Tweede Brief

(1) TWEEDE BRIEF (uitgetikt manuscript)

Afbeelding eerste bladzijde:

Lieve Patricia,

Het is herfst. Uit de boomkruinen fladderen de gele bladeren neer, zij ijlen op den wind hoog boven de daken. Honderden roeken zwermen krijtend door de luchten; meer en meer gaat het zonlicht te loor in klammigen mist. Het is haast winter. Is dit niet vreemd, lieve, deze onafwendbare kringloop der natuur, met den onvermijdelijken weerslag in ons gemoed, telken jaren terugkerend, telken jaar omstreeks denzelfden tijd?

Eigenlijk is het eenvoudig. De aarde draait om de zon; in den winter zijn wij er niet zo onmiddellijk door beschenen als in den zomer En daar: het is verklaard!

Maar.. Dan bestormen ons eerst de vragen. Hoe gebeurt dat alles, hoe komt het dat uit de harde grove aarde in de gewassen voedende sappen opstijgen, zodat zoet geurende bloemen ontluiken, en kort daarop donzige, sap-gezwollen vruchten wegen aan den boom? De afstand van ruige aardklonten naar rood gloeienden wijn is zo groot..

Voor het mysterie van het leven staan wij hulpeloos. Wie zal het ons verklaren? Men zegt ons, zowat op den toon van den Prediker(19): alles is scheikunde, “chemische reactie”, blinde wet.. Bevreemdend is het dan wel dat geen laboratorium ter wereld ooi een levend wezen heeft kunnen scheppen. Als alles slechts een aangelegenheid was van vernuftige vermenging, dan had men allang kunstmatige legers kunnen opkweken, wat aan het land van den uitvinder macht en aanzien in de geschiedenis zou hebben verleend…

Dat aardse natuurwetten ons, aardebewoners regeren is vanzelfsprekend. Stof zijn wij, en tot stof zullen wij wederkeren(20). Ik herinner mij dat ik als kind voor deze sombere vermaning op As-Woensdag(21) telkens moest griezelen. Doch of men griezelt of niet: eraan ontkomen kan men niet. Zij wij echter niets dan stof? De catechismus(22) antwoordt dat er in ons ook een onstoffelijk beginsel is: de ziel. Maar ik beoog hier iets anders dan de ziel in deze opvatting. Ik weet dat ik mij in bepaalden ogenblikken zeer van mijn stoffelijken aard bewust ben: er zijn er andere waarin deze stof, als het ware vervluchtigd, zeer licht weegt. Daarmee bedoel ik niet alleen een grote vreugde b.v. die U wel eens kan meeslepen boven alle leed en beslommering uit, zelfs niet het denken en willen waardoor wij ons, zo bevestigt men, van de dieren onderscheiden, maar het vermogen dat omschreven wordt door het begrip “schouwen”, het inwendig zien, het begrijpen dat eerder een aanvoelen is, een zekerheid buiten alle redenering om, die ons als

(2) een plotse openbaring aangrijpt en overtuigt. Ik heb het hier ongeveer over de machten die Hamlet(23) bedoelde toen hij maande: “There are more things in heaven and earth Horatio, Than are dreamt of in your philosophy”(23). Ja, daar schuilen allerlei spanningen rondom ons en in ons, waarvan wij het bestaan ervaren als wezens die tasten in volslagen duisternis. Heeft iemand ooit voldoende verklaring gevonden voor de ingeving die niet alleen den kunstenaar, doch ook den wetenschapsmens en den veldheer onverwacht en volledig inlicht over den te volgen weg? Intuïtie zegt men. Doch een naam alleen geeft geen waarom. Het geldt hier niet een golf van onbewust raden opwellend uit het onderbewustzijn, maar dikwijls de uitgestippelde oplossing van een vraagstuk. Voor den dichter kan ik persoonlijk verantwoorden hoe hij ineens, zonder enige inspanning van het denkvermogen, het volledig plan van een toneelstuk, verdeeld over bedrijven en tonelen, wordt “voorgelegd”. Vreemd genoeg kan deze “inspiratie” hem op de meest buitenissige plaatsen overvallen, tot op den tram toe.. Daar, gekneld tussen een onverschillige massa dooreengeschud mensenvlees, zijn mij eens de beginregels van een schone bladzijde poëzie “ingeblazen”(24) geweest!

Aan deze belevenis is eigenlijk ook de niet scheppende mens deelachtig: maar dan op een ander gebied. Gij ook, lieve Patricia, zult wel eens het gevoel hebben gehad dat iets “zo hoorde te zijn” en niet anders, eenvoudig omdat een opwelling U had overtuigd. En wat zonderling aandoet: gewoonlijk heeft men daarbij het bewustzijn dat deze oplossing, deze gekozen kleur, dit voorgenomen ontwerp, als het ware reeds vroeger bestond, en dat het oorspronkelijke zo dicht mogelijk diende benaderd. Wij hebben wel eens denzelfden indruk als Dante Gabriël Rosetti, die uitroept: “I have been here before, But when or how I cannot tell..”(25). De Indische Yogi(26) spreekt van een vroeger bestaan. Dit zou de verklaring zijn, had zij niet zoveel van het sprookje… “Est deus in nobis” zei Vergilius(27), “er huist een godheid in ons”. En de heiden die hij was had meer eerbied voor het gebeuren in den geest dan de moderne psychanalist, die erin niets anders onderkent dan de domme strevingen van het dier(28).

Hoe ook, dit verheven weten is het voorrecht van begenadigde ogenblikken, en derhalve zeldzaam. Doch ook het louter zintuiglijk schouwen kan een hoge verheffende vreugde betekenen. Laten wij niet als blinden door het leven gaan, maar de ogen openhouden, luisteren, genieten in schoonheid, en met de bezonnen maat die elk genot verheft.

(3) De aanleiding tot dezen brief was het beschouwen van den kringloop der seizoenen. Winter, lente, zomer, herfst. Neem den winter. “Koude, sneeuw en ijs”, zal de verkleumde thuishokker morren, “alles ongemak. Dank U! Geef mij warmte.. Winter is een ramp voor wie nood heeft”.. Nood? Ik weet ervan mee te spreken. Ik ken de troosteloze verlatenheid van een ijskoude ruimte die uw denken verlamt, de rilling onder ijdelen kleerenlast, den strozak op de stenen vloer.. Twee winters was ik nagenoeg van alle verwarming beroofd(29), en ik begrijp den nood der arme lieden. En toch verminderde dat niets aan mijn verrukking voor het vlekkeloos wonder van vers gevallen sneeuw; voor het helder blauw van en vrieslucht, voor de saffieren schittering van den ijskegel aan de dakgoot.

Wat is dat alles in den grond? De natuurkundige zal U verklaren dat sneeuw niets anders is dan waterdamp die tot kristallen vervroor en waarin licht prismatisch breekt. En toch.. Was het alleen maar dat, hoe zou het den schoonheidminnenden mens kunnen ontroeren? Ik herinner mij een bijzonder zwaren sneeuwval gedurende de winter van 1939(30). Ik was in soldatendienst aan het Albertkanaal. Het had den gansen nacht door gesneeuwd, dichte zware vlokken, en ’s morgens hing in de kamer de bleke weerschijn van onbetreden sneeuw. Alles was smetteloos wit, stralend wit in de harde winterzon, en sprankelde van rode en blauwe vonken. De hoge dennen stonden roerloos in hun helder wit bont, rond en bol van vorm als zoveel sneeuwmannen. De ademloze stilte schonk aan het witte landschap een vreemde zuivere wijding. Zwaar bewapend als wij waren, was het lastig lopen in den lichten gladden grond, en er werd weinig vooruitgang gemaakt. Maar ik betreurde het ogenblik toen het teken tot terugtrekken werd gegeven: het was alsof ik uit een onbekende wereld terug moest naar de grauwe alledaagse aarde. Verbeelding? Gevoel? Niet helemaal wellicht. Er ligt in de dingen een macht, een wezenheid die goven het ding zelf uitstraalt over zijn omgeving. Er ligt in de dingen een ziel. En hoe minder de mens door grootstad en kunstmatig bestaan is aangetast, hoe meer hij in staat is haar geheimzinnige uitstralingen op te vangen. Om deze aan te voelen behoeft men de argloosheid van den eersten mens, of van het kind.

