Sim: Poëzie 1989-2006

Elegie (voor de gestorven dichter) (mei 1989)

Zo zag ik je voor ‘t laatst:
de tellers en de draden
van intensieve zorgen
weer keurig opgeborgen,
ze hadden je vergeefs
nog laten ademhalen,
al was je dagen reeds
de donkere bocht voorbij
die nanoen in de mei

de witte woorden,vlinders
verloren in de wond
van je ontzinde mond,
waren nu ook verdwenen
en in de kille kamer
de rij van de beminden
verstilden zoals jij
die nanoen in de mei

Een stem klonk toen heel even
we hoorden weer een vers
dat jij eens had geschreven,
van zon en zee en duin
de vaargeul van het Zwin
kwam zinderend weer te leven
Jij oeverloos nabij
die nanoen in de mei

Ik heb de witte lok
die op je voorhoofd viel
nog teder glad gestreken,
schuimvlok op ‘t grijs graniet
van je ontzield gezicht
en kon het woord niet spreken
dat leeft in dit gedicht…
en sedert woont in mij
die nanoen in de mei.

 

Zeg niets (1992)

Zeg niets, je zwijgen
raakt de rand reeds
van het woord
dat op mijn lippen kleeft

Zeg niets, ik hoor de wind
die om het huis
aan het vermolmde raam
vermetel beeft

Zeg niets, ik zie
de weifelende vlam
nog even opslaan
in de haard
als een die haperend
ademhaalt
en zeggen zal…
“Zeg niets…ik weet het al”           .

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *