn ze er… “Een huis met karakter”, zei de kleine Brusselse meester, terwijl hij ijverig de schets van de plaatsen tekende, haastig en secuur. Ze gunden de schilderijen en tekeningen geen blik, al zal de indruk ervan wel bijgedragen hebben tot zijn beoordeling. Ik haperde in de aanbreng van de talrijke gebreken en even moest ik mij beheersen toen ik ze alle drie “De Zeven Zeeën” overhandigde opdat ze misschien erin zouden ontdekken wie hier ooit een ziel had gegeven aan dit oude treurige landhuis.
Ik hou het hier niet meer uit. De ruiten blijven ongezeemd en het stof nestelt zich behaaglijk op meubels en zetels. Ik zou nu moeten de muren van alle bekleding ontdoen. De kasten wegtrekken zodat de vochtplekken voor de geïnteresseerden zichtbaar worden, maar ik kijk naar buiten, naar de bomen in herfstkleur. Alle beplantingen die jij ooit uitkoos…
Ik heb het koud en trok m’n sneeuwboots aan zoals bij vriesweer. Ik neem alle uitnodigingen aan. Was reeds 3x in Antwerpen en met G. naar Ter Korbeke. Ik ga naar B. opruimen en nog eens opruimen, onbegonnen slavenwerk.
Vandaag zondag 25 kwam ik in K. aan. Het hele gezin stond klaar om te gaan zwemmen. De plaatsen

(nvdr blz. 58 & 59 bevatten kopieën van het gedicht “Dorpspastoor” van Nand uit de bundel “De Aardse Staat pp 39/10, , wrsch nav zijn overlijden:

(Blz. 59)
konden een poetsbeurt gebruiken. B. vond vrijdag de badkamer geheel onder water. Hij had daags voordien de wasbekkens zelf aangesloten om de loodgieteruren uit te sparen met de gevolgen vandien. Mijn weerstand brak. Ik kon er niet blijven en ze nodigden me dringend uit mee naar het zwembad te gaan en met E. er in de cafetaria te wachten. Ik bracht de moed niet op om mee te gaan en voelde plots hoe ik zelf alle overredingskracht en optimisme zou missen om haar op te monteren. Ze rookt en haar tanden zijn geel en dof. Hoe kan ik het zeggen. Ik ben weggevlucht huilend in de auto richting G. maar ben dan toch naar huis teruggekeerd. Ik keek naar een film uit de jaren ’41  “Friedemann Bach”, een prent die ik ooit in Leuven zag tijdens de oorlogsjaren. De mijmeringen en herinneringen stapelen zich dan op en ik kan niet nalaten de personages te vergelijken met ons in die tijd. Jij was er toen 36. Welke leeftijd had de acteur Gründgen toen?

nvdr: de film vertelt het leven van de zoon van Johann Sebastian Bach gespeeld door de acteur Gustaf Gründgen, filmposter:

12 december 1993
Het huis is verkocht met de gronden. Mijn bod dat rekening hield met de miljoenenkost voor restauratie kon niet op tegen dat van een verbeten liefhebber. Het was een publieke verkoop en mijn vriendin die de 2/3 bezit ligt al wekenlang in het ziekenhuis en moest de 1/3 tegenpartij na rechtsprocedure ter wille zijn.
Ik leefde weken op het scherp van het mes. Ondragelijk was de spanning. De jarenlange onzekerheid is nu zekerheid geworden. Over enkele maanden moet ik het vertrouwde huis verlaten. Weken van beklemming en ademnood vooral als ik de gretige bezoekers moest rondleiden in alle plaatsen. Het was als een indringer in de geborgenheid van een eigen wereld die 42 jaar lang werd opgebouwd. Ik vroeg Ferdinand mocht hij ergens in de kosmos toeven samen met al de geliefden van het veilige nest, mij een teken te geven opdat die wurgende gevoelens zouden verdwijnen. Ze raken elke vezel in mij maar er kwam geen respons. Het is de sombere adventstijd van het leven in de hoop op een verwachting die – ik wist het en voelde het dan – een grote ontgoocheling inhield. Nochtans probeer ik mezelf tot de overtuiging te dwingen – en velen doen het met mij – dat het onzinnig is hier langer alleen te blijven nu B. – het wachten en talmen moe – een huis in K. kocht. En nu à mon age het onvermijdelijke elk ogenblik kan toeslaan. Waarom me hechten aan een verleden dat toch vier jaar geleden eindigde bij het heengaan van Ferdinand. Ik voel me nu als een zwam al die tijd gekleefd aan de muren van herinnering.
Enkele bezoekers toonden interesse voor de doeken en al zij  er een paar weg, je ziet nauwelijks de
(Blz. 61)
leegten op de nog rijk-gevulde wanden, maar de waardering milderde de pijn en het besef dat Ferdinand nu in zijn werk ergens blijvend zal aanwezig zijn troost me zeer. Toch zal nog veel moeten opgeborgen: waar e noe? Ik weet het niet, ik weet het niet. Waarom kan ik met F. niet mee zoals Filemon en Baucis in het Frygische land?

(nvdr = een verhaal van de Romeinse dichter Ovidius: het oude echtpaar wordt door de goden beloond en sterft samen, waarna ze veranderen in een eik en een linde die zich in elkaar verstrengelen.)

De bomen staan er nu desolaat ontdaan van alle leven maar onder de bast kruipt het sap en gaart kracht voor de lente. Het zal de laatste lente hier zijn. Bij de openbare verkoop refereerde de notaris naar de mooie beplantingen en dat het wel dertig jaar duurt voór bomen zó een lusttuin uitmaken. Het deed geweldig pijn. F. heeft ze geplant ook met de idee dat de kinderen ze later als zijn werk zouden zien groeien. Hoe dikwijls vroegen we de vriend-eigenaar niet het huis ons te verkopen. Hij wimpelde het steeds af. Vorige maandag hield ik een kleine toespraak bij de honderdste verjaardag van Pa Andries. Ik besloot met de woorden van Marsman: “Laat ons vergeten wat gisteren was want vandaag is een kostbaar bezit”.
Ik weet ik heb de kinderen en kleinkinderen en zovele vrienden en kennissen die met mij begaan zijn. Soms berisp ik mezelf om m’n kommer voor materiële zorgen maar “homo sum”. (nvdr = “ik ben een mens”)
Blz. 63)
en wachten – wachten. Ik ben verlamd van onrust. Alle geborgenheid valt weg. Buiten stijgen de temperaturen: 14° – binnen blijft het kil. Ik durf niet de deur uit en kijk met gemengde, verwarde gevoelens door het raam – naar de winterse tuin, die nu mooier lijkt dan ooit tevoren. De slagregen sijpelt door de ramen boven. Het kan me niet deren.
Ik weet niet of ik het Hasselts bezoek van donderdag aankan, ik wil zo weinig mogelijk mensen zien.
De slaappillen lokken: nog acht in het doosje…
Ik heb A. zo-even opgebeld. Ze komt donderdag naar huis. Ik kan me moeilijk in haar toestand indenken, al verlicht waarschijnlijk de miljoenenbuit heel veel van haar kommer.
Ik weet nog altijd niet wie de ware koper is. Carine had beloofd me op te bellen. De man en vrouw die het schilderij met hoevetje uitproberen thuis lieten nog niet van zich horen. Ik belde Mevr. Cl. op die een kennis was. Ze kon me ogenschiijnlijk niet helpen. Vreemd.