(4) Dan rijst elk natuurverschijnsel boven zijn zichtbare gedaante uit tot een zinnebeeld. Over mij komt immer een gevoel van ingetogenheid als ik denk aan de onvergetelijke sneeuw die winter en zomer op de bergtoppen glinstert. Beeld van ongenaakbare verhevenheid en tijdloosheid hog boven wen en wee van volkeren en mensen, hoe zou zij ons niet ontroeren? Ik zag helaas slechts eenmaal in mijn leven een hogen bergtop(30), en het was dan nog uit een aanzienlijke verte. Het schemerde rondom mij, voor mij glom in ’t laatste licht het rimpelloos gelaat van een meer  – doch ginds aan de kim, roerloos weerkaatst in den waterspiegel, straalde de hoge gouden kroon van den berg in den verdwenen gloed van de zinkende herfstzon. De top stond als een zuivere vlam aan de overzijde van het meer – de aarde verzwond reeds in de deemstering. Ik zag; en voelde mij aan de wereld ontstijgen, de berg gelijk, die met breden voet aan de aarde geklonken, in de hemelen, boven de duisternis uit; leeft van het licht dat op den grond niet meer wordt gezien.. En als opgeheven begreep ik dat de majesteit van de bergkruim den mens bij den aanvang der tijden als de woonplaats van de godheid moest voorkomen, ja, als de godheid zelf, naar dewelke hij opblikte met ontzag en vreze. Of hij Fudjijama(32) heette; Himalaya(32) of Olumpos(32), elk volk zag eenmaal in den geweldigen, eenzaam tronenden reus, een goddelijke verschijning, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, begaafd met leven, denken en gevoel. (In een Indische volkssage(33) wordt de van ouderdom grijze Himalaya zelfs verliefd..) En het eeuwig onbezoedeld kleed van sneeuw dat van zijn sneeuwwit “hoofdhaar” naar beneden golft, moest aan deze goddelijke gestalte niet weinig werkelijkheid toevoegen.

Ik stel mij dikwijls voor, Lieve Patricia, hoe heerlijk het moet zijn ergens in de zuidelijke zeeën den gordel van zuiver ijs te zien opdoemen, die langen tijd den mens alleen toegang tot de poolgebieden heeft ontzegd. Reine wal van optorenend ijs rondom verboden gronden, wat een voorstelling voor de verbeelding van een sprookjes-dichter! Nuchtere gelukszoekers, reizigers en voortrekkers allerhande, die het geluk hadden drijvende ijsbergen te zien, onthouden ons hun bevreemding en bewondering niet. Machtige gevaarten, hoog als rotsen en klippen, fonkelen zij als robijnen, smaragden en topazen, en bootsen bovendien den vorm na van bruggen, kathedralen en ruig gesneden obelisken, grootser dan ooit een mens aandurfde.

(5) Ontworpen en gebeeldhouwd door winter, wind en zee, komen zij ons voor als de verlaten woonsteden van een onwezenlijk poolvolk, eenzame brokstukken van een vergane wereld.

Eén nacht was het mij gegund met eigen ogen het wonderlijk gebeuren in het verre poolgebied gade te slaan. Het was toen ik, buiten getreden voor een avondwandeling langs de zee, plots stond voor een nachthemel ontstoken door de heerlijkste kleueren van den regenboog. Ik was jong nog, en opschouwend naar de brandende hemelen, voelde ik wat de verre voorzaat moet hebben gevoeld, toen hij duizenden jaren geleden, dezelfde vuurvlaggen aan den hemel zag waaien.. Angst, ontzag, vreugde en een huiverende verbazing. Over den helen hemelkoepel laaiden de rillende vuurtongen, rood, geel, helder groen, onrustig bewegend als de grillige dans der vlammen in een vuurhaard, doch reuzig hoog en in de zuiverste kleuren van het palet. De ganse wereld lag te laaien in de roes van een magisch tovervuur. Intussen ruiste de opkomende vloed, gloeiend met al de kleuren van den hemelbrand, alsof ook de wateren brandden.

Een enige aanblik was dat. Zo zelden zien onze streken het vuurwerk van het Noorderlicht. Maar de winter geeft aan onze Noordzee ook een indrukwekkend uitzicht. Zo dikwijls heb ik ervoor gestaan: zij heeft mij altijd geboeid, altijd verlost – want er is niets dat U zo uit de engheid van een klein bestaan bevrijdt als de gemeenschap, aangezicht aan aangezicht, met een ontzaglijke ruimte. Als deze ruimte geen dood land is, maar een bewogen zee, altijd eender en antijd anders, nooit geheel in rust, altijd andere luchten weerspiegelend, dan sleept zij U onweerstaanbaar mede in den drijf van haar eindeloze steigering, dan wordt uw denken en doen geheel door haar oergeweld beheerst.

Ik weet dat wintersorm op zee ook andere dan dichterlijke uitzichten biedt. Ons geslacht is de louter litteraire houding tegen over het leven ontgroeid, en voelt sociaal. Wie zijn kost op haar grillige beweeglijkheid zoeken moet, en door een zware noordwester bui wordt verrast, ervaart het aan den lijve. Doch de mens die het tegen haar woeden opneemt, heeft reeds iets van haar onverwinbaarheid in zijn bloed geërfd, want de zee is een dure school, maar een school. Staande op den dijk of op een sidderend schuim-overspoeld havenhoofd, heb ik dikwijls den kamp bewonderd van de stoere vissers aan het roer. De moede ogen rood gebrand door zeezout, ruig van baard in de lekende zuid-wester,
(6) heen en weer geslingerd op kantelende brekers, maar toch met vasten wil hun schuit de haven insturend, zag ik altijd in hen de verre nazaten van de ruige Noorderlingen die de geschiedenis “zeekoningen” heeft genoemd.

Een beetje trots heb ik mij altijd gevoeld, Lieve ptricia, (en gij zult mij deze zwakheid vergeven) geboren te zijn uit een dergelijk geslacht, en niet uit de talloze generaties landratten, scheef gegroeid op een kantoorkruk, of verduft achter een of ander kleinsteedse toonbank. Altijd is het mij geweest, van mijn jeugd af, alsof de zee mij riep. En als ik in het vroege voorjaar dan zuiveren wind uit de IJszee inadem, wind die over maagdelijk water vlak uit het Noorden naar onze duinenkust aanwaait, dan is het of een heel verleden in mij levend wordt en mij draagt de toekomst in, vaardig voor ik weet niet welke vervoeringen. Ja, de zee roept, en het bloed dat haar levenskreet begrijpt, antwoordt, en in dezelfde taal.

Zaagt gij ooit den toomlozen rit van storm-gedreven Noorderhemels? Haveloos en verscheurd, doen de vliedende wolgevaarten U sidderen van schroom en vervoering. Nu eens glanzend wit, zwaar van opgehoopten hagel, dan zwart en onheilspellend, dan weer gloiend rood, éen vlammende ruiter van watervlak tot hemeltrans, ijlen zij, uur na uur, van kim tot kim.. Dan begrijpt gij de geweldige droomgezichten van de saga’s die Walkuren(34) door de luchten doen steigeren, Wodan(34) horen voorbijdraven met zijn gevolg van dolende zielen, wijl Thor(34) met zijn bokkengespan over de bergtoppen jaagt en zijn donderhamer zwiert tot in de dalen.

Hoe zijn zij te beklagen die wonen in een land van altijd eendere zon, beroofd van barre winterheerlijkheid. Columbus(35) beschrijft ons de inheemse stammen op het eiland Guanahani(35), het eerste dat hij ontdekte, als loom en lusteloos. Zonder verlangens sleten zij hun lange, zon-beschenen dagen in moeiteloze ijdelheid. Onmeedogend door de bebaarde gelukzoekers van de Santa Maria(36) onder den voet gelopen, was na weinig jaren de oerbevolking van de paradijsachtige eilanden schier uitgestorven(37). Hitte verlamt; een fris klimaat spoort aan tot werkzaamheid. De geschiedenis wordt geschreven door mensen uit de gematigde luchtstreken, daar waar winter en zomer elkander afwisselen. En kan men het wonder van de lente ten volle beleven, indien men niet de duisternissen van den winter heeft doorworsteld?

(8) Zie, terwijl ik schrijf, kijk ik terloops naar de kalender op mijn tafel. De dag nadert waarop het gewijde winterzonnewendefeest zich voltrekt. In het hoge Noorden duikt op dezen dag de zon onder de kim, om eerst met Dertiendag(38) – ons Driekoningen – weer op te staan. Hoe vurig werd er sinds alle tijden het licht verwacht en verwelkomd! Oude kronieken verhalen hoe de mensen uit de dalen omhoog klommen naar den bergkam om het “eerste leeksken(39) licht” zoals Gezelle(39) het zingt, op te sporen. En als dan de zweem van een schemering het Oosten ontgrauwde, welke vreugde heerste er in de hofsteden aan de witte fjorden!

In onze volksgebruiken zijn deze oeroude overleveringen levendig gebleven. Gekerstend zijn zij uit onze kultuur niet meer weg te denken. Midwinter brengt ons het innigste, het meest huiselijke feest van het jaar: Kerstmis. En Kerstmis in de beeldende kunst, tot in de gewone prentkaartjes toe, die wij met vrome wensen elk toesturen, is niet voor te stellen zonder sneeuw… De ongereptheid van het sneeuwlandschap geeft aan het kerstgebeuren dan achtergrond van het sprookje.

En toch, hoe doortrilt ons een gevoel van opluchting, als enkele weken later na een lange winter, de sneeuw van de daken aan het droppen gaat, de cristallen ijskegels wegsmelten voor verblindende zon! Lieve Patricia, gij zult het ook wel eens bewust beleefd hebben: hoe opgetogen men vensters en deuren openwerpt, hoe verkwikkend de eerste lentezon lauw op uw wangen schijnt. Dan stijgt er uit de aarde een bedwelmende geur op. Griekracht en leven hangen in de lucht. Gij voelt in U tintelen een dwingende drang naar bezigheid en beweging. Algauw verrassen U nog onder de kwijnende ijskorst de eerste schuchtere sneeuwklokjes, en, waarachtig! Het is nauwelijks Maart, en daar zit die guit van een merel reeds te babbelen op het dak.

Het is een wonder waaraan men nimmer gewoon geraakt. Telkenjaar keert het terug, men weet precies wanneer, en telkens staat men ervoor stom. En wel met altijd groeiende verrukking. Goe ouder men wordt hoe minder men er iets van begrijpt. Jong, zien wij het wonder werkelijkheid worden, maar te vanzelfsprekend om diepen indruk te maken. Jeugd beleeft alles te zorgenloos, te onvbewust. Het leven is haar niet dan een spel waarin zijn onnadenkend opgaat.

(9) Wellicht voelt het meisje  de natuur dieper aan dan den jongen. Zij zoekt bloemen, vlecht kransen; haar moederlijk wezen doet haar het wassend leven van dichterbij volgen. Zij bergijpt. De jongen is baldadig en in zijn aandrang harteloos. Hij beklimt bomen, rooft vogelnesten, speelt “dief”; worstelt, zwemt, springt en slaat er desnoods op los. Hij denkt te weinig na, om de werekd rondom hem vragen te stellen. Opgroeiend doet hij dat wel, en dan komt, met de bezinning, het bewustzijn dat hij veel schone jaren heeft verspild zonder te begrijpen. Versta mij goed, Lieve, ik zou niet willen, indien ik een zoon had, dat hij ànders zou zijn dan alle jongens, en als een weekhartige slappeling zijn man niet zou staan! Meisjes houden ook niet van zo’n jongen, is ’t niet zo? Maar zelf ben ik mij eerst als man gaan afvragen hoe vogels die ik herhaaldelijk had gezien wel konden heten, wààr bepaalde gewassen te vinden waren.. Dan ben ik in den velden, in de bossen, in de duinen gaan zoeken, en het was mij, een bezigheid vol schone verrassingen, die mij niet weinig hebben verrijkt. Het ligt aan de opvoeding, aan het onderwijs. Wij worden ver van alle natuur met allerlei boekengeleerdheid volgepropt, en binstdien(40) gaat het leven ons voorbij, onbekend en onbemind..

Hoeveel mensen sterven zonder zich ooit eens te hebben afgevraagd hoe het mogelijk is dat een hele reuzige boom reeds aanwezig is in de witte kern van het kleine zaadje? Ik weet het wel: men kan ook zonder deze wetenschap leven; maar zou ons het leven niet aantrekkelijker voorkomen, zouden wij het leven soms niet meer liéfhebben, als wij meer in zijn schone verborgenheden doordrongen? Stel U het zaadje voor, verborgen in den grond. Een scheutje priemt naar buiten, het groeit, het splitst tot twee geledingen: het wordt een wortel en een stam. De wortel groeit loodrecht naar beneden, de stam loodrecht naar boven, naar het licht! Men moet dit op een filmscherm voorgesteld zien. Hoe het tere worteltje elken tegenstand omglipt, tussen elke ruwe aardkorrel tastend zijn haarfijne sprietjes uitzendt, hoe het wringt, zoekt, beweegt, hoe dapper het leeft.. Boven den grond gebeurt iets dat nog veel meer verbaast – maar zo zijn wij eraan gewend, dat wij het haast niet meer zien. Na enkele dagen of weken, is uit de grove, grauwe aarde een geurende bloemenkelk op gestaan! Neem dit broze wezen ter hand, en zie voor Uzelf. Wat een kunstwerk in miniatuur!

(9) Ik zal het niet beschrijven, hoe zou ik het kunnen? Een edele Juli-roos geeft U gedachten in, die woorden niet kunnen uitdrukken. Scheikundige wetten? “Chemische reacties”?.. Het wonder wordt alleen des te groter, des te vreemder. Hoe kunnen blinde cellen zoveel berekend schoons verwekken? En zegt men mij dat alles niet anders is dan ingeboren doelmatigheid, innerlijke noodzaak, (vermits “kleur en geur er maar zijn om insecten aan te lokken en de voortzetting van de plant te verzekeren”..) dan wordt dat voor mij een vraagteken meer. Hoe komt in deze onbewuste, van denken en voelen beroofde stof deze drang naar doelmatigheid? Erken met mij, Lieve, dat dit alles niet den gevoelsmens alleen boeit, doch ook hem die nadenkt over het wezen der dingen. Dan is het gebaar van het jonge meisje day de vers geplukte roos tegen haar lippen aandrukt, de enig mogelijke houding. Liefde, die het onbegrijpbare aanvoelt, en spontaan de kloof overbrugt waarvoor het vorsend verstand aarzelend tot stilstand komt. Zonderlinge kringloop: de denkende mens keert terug tot het roerend gebaar van het kind…

Liefde, inderdaad. Als men in den laten zomer den boomgaard binnengaat, en ziet hoe aan de plooiende takken de vruchten wegen, zwaar van levende sappen, dan moet de ontvankelijke mens wel tot dankbaarheid worden bewogen. Pluk dan een vrucht, en eet: een bolle appel, een sappige peer, een frisse perzik.. Hoe is het mogelijk dat de harde, zwarte aarde dergelijke zoete vruchten voedt? En wandel verder de korenvelden in, waar recht en roerloos in de zomerhitte de aren staan gerijd. Breek er een af, en wrijf de korrels in uw handen open: voedsel is het, dat gemalen en gezeefd, wordt tot zuiver wit brood, of gebakken in de oven van den boer, op tafel komt als stevige bruine roggesneden.

Ik blijf niet blind voor het afmattend werk op den akker, voor het rodod bezwete gezicht van den pikker, die ik zo dikwijls aan het werk zag in de brandende zon… De aarde geeft alleen wat wij aan haar vruchtbaarheid ontworstelen, maar zij gééft opdat wij leven.

Het was mij altijd een grote troost in het najaar te wandelen door de velden van mijn vlakke Polderland(41), in September, b.v. als de aardappelenoogst volop aan den gang is. Dan staat al het volk van de hoeve gebogen over de reeds vochtige aarde; in de verte ziet men de rode hoofddoeken der boerenmeiden als klaprozen op den akker. Over het koele landschap waart de wijding van een vervulling, een loom gevoel van verzadiging en voltooiing. De belofte van lente werd ingelost. Een laatste maal heeft de aarde gebloeid in de felle kleuren van een herfst; in een laatsten roes heeft zich haar levensverlangen vurig uirtsgesproken. De gloeiende dahlia is verbloeid; de zonnebloem heeft haar klaar gelaat nog eenmaal naar haar stralende moeder opgeheven. Dan legt zich de

(10) aarde, milde moeder, ter ruste voor den barren winter. Door de deemstering zweeft de scherpe geur van brandende kruiden; over de weiden sluipen de witte nevels aan die U heimelijk bij avond overvallen.

Ik heb het keer voor keer beleefd. Elk jaargetijde heeft zijn weerslag in ons denken en doen. Gevoed en bewogen door hetzelfde levensbeginsel, voelen wij aan den lijve den teleurgang van het leven in de natuur. Telkens is het of iets in ons wegsterft. Wij zien de laatste gretige opflakkering van de levensvlam in de hemelen en over de aarde, en verlangen even vurig nog eenmaal in akke volheid te genieten vóór het sterven… Doch dat verlangen is reeds niets anders dan luid opslaande weemoed omdat alles vergaat.

Een gewijde inkeer komt over ons, en wij denken na over leven en dood, vergankelijkheid en eeuwigheid – onvermijdelijkheden waarin wij ten slotte berusten. Wij voelen ons dichter bij onze geliefde doden; gelouterd en opgeheven gaan wij den winter in. Het is geen moedeloosheid: wij zien rondom ons alle afsterven, maar wij zijn getroost. Als de tijd zal vervuld zijn, keert alles verjeugdigd en stralend terug, gewekt tot nieuw leven.

Het is een grote zinnebeeldige kringloop dien niet kan nalaten ons te stichten. Al weten wij weinig, al zijn wij omringd met raadselen, er ligt in de dingen een treffende orde, waaraan wij wel niets kunnen veranderen, maar die vermag ons uit louter aardse tot meer bovenzinnelijke verten weg te rukken.

Sommige wijsgeren kennen het leven een goddelijke wezenheid toe; zij zien in alles God, tot in de kleinste openbaringen van het bestaan, niet als afstraling maar metterdaad. Zij zien God in een vlieg, in een kever, in het ruisende water, niet als een schepping van Zijn hand, maar als Zijn verschijning zelf. Wat is dat anders dan het Beginsel van alles vast kluisteren aan toevalligheden? Iets ander is: het Al te beschouwen als Zijn werk, van Hemzelf afgescheiden, waarin toch Zijn geest en bovenmenselijke wil worden onderkend – wil die wijst naar de Eerste Oorzaak, Vader van al wat is. Maar om U daarover te onderhouden ben ik, Lieve Patricia, niet beroepen. Da-ag! 

Noten bij de Tweede Brief

 

(19) Prediker:

 

(20) Stof zijn wij: zie Bijbel, Boek Genesis 3,19: “In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof en tot stof keert gij terug”.

 

(21) As-Woensdag:

 

(22) catechismus:

 

(23) Hamlet:

 

(24) ingeblazen:

 

(25) Dante Gabriël Rosetti:

 

(26) Yogi

 

(27) “Est deus in nobis”:

 

(28) modernen psychanalist:

 

 (29) twee winters:

 

(30) winter van 1939:

 

(31) een hogen bergtop:

 

(32) Fudjijama, Himalaya, Olumpos:

 

(33) Indische volkssage:

 

(34) Walkuren, Wodan, Thor:

 

(35) Columbus, Guanahani

 

(36) Santa Maria:

 

(37) uitgestorven:

 

(38) Dertiendag: Driekoningen > 6 januari is dertiende dag van de Kersttijd

 

(39) leeksken, Gezelle:

 

(40) binstdien: oude vorm voor ‘ondertussen’, ‘terwijl’

 

(41) Polderland:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *