1945-1946 Poëzie – Bundel in voorbereiding en tijdschrift “Nieuw Gewas”

In februari 1945 was Sim in voorlopige vrijheid gesteld. Die zou duren tot 10 januari 1947, zie hierover de pagina’s 1ste en 2de internering.

Sim had plannen voor een volgende bundel, dat blijkt uit de poëzie die ze schreef in september en oktober 1946:

Onderaan geschreven: “Uit “Een Lied voor den Morgen” / bundel in voorbereiding.


IV.
Dit is van vele dagen weer een wonderlijke dag
De regenwolk sprong splettrend in een bleeken-blauwen lach

Mijn venster kriekt net open voor een wilde zonnestraal
De stad ligt in het oosten in een zilver-witte schaal

De deuren slagen waaiers, kindren loopen in de zon
alsof van morgen vroeg het verlof pas goed begon

De vogels zingen als in strijd hun wijsjes al verkeerd
ze hebben ook dien regentijd hun liedjes gansch verleerd

De linde wiegt in wijdsch gebaar heur weelde in den wind
om al de stralen die ze plots in heur gepeinzen vindt

De daken glanzen, glimmend daarin ligt de nieuwe stad
vol gletsend goud ,zoo mooi, dat niemand ooit bezat

een wollen watten wolkje buitelt even voor den wind
en stooit verloren verder als een uitgelaten kind

en oudjes gaan gemeten weer en keuvelend langs de laan
en kijken naar den jongen dag en blijven even staan

de melkboer fluit een liedje ‘k heb het Vroeger al gehoord
doch nooit als in dit pogenblik heeft het me zoo bekoord

een bloemenvrouw biedt langs de straat heur bonte garven aan
op elke matte rozenknop beeft er een kleine traan

zoo bloeit de morgen voor mij lijk een blije blonde bruid
ik zet met reikende handen daarom bloemen voor mijn ruit

Ik weet van elk gebeuren nu in dezen nieuwen tijd
Dat ook naast diep ,vertrouwen wel een schoon geluk gedijt

want is het kleinst verlangen niet een komen en een gaan
na regen komt steeds zonneschijn, na elken lach een traan.

12 Sept ’46
SIM.


Dit gedicht is het vierde uit een reeks van zes, genummerd met Romeinse cijfers en getikt in viervoud. Alle gedicht zijn overgetikt op A5 formaat. Aan de gekartelde rand is te zien dat het telkens om een in tweeën gescheurde bladzijde van A4 formaat of groter gaat (folio).

Tijdens deze periode vond Sim werk ook als vertaalster. Teven was ze betrokken bij het literair tijdschrift “Nieuw Gewas”.
De uitgever en drukker van literair tijdschrift “Nieuw Gewas”, Philippe Draps (zie ook de opmerking onderaan dit hoofdstuk), was een grote hulp voor Sim, de redactievergaderingen vonden ’s zaterdags plaats ten huize Sim in Schaarbeek, ze was de redactiesecretaresse van het blad, en alle briefwisseling verliep langs haar (contactadres Schaarbeek stond ook steeds in het blad). Bekende schrijvers publiceerden in het blad: Jos De HaesAndré Demedts, de eerste publicatie van Roger Van De VeldeBasiel De Craene (organisator van de Vlaamse poëziedagen te Merendree, waar Sim nog hoopt te kunnen aanwezig zijn met haar poëzie)  e.a. Sommigen van hen woonden de vergaderingen bij.
Opvallend: Draps was ook weerstander, zo blijkt op het proces van Sim, zie het hoofdstuk “getuigenissen” of hier onderaan. Dat hij een echte “vriend des huizes” was, wordt duidelijk in het hoofdstuk “briefwisseling aan en van Sim in gevangenschap” hierover.

Colofon met het redactieadres:

Briefkaart (24 oktober 1946) die Basiel De Craene stuurde naar dit redactieadres, hij wou een vermelding in het blad van zijn Poëziedagen:

Gedicht “Voor een Afwezige” van Sim in het tijdschrift, jaargang 1947, nr.4, het verscheen toen Sim geïnterneerd was in de Gevangenis van Vorst. Sim schreef het voor haar broer Bert, die toen ook in hechtenis was in de Gevangenis van ‘Het Klein Kasteel”, Brussel (zie de hoofdstukken hierover). Het gedicht zou later ook verschijnen in het tijdschrift dat uitgegeven werd door de geïnterneerden, onder toezicht (censuur) van het gevangeniswezen.

Voor een Afwezige.

In al de schemerdagen die ik eenzaam gaar
komt het verlangen van dit hart niet tot bedaren;
er is in ‘t vreemde huis geen klacht, geen groot misbaar,
er groeit alleen een weemoed zoo moeilijk te verklaren.

Er komen vrienden zonder doel, naar een verwachte vragen.
Ik merk hun prille teerheid die mij gansch beroert
en hunne woorden willen mij dit leed ook helpen dragen
en samen worden wij om U heel diep ontroerd.

Ik wil als mijne kracht uw sterken steun bewaren
want telkens ik U nader treed weet ik uw schooner geest
van een gelatenheid en van uw verder staren
naar waarheid die toch eens ook elke daad beheerscht.

Zoo zal ik in dit licht dat voor mij hopend rijst
met moed en nieuw vertrouwen in de dagen treden
over den zekeren weg waarlangs de grenspaal wijst
dat weldra alle leed om U is uitgestreden.

Want aan de grens der loutering begint een nieuwe tijd
die des te schooner ons bereidt wat wij hem vragen konden
wanneer we gansch verscheurd uit dezen harden strijd
den vromen deemoed van ons hart nog ongeschonden vonden.

Zoo weet ik in dit land dat aan den einder gloort
de rustige bestendigheid waarvan we lang reeds droomen
en die ook nakend is, ons bijna reeds behoort.
Ik voel, ik weet, ik hoor U in dees avond komen.

Sim WOLFS


Foto van het publiek in 1946 op de Vlaamse Poëziedagen met Basiel De Craene vooraan (collectie Letterenhuis):

Foto van het publiek in 1946 met Sim (witte pijl) (collectie Letterenhuis)

Uitnodiging voor de eerste Poëziedagen na de oorlog:


Opmerking: De sterkste verklaring à décharge voor Sim komt van Philippe Draps, uitgever van het literair tijdschrift “Nieuw Gewas” (zie hierboven),  waar Sim redactiesedretaresse van was. Tevens was hij weerstander, kommandant voor de “Nationale Koningsgezinde Beweging“, een groep binnen het Belgisch verzet, ‘de meest rechtse van de Belgische verzetsbewegingen’:

“De ondergeteekende, Draps Philippe, Kommandant der N.K.B. Sektor B XIII Wemmel-Hamme-Relegem, Drukker en Uitgever te Wemmel, verklaar de genaamde Wolfs Simone-Maria, tijdens de bezetting gekend te hebben, toen ze als leerares te Hasselt aan de Rijksmiddel- bare Meisjesschool Nederlandsch onderricht gaf.
Ze wendde zich op aanraden van haar broer tot mij voor de uitgave van een dichtbundel, aldus heb ik en heeft ze me uit hare gesprekken kunnen afleiden ook gezegd dat ze in het begin den bezetting lid der D.M.S. was geweest, een tijd zelfs gewestelijk leidster eener jeugdgroep. Ik kan getuigen dat ze in een zuiver-vlaamsch idealisme tot die groepering was toe getreden. Op het oogenblik dat dit mij bekend werd was ze reeds een paar maanden, ik meen bij haar aanstelling te Hasselt uit bedoelde beweging getreden. Ook heb ik haar verschillende sluikschriften ter hand gesteld om ze verder te verspreiden. Ze deelde me mede dat door de schandelijke opeischingen der duitsche machtspolitiek geschokt was en daarom haar ontslag indiende.
Sedert hare vrijlating in 1945 is ze werkzaam aan een vertaaldienst te Brussel en wijdt ze haar beste krachten aan den bloei van een letterkundig en kultureel tijdschrift “Nieuw Gewas” waarvan ze de secretaresse is. Dit tijdschrift wordt door mij uitgegeven.”