1939-1940 Mobilisatie Briefwisseling

Over zijn mobilisatietijd schreef Nand uitgebreid in zijn Memoires, zie de pagina “Mobilisatie“. Hier aandacht voor enkele brieven die hij in die tijd schreef naar het ‘thuisfront’. Deze periode van april 1939 tot mei 1940 wordt ook wel de “phoney war” (zgn “Schemeroorlog“) genoemd ‘omdat er nauwelijks actie aan het Westelijk front werd ondernomen’.

3 november 1939.
Een brief van Nand aan zijn ouders vanuit zijn standplaats in Gent waar hij gelegerd was. Opvallend in deze brief is zijn lofzang op zijn zus Henriette (“Jet”) die 3 maanden eerder, op 21 juli 1939 overleden was ten gevolge van kraamkoorts, twee weken na de geboorte van haar tweede zoon (zie de pagina “Familie Nand“). Blijkbaar deden er daarover roddels de ronde, waarvan ik het fijne niet weet… Opvallend is de handtekening van Nand, waarbij de eerste letter van zijn naam (“F” van Fernand) sterk is aangestreept en er als een kruis uitziet, misschien om de nadruk te leggen op de boodschap van zijn brief.

Gent, den 3.XII.39

Beste ouders,
Het is zondagmorgen, ik heb zo-even een paar spiegeleieren gegeten en mijn stoof aangestoken. Het is helder weer. Straks ga ik in de stad, er zijn hier n.l. doorlopend schilderij tentoonstellingen. Gelukkig dat ik dat nog heb. Een beetje kontakt met de wereld van de kunst waarbij ik nochtans behoor. Dezen namiddag, indien ik erin slaag, ga ik voor een wandeling langs de Leie.
Ik weet nog niet precies wanneer ik nog eens naar huis kom, daar de kommandant die de verlofbrieven moet teekenen afwezig is. Het zal in alle geval het einde van deze week of het begin van de volgende zijn.
Voor wat dat laag-bij-de-grondsch geklets over Jet betreft: wij moeten slechts één bekommernis hebben: ons er boven te houden. Haar gedachtenis zelf beveelt het. Zij zelf zou zich tegenover dergelijke dingen waardig en koud gedragen hebben. Wij zullen niet in de straat afdalen om met al dat gespuis te onderhandelen. Wij zullen rustig blijven in onze zekerheid dat het leugen is. Wij zullen er ons niet door laten uit het veld slaan of ter neer drukken. Onze waardige stilte zal een kracht zijn waarop de leugen tenslotte zal afschampen. Overigens een rechtgeaard mensch zal weten dat alléén vurige lasteraars en achterbuurt-volk de nagedachtenis van een doode besmeuren tot eigen rechtvaardiging. Alleen de lieden die uit dezelfde stof gesneden zijn: de eerroovers en praatjesventers zullen hun walgelijke waar gaan ronddragen. Voor hen kunnen wij alleen verachting hebben. Zij zullen onze herinnering, onze eeredienst van een schoone doode niet vermogen te storen, verschanst als wij zijn in onze stilte. Zij de levende geruchtmakers, de straatkklappeien, weten niet dat elke verloren doode ons leven rijker maakt en een wijding schenkt die zij niet eens bevroeden. Onze dooden zijn ons schoonste bezit: zij zijn ons meer nabij, wij hebben ze meer lief dan de levenden zelf. Het verlies van wat ons het liefst was is onze schoonste verworvenheid.
Tusschen de vier kale muren van mijn cel – als ik eens voor een uurtje bevrijd ben van wachtkloppen en karweien – denk ik dikwijls aan háár. En het is vreemd, ik heb het gevoelen dat zij nog leeft, dat zij lééft wezenlijker dan vroeger, omdat zij bestendig woont in ons. De dooden die schoon geleefd hebben, leven veel langer dan veel levenden. Hun gedachtenis is in ons als een kracht: een beginsel dat macht bezit over ons leven, ons vóór gaat en voortstuwt tegelijk.
Zeker van dit bewustzijn, moeten wij niet eens treuren. Dit vast te stellen is geen droefheid meer maar de hoogste vreugde. En laat ze dan maar met slijk werpen.
uw Fernand


2.1.40
Beste ouders,
Als alles goed gaat kom ik vrijdag af den 6den ’s avonds naar huis. Het zal tijd zijn. Dat is hier een echt galeiboeven bestaan. Morgen ben ik van wacht aan ’t kanaal voor 24 uur, een dag en een nacht – en in die ijzige vrieskoude!. Wij hebben gelukkig een gat in den grond, een echt graf waar je met een man of vier in hokken kunt bij een stoof die meer rook geeft dan warmte. Tot overmaat van ongeluk is mijn ijsmuts niet gereed… En zoo gaan de dagenvoorbij in allerlei kwellende beslommeringen: dit is geen menschwaardig bestaan. Gelukkig is mijn aanvraag ingediend, en door den kommandant verder gezonden, ik hoop maar dat er iets van komt en dat ik algauw naar Gent terug mag. Daar ben ik tenminste 1ste sergeant… (’n trapje hooger…)
Dus tot vrijdagavond!
uw Fernand.

(zie een gedetailleerde beschrijving van de toestand die Nand hier weergeeft bij “Mobilisatie“)


18 december 1939, manuscript van een gedicht geschreven in de Leopoldskazerne te Gent (datering en plaats onderaan). Nand zou het later de titel “Haardstede” geven (zie ook wat hij daarover schrijft op de pagina “1939-1940 Mobilisatie“). Het gedicht werd geschreven op een lege pagina uit het typoscript van “Ask en Embla” (dat hij bijna kwijtspeelde tijdens de 18-daagse veldtocht in mei 1940): onderaan in het rood (omgekeerd) de titel “Embla’s geboorte”.

“Roept gij ons te velde, roept gij ons te weer,
dwingt gij in onze handen ’t zware geweer:
wij zijn bereid.
En breekt gij alle banden, rooft gij onze rust,
wij hebben tot afscheid allen gekust,
wij zijn bereid.
Want gij zijt onze rust, en gij zijt onze waak;
gij zijt onze roem, onze grote taak:
wij zijn bereid.
Gij stilt onze angst voor den gruwzame dood,
léven zult gij in der graven schoot!
wij zijn bereid.
En wordt ons hart week om een huis en een haard,
wij blijven te wacht, gij zijt het waard:
wij zijn bereid!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *