Sim: Gelegenheidspoëzie 1989-2008

Sim schreef haar “lofredes” meestal in handschrift op bladzijden die ze dan aan elkaar plakte en oprolde. Tijdens haar voordracht werd de rol dan langzaam “ontvouwd” naarmate het lezen vorderde.

2002

Ode aan de vriendschap en de droomreizen

Zo zeldzaam is de echte vriend
gelukkig wie die parel vindt
en bij een roemer malse wijn
dan klinken op het samenzijn.
Over problemen peroreren,
onze idee duchtig verweren;
met wijze teksten ons verpozen
die we met zorg hebben gekozen
filosoferen, redeneren
en Marx en Hegel confronteren
met Kierkegaard spijts alles hopen
en d’existentie niet ontlopen.
Van Schopenhauer ons onthouden
die van de vrouwen niet kon houden;
en uitgelezen boeken kopen
ze uitlenen en dan maar hopen
de restitutie niet ’t ontlopen!

Van verre reizen eindloos bomen
en thuiskomen in onze dromen
en dan weer plannen voorbereiden
in deze gure wintertijden
naar de geboden voordeelprijzen.
Aan blonde kusten samen toeven
waar palmen in de zeewind zoeven…
Kaïro zien en mijmerend traag ontroerd,
behoedzaam blijven staan
bij Toet-Ankh-Amons sarcofaag
en dan naar El Amarna reizen
de resten van de tempel wijzen.
O Echnaton gij onbegrepen
uw zonnedroom in puin gereten
maar als een feniks weer verrezen.
In El Bahari wierook weten
die voor Hatjepsut uit de buurt van Poent
naar haar werd doorgestuurd (*).

De reismicroob heeft ons gebeten,
Italië gaan we niet vergeten.
Eerst lieflijk Firenze boeken,
d’Uffizia dagenlang bezoeken.
In Boboli’s tuinen ons verpozen
en ’t panorama luidkeels eren
en onze lires ruim verteren.
In Rome Paulus’ zegen vragen,
de zeven heuvelen ontwaren
het forum en veel kathedralen,
in Pompeï de straat der lusten
met schroom betreden en daar rusten,
maar even,  mijmrend dromen,
want in ’t zuiden lokt de overkant:

Hellas, Oud-Griekenland verkennen,
aan hittegolven moeizaam wennen,
Acropolis: de stoere rots
baker onze culturentrots.
En eeuwen vlieden traag voorbij,
we zien de filosofenrij:
Socrates spreekt zijn klare taal,
het gif: het eind van zijn verhaal,
maar Plato had zijn woord vergaard
en voor het nageslacht bewaard.
Fidas, Muron, kunstenaars roemen,
onmogelijk allen op te noemen.
We horen Leonidas prijzen zijn falanx,
d’elite der wijzen
die tot het laatste offerbloed
getuigt hoe de held sterven moet.

We reizen vrienden met elkaar,
behoeden ieder voor gevaar
verdragen alle kleine kantjes
en sussen lieflijk misverstandjes.

O Vriendschap is er schoner gave
aan deze nectar zich te laven?
Als vreugd’ en voorspoed u verlaat
is er de vriend, de toeverlaat
hij is de steun die niet versaagt,
die trouw hoog in het vaandel draagt,
de echte vriend uw tweelingbroeder,
voor elk gevaar is hij uw hoeder,
hij is de rots in bange dagen,
hij wil voor u zijn leven wagen
en treurt met u bij elk gemis
de saam gedragen droefenis,
hij deelt met u zijn kloeke buit
en waarborgt u zijn vast besluit,
heeft ene Cresus goud met hopen,
nimmer kan hij vriendschap kopen.
Gelukkig dus die niet vergeet,
de ware schat die vriendschap heet.
En zijn we eindelijk thuisgekomen
uit het wanenland der dromen
nog dobbert ’s levens bootje voort,
we glijden samen onverstoord
geen enkel stopsein houdt ons stil,
we wuiven ’t jaar uit en weer in.

En komt de laatste bocht in zicht
stuur dan de vrienden dit bericht:
de reis gaat naar het Eeuwig Licht,
daar wacht op u aan d’overkant
nog hechter dan de aardse band
de Vriendschap in ’t Beloofde Land.

(*) Het verhaal van Hatsjepsoet (1479-1457 vr Chr.) en haar beroemde handelsmissie uit Poent kan je hier lezen

18 augustus 2004

(het gedicht is veel langer, de strofen die betrekking hebben op enkele toehoorders met persoonlijke anekdotes zijn verwijderd)

Rijmelarij op mijn 85 

Ooit hoorde ik een droevig lied,
het stemde mij melancholiek
Er was zo ’t schijnt “geen medicijn
tegen het oud en eenzaam zijn” (*).

Het zeldzaam kruid tegen verdriet
groeit ergens maar je moet het vinden
Zoals hier weer bij d’oude vrienden,
in dit oudsher dierbaar oord
De plek waar de herinnering klijft,
ik zoek vergeefs naar ’t juiste woord
’t gevoel dat mij overblijft
van buurschap, meer dan veertig jaren
geleefd in vreugd, gedeelde zorgen,
kralen der jaren die ik gaarde
sluit ik nu af bij d’hoogbejaarden.
Ik hoor de stille commentaren:
“Die, leeft ze nog? Ze heeft het lang geflikt,
en in de wiege niet gestikt!
En zag je toen ze net vertrok:
ze gaat begot nog zonder stok…
– Maar nee, ze rijdt nog met de wagen.
En ziet ze nog wel goed daarvoor?
– We zullen het haar eens vragen.
Want ohjee… een haperend gevaar!
– Ja, maar z’is geopeeerd van staar.”
“Dat zal ik ook eens moeten vragen”,
zei mijn vriendin, toen we tesamen
ons uitje zaten te beramen
op die verzengde zomerdag
met pollevies (**), m’n nieuwe tas,
op weg naar een Leuvens terras.

Daar zaten ze de hoogbejaarden,
nippend aan een verkoelend glas,
terwijl ze doelloos voor zich staarden.

‘k Kon kalm ’t antiek bureau aanschouwen
Ze pronkten met hun safe-inhouden,
de dames ’t gros van het geheel
de naakte armen mollig bloot
of schraperig met wat vel te veel,
toen plots een heer aarzelend verscheen,
schoven de dames wat opzij
de schaduw zoekend op een rij
kirden ze vrolijk om hen heen
wijl hij ze groette één voor één.
De overmaatse playboy kon nu
zicht hebben op hun balkon,
dat weelderig in het tikje zon
laattijdig nog begeren kon.
De playboy kon het nog eens wagen
zoals ooit in zijn beste jaren.
Met breed uitdijende gebaren
hoorden we een sliert van zijn verhalen.
Zijn kinderen hadden ’t ver gebracht
tot in de verste werelddelen,
één was chirurg, was zo bedreven,
hij kon zijn lijfcorrecties aanbevelen,
met deze groep gezette dames
zou hij zijn werk gegarandeerd
volzet zien al zijn levensdagen.
’t Verhaal over zijn kinderscharen
kwam eindelijk toch tot bedaren.
Toen mochten we de woordenstromen
der dames nog mede aanhoren:
het wel en wee hoe ’t vroeger was,
live op dit Leuvense terras.

En toen ik even d’ogen sloot
om de memories op te graven
deed ik een sprong van 60 jaren.
Ik zou de Dietse Meisjesscharen,
gelovend in de nieuwe tijden,
het vaandel kranig voor mij dragend (***),
naar ’t Leuvens stadspark begeleiden.
Daar zouden we de spreker vragen
de zin en waarden te verklaren,
de grondslag van onze idealen.
Toen kwam de kameraad naar voren,
gaf mij galant een ferme hand…
het was Vercnocke Ferdinand!
‘k Verzwond schier in mijn nietigheid.
Hij groot-Germaan… een Thor gelijk,
de tekst die ik had voorbereid
kwam haperend en stroef naar boven,
zijn glimlach hielp me ras bekomen,
maar later zag ik in mijn dromen
dit tafereel steeds wederkomen:
ik platte pollevies (**) en schichtig klein
daar zou niets uit te puren zijn!

De onheilstijden kwamen nader,
jeugddromen werden ruw verstoord,
en zie precies acht jaren later
herrees ginds aan de Leieboord,
in Deurle, het begenadigd oord,
’t besef dat uit beider ervaren
we gaaf de droom konden bewaren (****).
De droom werd 38 jaren.

In ’t Wingse dal van ’t veilig nest,
ben ik de enige die rest,
het hoogbejaard zijn eist zijn tol.
Zovelen zag ik reeds verdwijnen.
Hun namen prevel ik somwijlen
en voel de dagen trager gaan
en zie bij nacht hun wenken aan,
hun glimlach en hun mededogen
voor angst en pijn en vers verdriet
en voor de dag die in ’t verschiet
om hulp roept voor het onvermogen.

Gezegend die de leeftijdsgrens
ruim tachtig jaren overschreden,
nog duiken mag in ’t jong geweld
dat hier vandaag is aangetreden,
hun lieve namen zal ik horen,
ze hielpen me de jaren schragen
wetend dat bij elk onbehagen,
ze steeds hun heul en soelaas boden,
de tachtigers op d’eerste rij,
ik drum niet, maar ik hoor erbij!

