Celjaren: Aantekeningen in de marge – gevoelens

Nooit zal Nand rechtstreeks over zijn gevoelens schrijven tijdens zijn jaren in de gevangenis. Er is geen “dagboek” waarin de dagelijkse emoties beschreven worden, iets wat Sim bv wel nalaat. In het geval van Nand zijn de aantekeningen “in de marge” naast de gedichten en teksten de enige uitingen van zijn innerlijke gevoelswereld op dat moment. Het is één van de kenmerken van zijn karakter: de enige manier om zichzelf te “openen” is via zijn kunst. Dat is ook één van de redenen waarom hij 20 jaar later zijn memoires schrijft, om inzicht te geven over de gevoelens die aanzet waren om een bepaald gedicht, tekst, tekening of schilderij te creëren op een welbepaald moment.

Voorbeelden:

Interneringscentrum Merksplas:

Bij het gedicht “Fata Morgana”, 13 november 1948: “nog altijd geen vuur / kachel geen kolen! Roet! / Schouwvegen ! / Kouw! /”.
Opmerkelijk: onder dit gedicht schrijft Nand ” ‘n Paar dagen later kwam een brief van haar!”. Deze brief nog niet gevonden in zijn archief (mocht die nog bestaan) evenmin als wie die mysterieuze “haar” wel mag zijn…

 

Dit gedicht kwam terecht in de bundel “De Gouden Helm”, uitgegeven in 1951, die enkel celgedichten bevat:

enkele dagen later:

“15.11.48 nog geen vuur! Kauwennest in de schouw. Hopen vuil. alles zwart”

Voorbeeld bij het gedicht “Tibetaans Masker” (oorspronkelijk stond er ‘Tibetaans Mombakkes’): “Kerstdag 1948 / Op gedragen aan de minister van Justitie! / Naar aanleiding van het verbod op vrijlating! / Onmensen! / :

Dit gedicht is later in geen enkele bundel opgenomen, niet te verwonderen, het is atypisch en waarschijnlijk ingegeven door de emotie van het moment. Hieronder de uitgetikte versie, maar hier en daar is het gokken naar wat er juist staat:

TIBETAANS MASKER

Het oog is half geloken
of ’t loom naar binnen ziet ,
naar ’t ongepeild gebied
voor zon en maan verdoken.

De mond grimt schuw, de tanden
glinsteren als bedeesd ,
zij zijn als bij het beest
scherp en met schuine randen.

Met geel verlepte lieren
glim ’t aanschijn zonder nek ,
de neus ontspringt tot bek
gesnaveld als bij dieren.

Ik treed stil voorbij, uit vreze
dat ’t smeulend ding ontstelt ,
(..?..) in geil geweld
staat in ’t voor te lezen…

(doorkruiste strofe)

(geschrapte strofe):

(Ik zie bleke ogen puilen
ai!. of ik slaap of waak ,
in bloed-bedwelmd vermaak
kwijlende tanden huilen)

“In de duisternis – laatste avond in ‘t rommelkot. Mag geen licht meer maken (omdat straatkant)”

Een aantekening die veel vertelt over hoe Nand zich optrekt aan de aantrekkingskracht van de vrije ruimte buiten en dat gevoel gebruikt om een gedicht te schrijven:

“26.11.48. Verhuisd naar dakkamer. Vrieslucht. Heerlijke sterrenlucht. Wederzien!”

De lengte van het gedicht ondersteunt het overweldigende gevoel, Nand nam het in 1951 op in de bundel “De Gouden Helm”, de tweede bundel met enkel poëzie geschreven tijdens de gevangenisjaren:

 

“Rama Yantra”: “Rama is one of the many popular figures and deities in Hinduism, specifically Vaishnavism and Vaishnava religious scriptures in South and Southeast Asia. (…) Rama is the personification of pure thoughts, noble virtues and utter triumph. Rama is a warrior and is relentless. He is a winner, is absolutely self-righteous and compassionate. There is nothing he cannot do. The positive energy of Rama will remove any disturbing thoughts and give mental peace so that one is focused and clear, with the attitude of a winner. It will stabilize the mind and provide an unblocked flow of positive, goal-oriented thoughts.”

Zie ook: “Rama Tapaniya Upanishad.