Derde Brief

DERDE BRIEF

Lieve Patricia,
Hebt gij ooit wel eens naar den sterrenhemel opgekeken, niet zo maar in ’t voorbijgaan als men eens omhoog ziet om te raden wat voor weer het wordt, maar met den bewusten blik die rekenschap geeft van de volledige werkelijkheid? Hebt gij dat gedaan? Dan kan ik U meteen zeggen dat het was met een gevoel van onbeschrijflijke verbazing. Het kan niet anders. Men moet den stralenden nachthemel zie op zee b.v., of in het open veld, op de heide, ver van het stadslawaai, en daarbij roerloos stil blijven, zodat heel de ontzagwekkende stilte van het Al tot U kan doordringen…
Dwars door den hemelkoepel heen, van kim tot kim, snijdt het nevelig licht van den Melkweg – een band van duizenden en duizenden sterren, zo dicht bezaaid dat zij tot een onafzienbare waas vervagen. Tracht U voor te stellen dat deze Melkweg(1) de buitenste rand is van een onmetelijk wiel, waarvan wij slechts de helft kunnen zien, en dat wentelt en wentelt, immervoort de ruimten in. Dat is onze “sterrenstad”, bevattend zowat één miljoen sterren. Daarnaast, daarboven, daar rondom, in de zwarte verten van het Al, wentelen nog een paar miljoen dergelijke wielen, sedert eeuwen en eeuwen, als een geruisloos uurwerk tot het einde der tijden. Aan onze hemel komen die onzeglijk verre heelal-eilanden voor als nevelige stipjes.
Bedenk dan dat elke tintelende ster een vuurhaard is zo als onze zon, meestal nog veel groter, dat daarrondom nog planeten kunnen wentelen die uit zichzelf geen licht geven; dan krijgt gij bij benadering een beeld van de oeverloze ruimten waarin wij leven. Is het niet om te huiveren? Wat is onze duistere aarde een nietig kaatsballetje in de grondeloze diepten van het eeuwig nachtelijk Al! En wij wentelen met dat stukje speelgoed mee, en wanen onze vreugden en smarten belangrijk…
Wat heeft tegenover die huiveringwekkende werkelijkheid nog belang? Wat geeft het of wij sterven of leven, lijden of gelukkig zijn?
Het Al is miljoenen jaren oud, zal nog miljoenen jaren na ons bestaan. Wat zijn de enkele jaren van ons leven daarbij vergeleken?
Maar wij leven nu eenmaal: wat dienen wij te doen? Ons hoofd, zoals de volksmond zegt, in een zak steken en de wereld bedanken? En vlucht dus? Vluchten brengt geen oplossing – het is een lafheid. Zullen wij ons laten overweldigen, ons moedeloos laten ter neer drukken, ons
(2)
gewonnen geven? Dàt ware zwakheid. Wat dan? Niets anders dan dit: iedereen dient zijn man te staan. In de natuur haalt het de sterke. Het leven is een krachtproef, laten wij het aandurven. Ook de meisjes en de moeders, zij wellicht in de eerste plaats, daar hun de hoede van het wassende leven is toevertrouwd. Ik zou het hun willen toeroepen: houdt het oog gericht op de glinsterende bakens naar Gods verheffende Aanwezigheid, de sterren, en gij zult klein noch kleinmoedig handelen. Schouwt onbevreesd de duizelingwekkende ruimte in: uw oog zal wennen aan hun diepte, gij zult dingen met groter maatstaven leren meten, de maatstaven die de Ongeziene zelf aan zijn raadsbesluiten aanlegt. Doordrenk U met de hoge onaantastbaarheid der nachtstilte, zij zal U haar wijding mededelen, en als een ster zult gij tot de mensen terugkeren, een ster die het helderst schijnt in dichte duisternis. Gaat dan uit en ontdek de wereld rondom U, niet als geslagenen, niet als ontredderden, maar met blijheid en durf. Aanvaardt de dagelijkse taak met vreugde, en geniet van Gods gaven, zoals het den mens betaamt, met mate.
Tot alle jonge mensen ter wereld zou ik willen roepen; zijt wat gij zijt, mensen, jonge mensen, en blijft het! (2)
Is het geen voorrecht te leven? Wellicht hebt gij dat al ondervonden na een zware of langdurige ziekte, hoe onvergelijkelijk heerlijk het is het gezonde leven door uw leden te voelen bruisen, weer in het bezit te komen van uw krachten? Hoe verrukkend is het niet weer om zon op uw gelaat te voelen, te lopen over lentelijke velden, door geurende bossen, langs de wijde zilte zee! De beroving leer ons wat het is te bezitten en ons bezit te waarderen. Zij die jaren in een enge cel zaten opgesloten, ver van zon en wind en regen en sneeuw, weten wat het betekent te ontwaken in de vrije natuur, de heide te zien bloeien, den specht te horen gieren in het hout, parelmoeren wolken boven zijn hoofd te weten glanzen. De wereld te mogen beleven, mensen lief te hebben, te luisteren naar verheven muziek, zelf het wonder van de schepping te ondergaan en te zingen zoals de merel en de leeuwerik, welk een zeldzaam voorrecht! Laten wij dankbaar zijn dat het ons gegund is te leven en mens te zijn, d.w.z. bewust te leven, te kunnen denken, willen. Met zijn gedachte het bestaan aan te durven, te vorsen en te peilen, met zijn wil als een edel zwaard het strijdperk in te trekken, welk een uitzicht!
Daar woelt de onbekende en heimelijke wereld die ook huist in ons, die tussen ons wezen en de buitenwereld vreemde verbijsterende spanningen wekt, als de donkere roerselen van het Zijn, die wij, als een rustige ruiter zijn onrustig ros, met één trek van de teugel kunnen bedwingen, richten, verwinnen.
(3)
Ik weet het wel: de zege ligt, als wij de wereld betrachten, meer dan ons lief is, aan de zijde der duistere machten. Maar de strijd is niet minder schoon al bezwijkt men in den kamp. Roeland zieltogend in den bergkloof van Roncevalle(3), Siegfried die een speer in den rug neerstoot(4), al gaan zij ten gronde. Hoofdzaak is dat men “zijn man staat”, niet versaagt, zijn bezinning niet prijs geeft.
Bezinning, koninklijke gave!
Elke mens heeft de macht van de zieneres vanouds: te schouwen boven het eigen hart, boven mensen en tijden uit. Voor deze macht moet hij blijvend worstelen, als een vaandrig om een vlag. Maar wat een troost te kunnen turen in het helder kristal waarin de steigeringen van het felle leven opdoemen, de wenteling der tijden ademloos te volgen, het bruisend verleden naar een verre toekomst te zien aanrukken, en terzelfdertijd te weten dat men daarin zijn plaats heeft, en met een daad, hoe onbetekenend ook, de richting dien daverenden stroom kan helpen bestemmen!
En dat kristal, wat is het anders dan verbeelding en gemoed, vooral bij de jeugd? Het hart van den jongen mens trilt mede met de bewegingen van het rumoerig leven, het luistert ontroerd, verbaasd, ontsteld en toch aangetrokken door dat verward en ontzaglijk geluid.  Vroeg of laat hoort alle jeugd den roep van het leven; en van haar antwoord hangt heel haar toekomst af. Jeugd is een zending, altijd heeft voor haar het leven zin. Zij kan zich van haar taak afwenden en denken aan eigen voldoening, maar dan ontvlucht zij haar verantwoordelijkheid, en laadt op zich een schuld.
Wat is dan haar zending, zult gij mij wellicht vragen. Niets anders dan wat ik hoger neerschreef; te zijn wat zij van nature is. Jeugd is jong zijn: dat zij derhalve haar verjongende macht belijde. Laat haar heel haar fonkelenden schat, haar durf, haar edelmoedigheid, belangeloosheid, met één woord, haar ideaal, in een verouderende en troebele wereld uitstrooien. Haar liefde zij de klaroenstoot die boven de vertwijfeling uitklinkt; haar liefde zij het teken dat verbindt en verzoent.
Het is waar: niet iedereen is geroepen tot leiderschap, doch iedereen kan, door eender welke opdracht, hoe onbelangrijk ook aan den groten opbouw medewerken. Er zijn briljanten die den gloed van den karbonkel verhogen; éen dauwdrop kan een nietig bloesempje doen stralen van licht. Zo kan een knappe student als geleerde de wereld onschatbare diensten bewijzen; en het stichten van een gezin, in
(4)
een geest van schone levensaanvaarding, is een daad die zwaar is van toekomst.
Daar heb ik het woord opvoeden neergeschreven, en ik ken het belang voor de jeugd van een stemmige omgeving en opbeurende voorbeelden. Maar ik blijf overtuigd dat de beste opvoeder voor de jeugd de jeugd zelf is. Echte jeugd put uit zichzelf, uit het eigen wezen de wetten die het volgen wil. Trouw, eer, tucht, zelfbedwang, de jeugd is zo rijkelijk begaafd met de deugden waaraan onze samenleving nood aan heeft. Wel weet ik dat, geheel aan zichzelf overgelaten, zij vaak met haar krachten geen weg weet, maar de opvoeder dient alleen met een bescheiden gebaar den aangeboren drang te richten. Met geheel zijn hart zal de jonge mens het beste uit zichzelf tevoorschijn roepen, en zijn genoten een levend voorbeeld voorhouden. Jeugd geloofde ten allen tijde meer in den meester dan in zijn leerstellingen, en ziet het liefst naar de daad van haarsgelijken op. Ouderen kunnen haar leiden, maar jeugd beziélen kan jeugd alleen. Van haar jonge helden neemt zij haar wachtwoorden over. En ervaart zij dat er op zoveel vragen die haar bestormen geen antwoord is, toch zal zij haar man staan. Hij zal de wacht optrekken, een trouw soldaat, ook al kent hij de bedoeling niet van het gegeven bevel, ook al beseft hij niet waarom deze opdracht hem werd toegewezen.
Jeugd vindt haar ware persoonlijkheid als zij zich kan wegschenken; het is haar harts verlangen in dienst te staan van een zaak die ij groter acht dan zichzelf. En zij spant zich voor haar taak in met welgevallen. Het is haar zuivere vreugde te dienen. Ver van haar te verarmen of te hinderen, verleent deze overgave haar een zonnigheid die de glans van het leven is. Heerlijk schitteren ogen die geloven, onbewimpeld klinkt het woord dat leugen en laagheid haat. Eerst het ideaal maakt de jeugd tot jeugd. Tucht maakt het koen en rijk en verdubbelt haar macht. En zij blijve jong. Men werpe haar geen ingewikkelde levensproblemen voor. Niet voor haar zijn de dorre redekavelingen die alleen volwassenen aanbelangen. Onze generatie is dezen weg opgegaan en velen verstarden, vroeg oud. Wij hokten bijeen in muffe lokalen, rokten pijpen als bebaarde houthakkers, twistten over de politiek, sleten hele zomervakanties in stoffige toneelzalen, en dachten daarbij aan “jeugdbeweging te doen”. Intussen bloeide in de schorren het zeldzame limoenkruid, ruisten de bossen in koele stilte, stortte de zee lauw tegen blakende duinen…
(5)
Dergelijke beschimmeld opvattingen zijn, geloof ik, voorbijgestreefd; gelukkig ook. Men snoere de jeugd een rugzak over de schouder, men bedenke haar met zwaar benagelde schoenen, en dat zij haar gang ga, de verten in, over berg en dal. Laat haar mensen en dingen leren kennen van dichtbij, zeden en gewoonten van hier en elders ter plaatste bestuderen, resten van vroegere beschaving opsporen, leven met wind en weer en jaargetijden, zodat haar wezen met de wondere roerselen der aarde meetrilt. Dan zal zij leven, natuurlijk en eenvoudig met duin en heide en bos. Zij zal haar longen openzetten voor zuivere lucht, baden in zon en zee, terugkeren gestaald en niet ontreinigd. Gezondheid strale dan uit haar blik, gezondheid van lijf en geest, die haar omgang met anderen, ’t zij jongens of meisjes, in kameraadschap of later in klare, open liefde, onaantastbaar beheerst. Gezondheid uit eerbied voor het leven, uit vreze voor het geslacht, welks lot zij eenmaal zal bepalen.
Geen vlucht uit het leven dus, geen angst voor de “gevaren” der vrijheid. Men leert niet sturen aan wal, maar op volle zee, in stroming en wind. Beroof de jeugd niet van haar vrijheid, ver van het gevaar is het niet moeilijk sterk te zijn. Zij lere haar vrijheid te gebruiken, ook al kost het kneuzingen; struikelen is niet vallen, en struikelen is beter dan ineenstorten. Ten allen tijde was het waar: wilskracht wordt niet beoefend aan moeders schorteband, maar in het gedrang, daar waar daden worden gesteld. Velen heb ik gekend die nooit leerden de vrijheid te beoefenen, en, eenmaal voor de verleiding gesteld, er reddeloos aan ten gronde gingen. Jeugd ga dus moedig haars weegs, gewapend met ons vertrouwen, en ons vertrouwen waard.
Het worde haar levenshouding, de zin en het bindteken van haar bestaan. Dezelfde geest zal haar arbeid, haar studie, al haar inspanningen bezielen en bevrijden uit den lomen tredmolen van doem en dwang. Hier ligt de oplossing voor de vele botsingen die de gemeenschap, ja, de wereld verscheuren. Wat een band tussen standen, tussen de volkeren zelf kan zulke jeugd niet leggen! Het scoutisme is een stap in deze richting, alhoewel het mij wil voorkomen – ik heb ook nog het khaki hemd gedragen! – dat deze beweging niet als plant uit eigen bodem is gegroeid, wat haar levensvatbaarheid moet schaden. Aan volksdans, folklore, heemkunde, natuurlijke en nationale waarden bij uitstek, wijdt zij mijns erachtens geen aandacht genoeg. Laten deze waarden evenwel geen grenzen van naijver en haat tussen de volkeren opwerpen. Jeugd is grootmoedig: haar blik zal verder reiken dan den dorpstoren, verder dan de eigen grenzen, en niet blind blijven door de verten waar een jeugd woont met andere bestemmingen, Wij ouderen ook,
(6)
dankzij moeizame ervaringen, horen niet meer tot diegenen voor wie de wereld ophoudt aan de landsgrenzen, en het overige “terra incognita” heet. Daar bereiken ons stemmen uit alle kimmen, en ons hart wordt onrustig bij elk geluid. Als kinderen hebben wij gezongen “de wereld in” – het heeft lang geduurd eer wij dezelfde leus bewust zouden aanheffen. Eerst moet het woord bloed van ons bloed worden, en ziel van onze ziel. Doch nu weten wij het met hoge zekerheid die zingt in den klop van ons hart. Het nabije verleden met zijn kleinsteedse idealen, met zijn burgerlijke vooroordelen, het grabbelen naar doeleinden die de moeite niet lonen, ligt onwederroepelijk achter ons. Dit betekent niet noodzakelijk uitwijken; dat ware voor de meesten een onmogelijkheid. Voor velen zal het de roepstem zijn van de zee, en de weg over de wereld die onze voorzaten hebben gewezen, voor anderen koloniale mogelijkheden, voor anderen nog zullen het ondernemingen zijn in het buitenland, mijnen, bruggen of wat ook. Het blijve inderdaad niet bij levensvreemd gedweep. Harde lessen hebben ons geleerd dat het leven niet bedwongen wordt door leuzen en toverspreuken, maar door overleg en geduldige daden. Ik twijfel er niet aan dat de hedendaagse jeugd dit inziet. Sommige jongeren zullen in de soldaten-uniform een toekomst zien die beantwoordt aan hun verlangen naar beweging in tucht en hooggestemde weerbaarheid, de wereldomspannende bezigheid van den diplomaat en zijn vernuftig spel mat het lot van staten en volkeren zal voor enkelen zeker een aantrekking zijn. Hoe ook, een jeugd die staande op den bergtop van haar koene gedachte het wijde levensvergezicht meet en aandurft, herschept alles met den gloed van haar geestdrift. Een loopbaan maakt zij bezield tot een zending; een broodwinning wordt een opdracht die zij uitvoert krachtens haar wezen.
Dit zijn uitzichten, Lieve Patricia, vluchtig en met de losse hand geschetst: hier ga ik daar niet dieper op in, want gij vraagt U waarschijnlijk af of deze beschouwingen niet eerder aan en jongen dan een meisje dienden gericht, en of het geen geval van dichterlijke verstrooidheid geldt.
Ik kan gerust neen antwoorden. Ik ben de mening toegedaan dat het niet heilzaam is het meisje onwetend te laten over levensvraagstukken in verband met de toekomst van den jongen man. Eenmaal zal zij als moeder mede te beslissen  hebben in het kiezen van een loopbaan voor haar zoon: het is van het hoogste belang dat zij hierin worde voorgelicht, om zelf op tijd en stond met kennis van zaken en gezond oordeel te kunnen meespreken. Moederschap is niet een vraagstuk van zui-
(7)
gelingen-verzorging alleen. De taak van de moeder is het moeilijkst als de boreling een flinke rusteloze knaap is geworden, zijn eigen wegen wil gaan, en tegenover de lieve glimlacht van het “zwakke” geslacht, zichzelf ene hele veroveraar gaat wanen.
De vrouw is van nature aangewezen op het gezin: zij is in de eerste plaats de opvoedster van haar kinderen; en als dusdanig moet zij tot haar leidende taak voorbereid zijn, als levensgezellin van den man, heel zeker, maar vooral als hoedster van het geslacht. Daartoe is ene eenzijdige vrouwelijke opleiding met inwijding alleen in deze zaken die uitsluitend tot den vrouwelijken levenskring horen, zoals borduren, strijken, koken, niet helemaal toereikend. Ver van mij deze hoogst belangrijke bezigheden te versmaden, ik ben integendeel de eerste om ze te waarderen. Ik ben overtuigd dat een gezellig en ordelijk huis een onmisbare voorwaarde is tot een gelukkig huwelijk. Een smaakvol binnenhuis sluit de wereld buiten en houdt het gezin bijeen. Doch hoe warm ook het nest, eens vliegen de jongen uit, en het lijkt mij onontbeerlijk dat de moeder eens in staat zij haar zoon mede te helpen richten in het kiezen van een beroep. Daartoe moet zij in het openbaar leven en zijn raderwerk, in de eisen van bepaalde beroepen in de veelvuldige mogelijkheden die hem een toekomst bieden kunnen, een inzicht krijgen. Dat zij dat uit zichzelf intuïtief allemaal zou aanvoelen ware te veel eisen. Ik ben niet blind dat hierin een zeker gevaar schuilt: dat zij aan haar knaap of knapen een vooropgestelde loopbaan zou voorschrijven zonder hem de gelegenheid te geven zijn of hun zin te doen. Voor alles dient met het verlangen van den betrokkene – verlangen dat dikwijls voorbeschikten aanleg betekent – rekening gehouden. De taak van de ouders is hier op taktvolle wijze richting te geven, niet met dwang een loopbaan op te dringen, een houding die vroeg of laat een ramp of tenminste een mislukking zou kunnen veroorzaken die hete het verdere leven van de jongen beklemt.
Ik geloof dat het opwerpen van al te voorzichtige scheidsmuren tussen de geslachten in de opleiding van het meisje – zoals trouwens ook in het gemoed van den jongen – leemten nalaten moet. Een normale gezonde omgang in natuurlijke voorwaarden is op zichzelf een hele scholing. Niets is zo volkomen nutteloos als levenswijsheid in theoretische voorschriften, en het is niet in handboeken dat de moeder het leven leert de benaderen en te begrijpen. Haar taak kan samengevat worden in de woorden: het scheppen van een sfeer. De moeder wekt door haar verschijning alleen een geest van vertrouwelijkheid, rust, orde, en hetgeen alles bindt alles voorkomt en alles heelt: liefde.
(8)
De wereld die zij opbouwt, zal zijn wat deze liefde is, blijmoedig, plichtbewust open voor schoonheid en klare daden, of levensvreemd, besloten, op eigenbaat afgestemd. Een moeder in de schoonste opvatting is een wijding, die geen vaste hand uitsluit, een alom aanwezige stilte. In dit zonnig licht groeien de kinderen op als planten tegen een zonnigen muur, onbewust geleid naar bloesem en vrucht. Eerst veel later beseffen zij dat zij deze of gene goede eigenschap of verworvenheid rijker zijn. En dan komt deze wetenschap als een openbaring. De jeugd van een volk is wat zijn moeders zijn, aan de moeder dankt elke mens “wat goed in zijn leven is”. Wie een moeder heeft, die mag – vandaar zijn wij vertrokken – onbevreesd naar de sterren kijken. Hij zal niet  vertwijfelen. Haar liefde verzoent hen met het bestaan, en van de liefde zong Dante dat zij de sterren doet bewegen(5). Da-ag!

 

Noten bij de Derde Brief

 (1) Zie ook het gedicht van Nand: “Melkweg” (geschreven in gevangenschap, 21/1/’47):

o Wiel van sprankelend vuur dat door de ruimtenacht
wentelt en wentlen moet, geluidloos door de tijden,
kringloop van louter licht waarin de zonnen rijden
in koene regelmaat op eigen blinde kracht,

lukraak geworpen ring, geen einde geen begin,
niets dan een fonklend rad in ’t raderwerk der sferen,
dat ijlt door ’t ijle Niet om nimmer weer te keren,
duizelingwekkend snel de holle afgrond in,

wij wentlen wentlend mee in blind bewogen vaart,
een mensheid met haar hoop, haar bloed, haar puin, haar graven,
een aardbol klein en zwart bij dag noch nacht ontwaard…

En luide leert de mens zijn wijsheid en zijn wet;
hij haat en moordt en bidt terwijl de zonnen draven…
En ik ben mens door U, God’s vurig rad, verplet.

(2) “zijt wat ge zijt en blijf het”: opmerkelijk dat Nand hier dezelfde formulering gebruikt als Sims moeder wanneer haar dochter naar de gevangenis werd gebracht: “Kind wees fier en blijft wat ge zijt”, zie Celdagboek 1 en Interview Sim Deel 1 nr.3.

(3) Roeland / Roncevalle: uit de Middelnederlandse ridderroman “Het Roelantslied” (Le Chanson de Roland”:

“Toen legde Roelant onder zich
zijn hoorn Oliphant en zijn zwaard Durendal
Hij bad Gode met zoeter bede
dat hij hem naar het paradijs geleidde
Spanjewaarts keerde hij zich weer
ende viel ruggelinge neder
dat niemand en zeggen mochte,
dat Roelant de strijd niet ten einde had gevochten”

(4) Siegfried: Oud-Germaanse sage: de “Siegfried Sage” is het eerste deel van het “Nibelungenlied“. Siegfried is onkwetsbaar, behalve op een klein plekje op zijn rug. Door een speerstoot op die plek wordt hij gedood in opdracht van een liefdesrivaal.

(5) Dante (1265-1321): in “De Goddelijke Komedie” / “La Divina Commedia”