De kwaaltjes van de leeftijd
komen verraderlijk dicht aangeschoven
en bij dezelfde lotgenoten
wordt ’t onderwerp druk besproken:
“Heb jij ook last van slaapproblemen?”
“Och mens, ik sukkel met de benen,
de reuma kriebelt in mijn handen,
ik heb juist geboekt voor Spaanse stranden
met onze Jean, mijn toeverlaat,
er pruttelt wat met zijn prostaat”.

De oudjes staren door de ramen
en soezen er gedwee te samen.
Al horen ze niet bij elkaar,
ze zijn gedropt zonder misbaar,
gedogen zij hun voortbestaan,
ze hebben niets meer te verklaren,
hun aardse taken zijn volbracht,
hun eigen wil kwam tot bedaren.
Het is de stilte van de nacht
die langzaam uit de nevel stijgt,
het is hun leven zelf dat zwijgt.

We hebben onze tijd gehad,
waarom dan treuren om wat was?
En worden draden die ons binden
steeds losser met  de teer beminden,
men dwingt me voort te blijven leven,
ontzegt me elke pijn, het beven.
Als traag de stroom van ’t moeizaam bloed
me haperend hindert bij ’t horen,
dan wordt me luchtig toegezegd:
“Het zit er tussen beide oren!”

Wie vult de trage dagen aan,
wie komt nog op mijn drempel staan,
het lichtje in een leeg bestaan,
wie wil ‘t eender verhaal aanhoren,
wie kan de lulligheid bekoren
die de bejaarden debiteren,
de trouw en tucht en eerbaarheid,
de te behouden maagdelijkheid,
toen wij nog jong en onervaren
de eerste kus kwamen verklaren
bij ’t biechten gaan een weinig later,
na de retraite bij die pater!

Ver van de stad en de gevaren
en hare wufte poperijen
groeiden we op in wijze jaren,
de “sturm und drang” kwam tot bedaren.
Geen media-invloed kon ons hinderen,
we waren brave kruistochtkinderen,
tien jaar Heverlees kostschoolleven
zo na waren we maagd gebleven!

En toen de oorlog was verdwenen
werden mij euvels aangewreven:
de Belgenwet was overtreden,
art. 123 sec s geschonden,
want met de vijand aangebonden,
de koningstroon had ik doen beven.
‘k Ben voor de krijgsraad toen verschenen,
daar hielp me geen laattijdig rouwen,
‘k ben er ter zitting aangehouden.
De cel waar ik toen aanbelandde
zat overvol, geen plaats te veel,
de jongste amper veertien jaar,
naast ene vrouw uit een bordeel,
die door haar rauwe confidenties
de duur van onze penitenties
een blik gaf op een ander leven,
en toen de straf geleden was,
de burgerrechten nog verloren,
moest er gezocht om naar behoren
werk te vinden “om den brode”.
Een Brusselse biscuiterie
had mij een opdracht aangeboden,
’t was reizen voor haar zoetigheid,
na tien jaar gaf ik respijt,
er volgde nu een nieuwe tijd,
het leraarsambt werd voorbereid.
Na veel interims allerhande
ben ‘k in Assumpta aangeland.
Daar leefde ik zovele jaren
een sliert collega’s nader kennen,
hun wel en wee, hun commentaren,
hun vriendschap, hun genegenheid,
een groep van diverse pluimage.
Daar zal ik later over schrijven
mocht ik de negentig overschrijden,
dan word ik weder blij verrast,
ben ik weer hun gevierde gast.

Met dank voor zoveel hartelijkheid
wil ik het eind van mijn gedicht
over “De Vriendschap” nog herhalen:

“En komt de laatste bocht in zicht
stuur dan de vrienden dit bericht:
de tocht gaat naar het Eeuwig Licht,
daar wacht op u aan d’overkant
nog sterker dan de aardse band
de Vriendschap in ’t Beloofde Land!”

(*) “er bestaat geen medicijn…”: het citaat komt uit het lied “Cirkels” (1968) van Herman Van Veen, de tekst werd geschreven door Rob Chrispijn, het lied zelf is een Nederlandse versie van het originele “The windmills of your mind” uit 1968 (muziek: Michel Legrand, tekst Allan & Marilyn Bergman)

(¨¨) “pollevies”: uit het Frans: “souliers à pont-levis » : schoenen met redelijk hoge hak
(***) “het vaandel kranig voor mij dragend”: foto uit augustus 1942 in Leuven op de gouwdag DMS, Sim draagt het vaandel (zie ook de pagina “DMS“):

(****) “Leieboord in Deurle”: zie de pagina “Het Tuinfeest

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *