1943 bezoek aan het massagraf te Katyn, Oekraïne

Opmerking: Omdat Nand hier aan het woord is als journalist en verslaggever maak ik een uitzondering door toch over  historische feiten te schrijven die al uitvoerig door historici zijn uitgerafeld en geduid. Het is namelijk het oudste document dat beschikbaar is waar Nand als ooggetuige aan het woord is wanneer de herinnering nog vers in het geheugen ligt. Weliswaar is het een openbaar document, maar het geeft toch zijn zienswijze en gevoelens weer in die tijd (1943) zonder dat die gekleurd wordt door een terugblik vele jaren later, met de bedoeling zich te verantwoorden (cfr zijn “Memoires“). Daarenboven werd hier in mijn jeugd door mijn ouders vaak naar verwezen als het zgn “twee maten en twee gewichten”-oordeel van de geschiedschrijving, want, zo stelden ze,  “die wordt altijd door de overwinnaar geschreven”… 

Nand was, tezamen met een groep schrijvers en andere Europese kunstenaars van het E.S.V. (Europäischen Schriftsteller-Vereinigung), door de Duitse “Propaganda-Abteilung” in 1943 uitgenodigd een bezoek te brengen aan het massagraf te Katyn (Oekraïne, Rusland, dat toen nog bezet gebied was) waar duizenden door de Russen vermoorde Poolse officieren en intellectuelen begraven waren, zo beweerden ze. Zijn reis werd gefinancierd door het dagblad “Volk en Staat“. 
De Russen ontkenden hun betrokkenheid. Het zou hier te ver voeren om de hele geschiedenis van deze massamoord en de impact ervan op de relaties tussen de geallieerden (in 1943 waren de Russen immers bondgenoten geworden) en de nawerking ervan (zelfs tot op heden) te beschrijven, ik verwijs hiervoor naar de Wikipedia artikels hierover: in het Nederlands en nog veel uitgebreider in het Engels. Pas eind jaren ’80 gaven de Russen hun verantwoordelijkheid toe, in 2010 uitte president Poetin zijn verontschuldigingen in de Doema, het parlement.

(Triest detail: in 2010 stortte een Pools regeringsvliegtuig, onderweg naar de herdenking van de 70ste verjaardag van het bloedbad, neer. Alle 96 inzittenden kwamen om, waaronder veel prominenten, o.a. de president van Polen. Zie “Vliegtuigramp bij Smolensk“.)

Hieronder het verslag dat Nand hierover schreef en dat in 1943 gepubliceerd werd in een brochure van een tiental bladzijden. Na zijn verslag volgden er ook nog heel wat expliciete foto’s met uitleg en een opsomming van “de nuchtere feiten” met een waarschuwing voor “het gevaar van het communisme”. Dit tweede gedeelte werd niet door Nand geschreven.
Zijn aanwezigheid in Katyn was voor Nand een zeer ernstig feit ten laste toen hij  met meer dan 30 anderen terechtstond op het “Volk en Staat” proces in 1946.

De brochure zelf vond ik pas onlangs in het Cegesoma te Brussel waar ik ze kon laten kopiëren. Ik herkende de pen van Nand, maar wat me veel dieper trof was de antisemitische uithaal aan het slot van zijn verslag.
Ook daarom vond ik het belangrijk dit “ooggetuigenverslag” hier op te nemen. Over de impact hiervan op mijn eigen leven ga ik dieper in op de pagina “De Diepere Ziel der Dingen“.

Eerste bladzijde van de brochure uit 1943, bemerk de lay-out: schreeuwerige titel in handschrift lettertype met uitroepteken en extra onderstreept als om de echtheid te benadrukken, zwarte omkadering suggereert een overlijdensbericht. Of de brochure apart, of als bijlage verscheen heb ik nog niet kunnen achterhalen.

!1)
“Te Berlijn opgestegen, zweven wij, door de breede vleugelen van een Ju 52 gedragen, boven sparrebosschen en spiegelende meren, hooger en hooger, Oostwaarts. In het vliegtuig zitten letterkundigen uit verschillende Europeesche landen. De stemming wordt beheerscht door de bedoeling die hen bijeenbracht: het bezoek aan het bloedig bosch te Katyn, waar de aarde zijn gruwzaam geheimnis heeft geopenbaard.

De motoren dreunen oorverdovend. Onder ons schuift het landschap aan: eindelooze vlakte, onafzienbaar akker-land, prilgroen en grijs, meetkundig zuiver. Schaarsch worden de dorpen rondom de witgekalkte dubbeltorens, schaarscher de hoeven, doch wanneer wij, na een tusschenlanding te Warschau weer opstijgen, zien wijn hoe allengs een duisterheid over het landschap komt. De schijnende zon kan deze aarde niet vervrolijken. Bruin-groen in haar vreugdeloze eentonigheid deint zij onherbergzaam onder ons voort. Nergens een toren, nergens een woning in steen. Een handvol schamele hutten op ontzaglijke afstanden in het vergezicht verloren, wijzen op sporen van menschen, doch alles is verlaten en leeg. Het is de steppe, de steppe met haar kolchosen, het is Rusland, Sovjet-Rusland.
“Minsk!”, roept een stem, en daar onder ons ligt de onmiskenbare Sovjet-stad. Groot en wit, met helrood pannendak staan er de regeringsgebouwen, daarrond hokken, grauw en laag bij den grond, de hutten der inwoners.

Over het vliegveld waar wij in den laten namiddag uitstappen, waait een ijzige wind. Hier is de winter nog niet verdreven, alom langs de hellingen der heuvels ligt nog sneeuw en ijs. Ongenadig botsen de wagens op de ruwe Sovjet-banen, wij sturen door poelen en voorjaarsdraf, de modder slaat spattend onder de wielen weg. Puinen en werkploegen kondigen de stad aan. Aan de overzijde van de bruine Dnjeperwateren, hoog op den heuveltop staat ongeschonden de Uspenki-kathedraal, met haar gouden koepels, doch de stad zelf is grootendeels vernield, hier voor zorgden, zoo bevestigden de inwoners, de rooden zelf.
(2)
Tussenin de puinen staan havelooze hutten: hier huist de bevolking. Zwijgende mannen in pelsmuts en Siberischen mantel, staren ons wezenloos aan; meisjes, fier in hun opgeknapte soldatenjassen en verschoten mantelpakjes, spoeden langs de zwar-berookte gevels voort.  Haast alle dragen de witte, de roode Baskische muts. Wij bemerken één, hier door de mode lang voorbijgstreefde hoed.

Des anderendaags voert ons een stoet van grijze legerwagens naar Katyn. Een trage regen maakt de dooiende straten tot modderbeken. Eindelijk schokken wij over de zandwegels van een sparrenbosch. Een onnoemelijke geur, een zoetige stank waait ons bij het uitstappen tegen. Het is de heuvel Kosegory. Het zijn doodengroeven. En dààr, opgedolven en uitgestald in schamele rijen, liggen de meewarige dooden in een grauw gelid langs de helling: witte schedels, bruine aangezichten, uniformvesten, rijbroeken, een paar soldatenlaarzen… Voor ons liggen de stomme overblijfselen van honderden Poolsche officieren.
“Hier ligt,” zegt onze gids, “wijlen generaal Smravinski…”. De uniform onderscheidt den donkeren doode van zijn lotgenoten. Tusschen de dooden door treden wij naar de rand van den put. Hier, in den geopende kuil, liggen nog honderden, duizenden, dooreengeworpen in schroomloze haast; opeengetast laag op laag. De gravers zijn nog lang niet op den bodem van den kuil. Aan een uiteinde groef men een diepe schacht, zoodat nog meerdere lagen in doorsnede, als vijgen ineengedrukt, te zien zijn. Uit den zandigen wand, onontgraven, steken schedels en laarzen: de groef loopt dus ook in de lengte verder door. Het gezicht is hartbrekend.
(3)
Prof. Dr. Buhtz, deskundige die de opgravingen leidt, daalt af in den kuil, hij geeft uitleg. Sommigen liggen op den buik, anderen zooals zij, op het goed kome uit, werden neergeslingerd; weer anderen werden op den rug gebonden. Hij wijst een schedel aan, nog half in ’t heidezand bedolven: duidelijk is het nekschot zichtbaar… de kogel kwam, het been versplinterend, langs het voorhoofd uit. De moordenaar moet achter en dicht bij zijn slachtoffer hebben gestaan. De mond is opengesperd, de tanden grijnzen: wij horen nog den kreet van ijselijken schrik die de stervende uitstootte… Er zijn veel opengesperde monden.

Een doode werd voor onze ogen uitgegraven, wetenschappelijk onderzocht. De uniform is goed bewaard. Het schouderstuk draagt de ster en twee strepen van den Poolschen majoor. In  de zakken vindt men onder meer een dagblad gedagtekend 20 April 1940. Een reisgenoot die een ander lijk ontleden zag, vertelde hoe het in den rug zeven steken van een viersnedige Russische bajonet vertoonde.

Het kan niet worden geloochend: voor onze ogen light een angstwekkende werkelijkheid. Geen uitvlucht, geen voorwendsel ter wereld kan het feit wegmoffelen dat hier, tegen alle volkenrechtelijke en menschelijke wetten in, Poolsche officieren door den G.P.D. werden afgeslacht en in reusachtige kuilen onder deze sparrebomen werden verstopt.

Rondom de open groeven, in de open tusschen-ruimten, groeien kleine, driejarige sparren. Tusschen de jonge aanplantingen heeft men op verscheidene plaatsen gegraven: overal vindt men lijken. De heele heuvel is één volgepropt massagraf. De G.P.F.-benden hadden den om-gewoelden bodem met versche bomen beplant om voor alle tijden de misdaad te bewimpelen, maar het prille groen zelf heeft hen verraden:   het wijst de doden aan.

De boeren die den moord ontdekten staan ons te woord. Een grijze koelak met luimige helblauwe oogen en gerimpeld boerengezicht, verhaalt in zijn zangerig Russisch. De reporter vertaalt. Hij heeft de treinen, de G.P.F.-beambten, de schildwachten gezien, de schoten gehoord. Op zijn eentje is hij de aarde komen openscharrelen: hij had de lijken gevonden. Hij vertelt met omhaal van woorden, de klare oogen lachen ons tegen.  Hier is een zoon van het oude en vreemde Rusland aan het woord…
(4)
Op den terugweg wordt in het klein museum afgestapt waar de bijzonderste bewijsstukken worden bewaard. Alles is achter glas verborgen: doch de geur die boven de kasten hangt, getuigt voor de echtheid der tentoongestelde voorwerpen. Lijkenlucht liegt niet.

Het zijn de Poolsche eretekens, Poolsche schouderstukken, Poolsche munten, heiligenmedalies, een onderscheiding met de spreuk: “si vis pacem, para bellum”. Het zijn Poolsche naamkaartjes, hartroerende Poolsche brieven aan geliefden en naastbestaanden: daar ligt een foto van een vrouw met haar kinderen aan een zonnig badstrand, een ingangskaart tot de salons van Monte Carlo. Alles getuigt van onloochenbaar leven, leven dat werd onderbroken, dierlijk wreed, zonder enige reden.

Op eenigen afstand van het museum ligt een hoeve, een boer is er aan het werk met zijn zoon. Op eigen houtje treden wij nieuwsgierig nader. Hij groet ons uitbundig en het komt tot een gesprek. De zoon  –  een negentienjarige met stille blauwe oogen – vertaalt in ordentelijk Duitsch. Hij was een grootboer geweest, verklaart de oude met vertwijfelde gebaren: vijf koeien en twee paarden had hij gehad. De rooden waren gekomen, zij hadden alles in brand gestoken, hèm hadden ze naar de Solovietsky eilanden versleept: acht jaar lang had zijn verbanning geduurd. Met de vuisten duwt hij de wangen in, hij doet ons een wankele stap voor, en kreunt. Doodmager, uitgeput was hij terug gekeerd. Eén woord Duitsch is hij machtig het is “Jude”;  –    dat woord keert telkens terug, uitgesproken met machtelooze woede en pijn. Nu heeft hij zijn hoeve heropgebouwd, hij legt de laatste hand aan een badhut uit ruw gehouwen dennenstammen : trotsch toont hij ons zijn werk. Ook de zoon wijst naar rechts : “Gemüsegarten!” zegt hij.

’s Namiddags doen wij een groepswandeling door de stad Smolensk. Op zichzelf goed gelegen en oorspronkelijk schilderachtig aangelegd, is zij door de rooden hopeloos verknoeid. De vestingmuren, indrukwekkende wallen en boektorens door Boris Godoenov gebouwd, vallen langzamerhand tot puin : stijl- en smaakloze partijgebouwen ontsieren plomp het stadsbeeld, tusschenin liggen de hutwijken, waarin de bevolking huist. In het park zijn de bomen vol kraainesten, de zwarte vogels krassen ten allen kant boven de puinen. Wij staan voor een sportveld door de rooden aangelegd: rondom zien wij de geijkte standbeelden uit gips, enkele zijn half vernield, en herleid tot geraamten van ijzerdraad. Alleen de schouwburg is een poging tot stijlvollen bouw de rood-marmeren korinthische zuilen doen vreemd aan te midden de modderpoelen op de plaats. Aan de kathedraal, bedoeld als zij was als zienswaardigheid voor de Intoerist-kantoren, hadden de bolsjewisten niet geroerd ; doch onder aan de ikonen  –  merkwaardige kunstwerken in geel koper – hadden zij spotschriften aangebracht.

Brussel-Smolensk : het was een korte reis, die slechts enkele dagen duurde, doch heel den afstand die de twee steden scheidt hebben wij terdege kunnen beseffen, een afstand grooter dan louter ruimte. Het is de afstand tusschen de steppe en de Germaansche Noordzeevlakte, tusschen, het land der moesjiks en dat der eerste Hansasteden met hun oude adellijke  kultuur, tusschen het herlevende Vlaanderen en het door Joden misleide Sovjet-Rusland. Voor het massagraf te Katyn vooral hebben wij begrepen wat het beteekent door de roode Tsaren te worden geregeerd. Ten overstaan van deze duizende dooden is geen leugen meer mogelijk. Vraagt men wat het bolsjewisme is, dan bestaat daarop een allesomvattend antwoord: “gaat U vergewissen op den Kosegory-heuvel, bij de doodenkuilen van Katyn.”

Foto uit het originele Duitse rapport: leden van de “Europäischen Schriftsteller-Vereinigung” voor het massagraf, mei 1943, ergens daartussen staat Nand:

De originele reportage van “Die Deutsche Wochenschau” Im Wald von Katyn’ uit 1943. De beelden zijn onscherp, maar zeer expicliet, niet geschikt voor gevoelige kijkers…

Net als de foto’s over deze opgravingen zijn de deelnemers aan het bezoek moeilijk herkenbaar: de hoed vaak diep over het hoofd, lange, donkere jassen alsof ze niet willen herkend worden. Toch heb ik geprobeerd Nand te zoeken, op minuut 07:42 komt een man links in beeld die gelijkend is, maar het blijft onzeker.
Ik heb een still van dat beeld gemaakt met daarin een andere still: de close-up van Nand tijdens het Weimar Dichtertreffen twee jaar eerder in 1941 (zie filmpje op betreffende pagina), omdat beide gezichtshoeken merkwaardig gelijkend zijn:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *