Celdagboek 1 1944-1945

Opmerking: dit dagboek in twee delen werd door Sim in potlood geschreven tijdens haar eerste gevangenschap van september 1944 tot februari 1945. Ze verbleef toen in de gevangenis van Leuven Centraal, aan de Geldenaakse Baan.Ze beschrijft de laatste augustusdagen van ’44, de aanhouding en het gevangenisverblijf. Na een tijd werden ook haar moeder (Nathalie), haar vader (Jules), haar broer (Bert en haar zus (Finneke) voor een tijdje aangehouden. Op een bepaald moment zat dus de hele familie achter de tralies, zonder dat ze met elkaar contact konden hebben. Dit betekent ook dat het ouderlijk huis in Sint-Joris-Winge een tijdje leeg stond en ten prooi viel aan plunderingen. In tegenstelling tot Nand zijn deze herinneringen dus op het moment zelf geschreven, en in die zin betrouwbaarder, omdat ze niet bedekt zijn door het deken van de tijd in nabeschouwing. Te vermelden valt ook dat dit dagboek niet in de handen is gevallen van de censuur, en dus ‘zuiver’ is. Het verliet immers nooit de gevangenis, tenzij bij haar vrijlating.
Op 18 augustus 1944 was Sim net 25 geworden.
De cijfers in subscript verwijzen naar de annotaties onderaan, de cijfers tussen haakjes verwijzen naar de pagina’s van het manuscript.

Dagboek 1

Voorbeeld eerste pagina (met aftelkalender):

23 augustus

(1)
Een zonnige augustusdag. In de luwte van de schoon-opbloeiende zomerdag maak ik mijn fiets klaar voor den frisschen tocht naar broer te Brussel. Zoo was het toch gezegd: trefpunt in “Metiers” (1). Het werd heerlijk rijden. De baan scheen wel ruim zoo breed onder het goud-gele strepen licht. Een kalme baan in den zomerschen voormiddag. Boven mijn hoofd werden de vogeltjes dol verliefd zooals het altijd was geweest in Gods lieve natuur.
(2)
Er liep een bekoring van droomerij in die versche lucht. Mijn sluike haren warrelden verloren rond mijn peinzend hoofd en met ’n tikje hijgen besteeg ik den korten maar steilen Pellenberg(2) – Leons serres(3) stonden te glanzen van het danige licht naast het helle bloemenvillake. Daar kwam ik boven vlugger zelf dan ik vermoeden kon, met dien deugdelijken ballast na mij.
Roef de wind flapt dol rond mijn bonten strepenrok, bergaf! Wel een gek figuur denk ik zoo in perspectief achter gezien. Door mijn blauwen witomranden bril tuur ik nu recht voor me – en beklaag de menschjes die in dit zonnetje naar boven moeten – Het leven is ’n raar spelletje bergop- bergaf en allen landen we eindelijk toch in veilige haven op het Hoogland of in ’t dal –
(3)
Leuven komt in zicht. Verloren torentjes heffen zich nog fier spijts de reuze bombardementen(4). Zoo plots vliegt de klare zeepbel van mijn droomen in splinters fijn en freel maar weg is hij, weg… Uit een nevel van wazigen floers kom je voor me staan – Lies(5) – reeds drie maanden ben je weg(4,5). Jij, één maand langer dan dit groote verlof 43 dat ons om ’n dom misverstand van mekaar gescheiden hield. Hoe warm klonk uw stem bij ons eerste ontmoeten: “Sim, Sim toch…”Waarom heb je weer dat kleine hoedje aan, met pels. Je weet ik zag dien niet zo heel graag… en je lacht lacht je tanden bloot ook dien eenen die er zoo nukkig tusschen zit.”
Lies, je herinneringsbeeldjes heb ik laten afdrukken voor de school en m’n tekst is ook al klaar. Weet je toch wat die oude Sim
(4)
daar op neergeschreven heeft… In dezen donkeren tijd. De toekomst die we heerlijk schoon droomden viel met een ruk van me weg toen jij er niet meer was. Lies tusschen jou en mij spoedt den ouden tijd naar een nieuwen… het oorlogsgebeuren spint weer een rood net rond dat landeke en zijn volk, dat arm verloren geloopen volk. Er hangt zoo ’n vreemde weemoed boven mijn hart. Jij weet hoe eerlijk en schoon we samen droomden, voor een zedelijk hoogstaand volk. Op zoo ’n heerlijke Augustdagen togen er duizenden van zijn zonen naar de verre IJzervlakte(6) en beleden er den roem en den rouw van een volk. In hunne ooren weerklonken de laatste woorden na van Jozef Simon’s(7) “Eer Vlaanderen vergaat” krijgt het nog eens zijn kans –
Een jong en kranig geslacht heeft een poging gedaan. Maar laksheid en verknechting heeft die sterke poging verbroken in
(5)
tweestrijd. Waar we tot honderden jaren onder Fransche invloeden toch ’n zuiver elite van ons volk konden hooghouden, daar wisten we dat naast een paar jaren verduitsching dit volk elke kern van zelfbehoud aan dien nieuwen staat, zij het dan ook een broedervolk, hadde prijsgegeven.
Waarom werden we belaagd en bespuwd… Wat zal er van ons geworden indien de lawine van alle standen op ons neerstort zonder onderscheid van stellingname in dit wervelnet van politieke organisaties?
Een donkere tijd… ook voor degenen die het zoo goed voorhadden en den naamvijand willen verstaan en eerst na jaren terug zullen inzien –

– Leuven, oude Dijlestad, – onder de stoere brug van het tot ’n ruïne geslagen Blauwput(8), hort m’n fiets kwaaierig over de tramriggels – de Stationsstraat ligt bijna verlaten ik kijk met ’n nietszeggende blik over de puinhoopen want in mij groet de idee altijd grooter van het onbegrijpen – Germa 85(9) roept me
(6)
schoone herinneringen voor. Forum(9) geeft toch spijts alles zijn kinemavoorstellingen… schreeuwerige plakaten – ‘k denk weer aan Lies en de voorbije winteravonden, Hasselt en onder de hanebalken tweemaal bellen en hoe we samen kinderlijk verheugd naar “Tanz mit den Kaiser”(10) keken en niet begrepen dat het versche schoolwee zoo vlug was weggevaagd. Nu wip ik even bij De Craan(11) binnen, m’n nieuw mantelpak! Ik lieg maar dat ik vrijdag passen kom zoo is hij stellig zaterdag klaar! Even bij Tante(12) ballast afwippen – Ze is niet thuis ach ja: “Madame trotte en ville” noemt men haar in de buurt.

En nu ligt de baan voor me open. Brussel. Wie krijgt dit spelletje klaar zoo ’n formidabelen berg dat kan de beste wielrenner niet volhouden in zoo ’n augustusweerke – en geen auto om er frisch te blijven aanplakken – Maar na dit voettochtje laat ik me toch weer lekker rollen rollen zoodat de tweede helling in vaart reeds half bestegen is – De ijzeren berg is een
(7)
wilde daling maar tusschen het heerlijke van dezen tocht denk ik even een paar jaren terug – 36 Sim Heverlee en het plotse doodsbericht van Oom(13) doodelijk verongelukt. Ik zie de plaats(13) waar de boomen nu herplant zijn en den gevaarlijk hellenden kant…

En de tocht gaat voort langs Winkxelen. Ik rijd gansch alleen vrij vrij een auto snort voorbij vlug vlug en verdwijnt – Ik stijg weer – ’n dik heerschap rond met ’n glinsterend lachenden knikkebol permitteert zijn rappe beentjes en tingelingt me voorbij gevolgd door ’n lange magere juffer nee dit volg ik niet en ‘k vertraag maar dan. ‘k Heb zoo graag m’n vrij zicht, zie je –

Cortenberg ’n militaire beweging onder de schaduw der boomen staan ze geparkeerd gecamoufleerd… oorlog…

‘k Fiets twee Fritsjes(14) voorbij… en wip bij tante Fine binnen. Maar niet vergeten: ‘k moet te 1u te Brussel frisch en fijn verschijnen kwestie van ’n revanche!
(8)
Maar te Zaventem staat me dien langen berg te wachten… daar stijg ik af en d’n “dikken” meneer en zijn magere eega kunnen ook niet meer.
Evere – ‘k weet niet hier voel ik me amper gerust kwestie bombardementen. De Duitsche jachtvliegtuigen liggen startklaar… ‘k fiets snel en rep m’n bruingebrande beenen maar m’n lichten zonnerok speelt me immer zij  fratsen –

De lange laan naar het Terkamerenbosch ligt heerlijk beschaduwd maar heet sjonge heet dat het is heet. Aan ’n klein restaurantje moet ik even drinken en ’t is al 1 uur.

Bestoft en hongerig kwam ik aan – verfrischt en monter stapte ik juist op ’n vertrekkend 4tje(15) en… niemand metiers- ’n uurtje wachtte ik op ’n tram voor Berts bureau vergeefs.
Georgette’s telegram zou ik ook versturen – Mr De Bisschop en Rubens lichten me in over Berts reis. Dan maar weer
(9)
naar huis en Bert verwacht.

’s Anderendaags breng ik met Broer lief door. ’n Diner die alle maagkrampen doet verdwijnen en we zien ’n plezierige vertooning “Abenteur im Grand Hotel” – Hans Moser – Wollf Albach Retty – Maria Anderganst –(16) De Actualiteiten brengen het oorlogsgebeuren nader. In Letland worden de Nationalisten door de oprukkende Russen danig mishandeld. Een vaag gevoel van onrust voor ’n mogelijk noodlot dreigt zoo rond me, ‘k weet niet, het maakt me weeërig ongelukkig.

Bert zit stil naast me in de Rotisserie. Er is een opmerkelijke beweging te Brussel. De troepen uit Frankrijk trekken Noordwaarts. Men spreekt van den nakenden Engelschen inval – De Maquis bezetten de straten van Parijs… We voelen het verre het langverwachte komen – komen…

’s Avonds valt de zekerheid plots over mij en ‘k weet hoe eerlijk en oprecht onze strijd was hoe we voor iedereen
(10)
vrij en frank ons kunnen verantwoorden. Hoe we gestreden hebben tegen die langzame ondermijning door buiten grensche krachten.

Ik heb voor mijn volk gedaan wat ik kon – dat de dagen komen.

“Und da wir sterben müßen sollen wir tapfer sein –
Man kann nür einmal im Leben sein Gepäck verlieren…“(17)

De nacht is koel en blikt vol sterren, dat is de geheimenis die hangt boven mij ondoorgrondelijk. Ik hoor al de geluiden van dezen nacht en elk geluid is als een echo van iets dat langzaam voorbijgaat naar het tijdelooze.

Heverlee kommerloozen tijd(18) van vluchtige en sereene stonden van wee en kindergeluk – oorlogsdagen – Novemberdagen 40. Ernst en een diep geluk en dan de lange vergleden dagen en het ruischen van die eene woorden “Es war einmahl so begann
(11)
ein Märchen”(19) Hasselt en Toon – en Lies en de lange eenzame treinritten vrijdagavond kinderlijk blij en zondagavond als er weemoed hing voor het duistere treinraampje – Lies met je klare oogen wijkt niet van me Lies…

Vrijdag 25n augustus rijd ik terug naar huis de laatste vrije rit. Te Cortenberg bezoek ik even tante Kerkstraat 25 en fiets traag naar huis –

Een vreemde stemming heerscht over de dagen. Bert komt ’s zondags naar huis zijn laatste keer voor hoelang?

Maandag 28n vertrek naar Hasselt in ’n minimum van tijd 5 kwartiers. Aanhoudend trekt het Duitsche leger af. De Hasseltsche Kommandatur moet in twee dagen vertrekken.

’s Avonds laatste tram terug naar huis.

Woensdag tot Donderdag –  terug…
Vrijdagvoormiddag eerste mitraillade op Winge –

Er grijpt me ’n vreemde ontroering
(12)
aan. Ook ’s Zaterdags wordt de baan Leuven-Diest onder vuur genomen.

Ik rijd naar Leuven met m’n meest geliefde boeken –

’s Avonds staan de bizonderste zaken ingepakt. Rubens helpt dezen avond doorbrengen.

Zondags bracht me ’n laatsten keer naar de eigene dorpskerk in deze vreemde stemming. Er hingen regendroppels als dikke warme tranen aan de vensterruiten – Het wijde land dronk den stroelenden septemberregen. Rubens en ik met 1 fiets naar Leuven, ’t werd een natte reis maar dezen keer zouden we wellicht geen Tommy’s(14) boven ons voelen cirkelen.

Mijn nieuwen mantel berg ik maar liefst bij Matant –

Zondagnamiddag brengt een laatste inkwartiering…

In den vroegen Maandagmorgen wordt de vlucht naar Motbroek(20) ingesteld

(13)
De menschen meenen het goed maar ’t valt hard. In de oude straat (Hoek) houden we, Pa en ik, ons stevig aan mekaar een helse mitraillade breekt los over ons en tegen den middag pas keeren we terug. De stemming drukt drukt. Maandagnacht doe ik waakdienst. Make ligt naast me, in den morgen word ik opgeschrikt door luide jubelkreten. Een reuzegroote driekleur verschijnt om den hoek. Ik sluit even de oogen een heele wereld stort voor me neer al den schoonen Vlaamschen leeuwenstrijd hebben we verloren – Staan we terug aan de geboorte van den nieuwen staat met de oude veten en verwoed en bittere kampen tusschen twee volkeren die reeds honderd jaren samen werden gezet in de ruimte van dit land aan de lage zee? En alle offers onzer jonge helden niets niets – Wij kapituleeren niet. De menschen gaan in ‘n zondagse stemming naar het dorp kwestie van ’n hartelijk onthaal.

(14)
Een regenboog zet op en koelt de ijverige geestdrift. De moto’s der WB en P.(21) snorren voorbij.

9uur Duitsche pantsertroepen trekken nog af, helden van ’n nakende dood!

Onze eigene dorpsjongens kijken ons met verdwaasde ogen aan hun gordelriemen vol handgranaten en de geweeren schietensgereed.

Ons volk – ja toch ons volk dat ons nooit begreep – Sommigen onder hen hoorden voor ’n paar maanden nog bij ons maar hadden niet idealistisch gerekend en scholen zich liever valsch dan eerlijk te blijven spijts alles.

Dinsdagavond spreidt warme roode kleuren over het wijde land maar het is koud op m’n verwoest kamertje – en ik mag niet denken –

Er worden haatplannen gesmeed dezen nacht ik vermoed het rond en boven mij en langs het raam warrelen dronken stemmen naar omhoog, in de schemering zie ik de bonte rode hamer en sikkelvlag – communisme op de ontreddering van dezen tijd.

God die hoog boven de sterren staart naar dit arme volk kunnen we nog blijde zijn en hopen nog op een schooner toekomstdagen. De nacht vult m’n ijl hoofd met de
(15)
klokketonen en de morgen komt traag en aarzelend over den dag dien ik nooit vergeten zal.

Woensdag 6 september.

In groepjes gewapend trekken ze uit en eischen tol voor de weggesleepten van voor eenige dagen. Maar hun tol is zwaar want niemand wordt ontzien. Ik wil de eerste zijn al ben ik ook de jongste ‘k zal niet falen. Door dit kleine dorp waar zoveel me bindt aan mijn eigen jonge leven zal ik gaan en de honderden blikken trotseeren – Ik wist niet dat er zo’n haat bestond – Hoe kon ik je afschilderen in een zonnigen middag maar ik voelde hem uit iederen blik komend der menschen waarmee ik jaren had geleefd. Moeders sterke woorden trilden nog na: “Kind wees fier en blijft wat ge zijt”. Tusschen de mensen van ons geloof zou ik uren zitten en elk leed aan het mijne meten. Tot de camion ons langs de lange asfaltbaan naar Leuven voerde. De Tiensche straat kon het volk amper slikken. Wij de verdachten gaan voort langs hun haat en hun felle slagen
(16)
de armen omhoog. Dat was het communisme in beeld. In de zaal herken ik veler onzer menschen naast de anderen uitschot van lage instincten. Het slaat me om ‘t hart onze biddende menschen naast de avondvrouwen geschminkt en rookend.

Dat wordt ons volk –

Vier dagen zal ik daar verblijven tot ik na een onderhoor in voorlopige vrijheid wordt gesteld.

Procureur of Onderzoeksrechter (?) Smeets monstert me bij m’n binnenkomst.

– Wie zijt ge? (hij neemt m’n pas en we zeggen haast gelijktijdig) Simone Wolfs

– Waarom werdt gij aangehouden?

– Waarschijnlijk omdat ik lid ben van het VNV.

– Wie heeft u aangehouden?

– Een kerel in dronken toestand (naderhand weet ik hoe hij heet en dat hij voor den oorlog nog 2 jaar gevangenisstraf uit te boeten had Belgisch gerecht!)

– Maar wat is dan eigenlijk het V.N.V.?

– Mijnheer ik hoop dat de personen
(17)
die meenen bevoegd te zijn onze menschen op deze oogenblikken te ondervragen en te oordelen toch alleszins hoeven te weten wat het VNV is en wat het doel en het plan is van deze beweging. Dat zij hoeven te weten welke bewegingen van nevenorganisaties er gedurende de bezetting tot stand gekomen zijn die de smartelijkste gevolgen hebben gehad op onze zuiverste doelstellingen. Ik bedoel De Vlag, Rex, SS.

– Waar is uw leider?

-Mijnheer, onze leider Dr. Elias komt voor, maar nu niet in den chaos van dezen tijd, waarin de krachten werken waartegen gij zelf niets vermoogt. Jammer genoeg. Hij Dr. Elias kon zich niet zoo gelijk een hond laten afmaken voor hij zijn eigene zaak en de zaak voor zijn volk heeft te bepleiten.

– Maar ge moet toch toegeven dat het VNV pro Duitsche propaganda heeft gemaakt en met den vijand meewerkte.

– Er komt een tijd dat er breedvoerig over deze vraagstukken zal gehandeld worden. Maar mijnheer indien gij
(18)
onze politiek hebt gevolgd gedurende de bezetting weet ge hoe groot de wrijving was – opdat we de gaafheid van ons volk wilden bewaren. Daar we zelf wel wisten dat indien na een honderd jarige fransche invloed toch nog een elitekern in dit volk werd gevonden van echte Vlaamsche volksheid er na 25 jarige Duitsche overheersing het schoonste eigene van onze cultuur en taal er aan verloren zou gaan. Dan zouden onze kinderen en kleinkinderen hun taal niet meer spreken.

Mijnheer, dat wisten wij – Wij hebben ons doel behouden, en ons het woord van P. Calewaert: “De Vlaamsche zaak is zoo rechtvaardig, dat indien we ze door den duivel moesten halen, we ze zouden moeten aannemen”.

– Gij zijt regentes – Hebt ge in uw functie als dusdanig propaganda gemaakt?

– Neen. Getuigen zijn legio.

De heer Smeets tekent mijn voorlopige invrijheidsstelling en monkelt als wou hij zeggen en hij zegt het ook effectief:

– “Dat ideaal!”

(19)
Ik protesteer en zeg dat ik mij niet wil laten beledigen wijl ik mijn invrijheidsstelling bekom.

– O (zegt hij) Ge kunt gerust hier blijven en voor uw Vlaanderen lijden.

Ik wil op zoo ’n boosaardigheid niet meer antwoorden. Hij heeft een correct uiterlijk, jong, Germaansch blond – en ik beklaag hem omdat hij zoo voor ons volk verloren kijkt … (arrivisme)

(Ach vor der Dumheit der anderen nicht kapitulieren)

Zaterdagnamiddag begleidt me ‘n fiks piepjong soldaatje naar Winge het is hoogtijd voor Pa en Phineke die me zo starling aankijken, Ma is gisterenavond aangehouden en naar Tienen gebracht.

Zondag brengt me ‘n troostende verversching en vol betrouwen zet ik mij aan de schikking van het huis. Rubens komt om nieuws en ’t brengt een danige afwisseling. Brussel stelt ons gerust.

12 Sept.: naar Tienen. Achter dien hoogen kazernemuur zit Make gevangen. Kon ik er maar zijn in haar lieve plaats. Maar zij is zoo sterk en kranig en dat troost ons dan. De week brengt ons berichten allerlei.

(20)
De aanhoudingen duren voort en niets gaat verloren onder de plunderende handen.

Vrijdag. Adolphine naar Brussel.
Trouwbezoek van Charel en Jenny. Lode

Zondag 17. 410 vliegtuigen ronken boven onze hoofden Oostwaarts. Ma is gisteren naar Leuven overgebracht. We hopen en verwachten haar nu in een paar dagen.

Yvonne en Oom komen op bezoek tot dinsdag. Yvonne zal met nieuws komen van Mr Delfosse.

19 Sept. Ondervraging door de Rijkswacht

22 Sept. Yvonne komt Geen uitkomst

Zaterdag 23 in den plassenden regen naar Houwaert François en ’s middags na het bezoek van Mr Pastoor naar Brussel.  The Tommy’s are very gentlemen!

Zaterdagavond bij Mia. Metiers? er is een stemming die men nooit vergeet en dat is deze waarin alles totaal voor ons verloren schijnt.

(21)
Zondagavond wacht ik in den donkren druilenden regen naar het hortende stoomtrammetje. Vele camions rijden trage door den glimmenden schijn… honderden banale straatliedjes ruischen door den regen een melodie van wee en ‘k voel hoe alles wat eens m’n te teer hart te gevoelig maakt zich opeenstapelen tot “een boom van groot verdriet”(21).

’s Avonds vind ik Pa en Adolphine bij de kachel echt gezellig maar ons dapper Moederke is er niet nog altijd niet.

Woensdag 27 Yvonne en Mia komen en vertrekken

Donderdagmiddag

In den vroegen avond bellen de Partizanen op en willen 3 bedden – slaapgelegenheid. Ze komen vrijdagavond – zaterdagnamiddag.
Er is inkwartiering. M.P. in de school.

Zondag 1 Oct. Breng ik voor m’n uitkijkraam door en Alice Own Book(22) volgt me. Jenny komt niet misschien zal het morgen zijn dan heb ik nieuws uit Hasselt en weet ik wat me te doen staat.
Maar
en hier begint de tweede episode uit

(22)
Een donkere tijd: Octoberdagen 44

Ik hou van de zware weemoedverzen van Karel Vande Woestijne en immer dreunt me in de herfstdagen, als de regen druilend langs mijn raamkozijn strijkt, zijn vers na:

“ ’t Is triestig dat het regent in den herfst”(23)

Het is October – ik trek mijn morgenraam open naar den Westkant en het oude huis tekent een lange zwarte schaduw op den versch geploegden akker voor het breede land. Het paard loopt er strak in de voren en snuift en mengt zijn warmen adem met de dampende klonten die vettig onder de ploeg begeven –

Ik sta voor m’n raam. Ik heb Pa zien vertrekken langs den veldweg er trekt wel een diepere groef langs zijn gezicht, Ja die laatste dagen waren doodend. Zijn omzwachtelde hand doet me immer zelf pijn –

Ik hoor Adolphine de trap opkomen, die roept me zeker op – want ’t is waschdag – Ze lacht omdat ik vroeg ben vandaag, kom dan loopen we maar samen den trap af in peignoir(24) ik en dan zoo ’n flink ontbijt
(23)
dat vind ik nu altijd zoo gezellig. Maar ’t duurt nooit lang m’n morgenontbijt. In ’n wip schiet ik naar boven, ‘k wasch me en kijk bij het gebel m’n venster uit. Daar schiet iets door me – twee rijkswachters – Ja dat is voor me – Adolphine roept me iets of wat bleek en ik maak me klaar.

’n Kwartier later rijd ik fijn in ’n zachtbruine limousine langs den stralenden weg naar Leuven toe – naar de gevangenis deze keer. Naast mij zit ’n heer dien ik in den loop van den dag beter leer kennen: Mr Nijs controleur? oud vliegenier. ‘k Interesseer me nu eigenlijk reuze voor vliegeniers en we babbelen samen, in de ongezellige wachtkamer van die kazerne, al de uren dood…

We kijken naar het binnenkoertje een recht? fonteintje kan maar geen hoogte nemen – daarnaast tusschen de steenen een stok en ’n triestig vermaak ’n Duitschen helm prijkt er tot jolijt van onze bewakers gekroond – Ik denk aan die houten kruisjes lijk er zoovelen staan over de vlakten nu
(24)
‘k Denk ach nee niet alleen aan onze jongens ik kijk ruim naar den dood van den frontsoldaat die ligt met de getuigenis van zijn mensch en zijn soldaatzijn in den goeden schoot. Ik denk aan al de jongens die ik zelf ooit kende en een onzeggelijke weemoed komt over mij.

Het kan 6 uur zijn en met 5 andere vrouwen gaan we den tocht naar de Centrale gevangenis, de haat der menschen glijdt over ons heen…

De formaliteiten zijn vervuld. Met vijf vind ik me weer in een enge donkere cel 333! ‘k Herken de afbeelding in Borms’ gedenkboek: “Tien jaar in den Belgischen kerker”(25).

Ik weet dat Ma hier is maar waar. We zijn beschouwd als ’n uitschot de bevelen worden afgesnauwd. We zijn geen menschen we moeten samenhokken in deze enge ruimte. Men spreekt ons aan met Gestapo en Breendonk(26) . Er zijn kinderen nog daarbij.

Ik krijg als laat binnengekomene een extra portie halfrauwe aardappelen en kool.
(25)
Ik kan niets verorberen. Mijn medekameraadskes bekijken me meewarig en ik kijk onderzoekend m’n cel rond – stroozakken op mekaar ja dat is wellicht onze slaapgelegenheid – een hekken en daarachter een stel potten. WC gelegenheid voor vijf vrouwen! een waschkom voor de reiniging én van personen én van het eetgerei een kom en een lepel – geen boeken geen tijdverdrijf niets als wandeling -we zijn de gevaarlijken van den staat.

De inhechtenisname wordt op ruim een half millioen geschat.

Vlaanderen – Vlaanderen dat alles om die enkele onwaardige zonen die hun volk verraden maar die toch de straf die ons beschoren is nooit zullen ondergaan.

Maar wij zijn fier omdat we eerlijk zullen kunnen getuigen. Wie kan mij wijzen op een verraad?

Zonder vorm van proces zonder onderhoor zitten we hier en wachten wachten reeds (26) weken. We zijn zonder nieuws van onze geliefden van huis.

De eerste nacht brengt me geen rust. De

(27)
(ander geschrift) De morgen gluurt aarzelend onder de verduistering. Ik hap wat versche lucht hartelijk welkom want de verdachte geuren achter dit treurige hekkenmaken me gek.

7u. Als we niet oogenblikkelijk klaar zijn moeten we zoo het brood ontberen. Het luikje gaat open een broodje en een vierde wordt binnengeduwd en ’n koffiegamel. Liefst niet rieken en dan zoo maar drinken op dit zwarte brood zijn we gieriger dat is voor ’n ganschen dag we trekken het zoo maar stuk en eten traag en zijn wondersnel verzadigd. We droomen op het divanke of in ons deken gewikkeld op den stoel. We maken kennis met mekaar de tijd duurt zoo lang anders.

En we wachten wachten.

De wandeling wordt streng bewaakt na mekaar stappen we naar de gesloten ruimte we zien met veel geluk de nevenburen maar geen teekens geen wenken alleen een bemoedigenden glimlach en ’n sluiks oogknipje

(28)
Onze menschen houden zich flink zelf de moeders die hunne kinderen achterlieten en de anderen die zich buigen over het andere ontwakende leven hun celkindeke. Maar voor iedereen blijft de tucht een streng gebod. Geen eten van thuis niets als het noodzakelijke linnen. Maar hoe raar wordt het voor sommigen aangebracht. Vrouwen zitten hier beroofd van have en goed. Niemand kijkt naar hen om… We troosten ons in haar toestand.

12u. krijgen we soep – meestal aangebrand een dikke brij met ’n verdacht geurtje. We denken ons in of we toch soms bij vergissing geen moord hadden bedreven. En de uren verglijden traag traag – het stukje hemel uit het kleine raampjemaakt ons weemoedig. Want de zonneschijn lokt ons buiten voor de heerlijke herfst – wandelingen in de triestige regen maakt hier alles zoo somber droef.
Zondag brengt afwisseling ’n mis
(29)
maar we worden sekuur opgesloten geen contact met iemand daar staat strenge straf op als het nog straffer kan, voor mij met 9 dagen brood! (ander geschrift eindigt hier)

De dagelijksche wandeling brengt ons naamberichten. Allerlei bekende namen werden gegrift in de stenen – Onze menschen houden zich kloek. Van Ma geen spoor.

’s Zaterdags 7 krijg ik ’n pak. Adolphine zorgt flink voor me.

De dagen verglijden traag naar dien droeve vrijdag 13n – ‘k Verneem dat Adolphine zelf reeds een paar dagen werd aangehouden en dat wij ook uitgeleverd werden aan den plunderingsgeest. ‘k Voel opeens m’n schoonen droom verzwinden en ‘k durf niet denken denken. Boven m’n wee om al de geliefde zaken in ’t oude schemerhuis staat Pake’s zieke treurbeeld. Hoe moet z’n zwakke hart reageeren op die onmenschelijkheid.

Ik wist niet dat ik zoo lijden kon – en zoo machteloos zit ik hier, ik moet
(30)
denken aan al die lieve wezens. Waar is Pa en wat denken Ma en Adolphine? Is Bert aangehouden en wie sleurt er ons oude vertrouwde zaken weg? Droombeelden vervolgen me “o ritme van den pijn”. Het zindert over me met korte vlagen en de dagen gaan langzaam. Ik kan niet meer niet meer…

Zondag 15n zie ik Adolphine’s bleek gezichtje tusschen de anderen in de kleine kapelvleugel, bemoedigend knikt ze me toe, en ze lijkt me sterk, sterker dan ik dacht ik als ik het goed voor heb antwoordt ze op m’n vraag Waar is Pa? – thuis – o God mocht het waar zijn – Ik kreeg een pak linnengoed Yvonne schreef de adres. Duizenden ideeën suizen door m’n hoofd – Ik word iets verlicht. Ik heb Make’s sekuure hand “Nathalie Crabbé” op het préaumuurtje ontdekt en ik schrijf “Sim” er raak boven op. Zou ze het
(31)
zien? Maandagmorgen gaan we naar ’n Requiem mis. Ik zie weer Adolphine’s hoofd eventjes boven de staketsels bleek en treurig lachend.

Er heerscht een weeën stemming over den vleugel. Het orgel ruischt requiem en ik voel al de harten onzer sterke vrouwen.
Oude moederkes onzer gevallen helden die niet zijn teruggedeinsd voor hun hoogste offer – “Geen een heeft het hoofd voor den kogel gebukt”(27) Ik zie al de houten kruisjes in de wijde vlakte – en hier wordt het offer voortgezet de moederkes weenen om hun doode kinderen, om al de geliefden die uiteengerukt zijn in dezen donkeren tijd. “Dona eis requiem” het klinkt als een klacht door den vleugel langs de koude muren het ruischt na in onze harten en we prevelen bevend: Mijn God schenkt al onze dooden een schoone rust en geef ook de
(32)
rust aan ons arm volk dat geen uitkomst meer ziet en zijn bloedigste bladzijde teekent in het boek der eeuwigheid.

Adolphine kijkt droef en ik meen te vernemen dat Pa op Tiensche straat in hechtenis werd genomen –

Het wordt me te machtig in de enge cel de Octoberregen maakt het rillig koud – Ik mag niet denken Pake toch… De namiddag wijd ik aan mijn droeve herinneringen.

’n Troostelooze avond en een blanke nacht.

Dinsdag 17n October

Een kleine lichtstraal brengt de minste hoop heel lang kan men ons niet meer houden. Toekomende week mogen wij wellicht rantsoen van thuis bekomen maar hoe zal het er thuis uitzien? “Geluk geluk een teeder ding, veel brozer dan herinnering” zoo schreef Zr Gérardine onder ’n jeugdopstel (30) . Hoe heb ik uren uren aan die
(33)
stonden van Heverlee gedacht. Ik droom me terug in die studiedagen onbezonnen blije jeugd.

Mw. Pinte zag ik reeds ’n paar malen flink en bemoedigend.

Ik wist niet dat we zoo veel schoone menschen in ons arm volk hebben weergevonden, want zij die de cultuur van ons volk droegen. Verschaeve, Streuvels, Timmermans, de Pillecyn, Servaes en Meulemans. Vercknocke en Simons… Moens, Daels en al de vele anderen te veel om te noemen. (28)Ze stonden allen in onze rijen. Wij hebben niet gefaald en belijden onze trouw.

“Komt straks de harde strijd wij zijn bereid!”(29)

12u. Adolphine zie ik van ver wellicht voor ’t onderhoor ze lacht en wenkt.

Henriette Roland Holst vers komt me immer weder over de lippen:

“Ontgoocheling

We zijn de bouwers van den tempel niet
Wij zijn alleen de sjouwers van de steenen…”

(34)
I Voor de versleepten van ons volk (onafgewerkt)

We hebben onzen strijd voor dit ons arme volk beleden
De morgen gloorde klaar voor onzen offergang
We keeren in den avond weer uit een verleden
Dat geen gehoor leende aan onz’ klaren zang
—————————
We voelen ons verguisden van deze geslachten
We hebben den warmsten tol van ’t eigen hart betaald
En als ons hopen al ons vruchtloos wachten
Heeft in den avond vóór den zegetocht gefaald
—————————-
We hebben onze handen over ’t leed gevouwen
Gedacht aan duizenden die voor ons zijn gegaan
Lang hardre tijden nog op hen rust ons vertrouwen
Zij dragen in hun wezen onze schoonsten naam
—————————–
Niet alles kan verloren zijn dat moeizaam werd gedragen
Door dagentochten eeuwen onder zijn beleid
Die deze smarten van dit volk hielp schragen
Zal leiden tot den roem zijner uiteindlijkheid

(35)
II Voor onze gevangen moeders

Jij hebt naast mij de dagen lang zwijgend gesleten
en uwe jonge droeve blik gleed langs den bleeken wand
Ik heb mijn eigen leed aan uwen smart gemeten
en voelde van uw moederhart den stillen brand
——————————

(ander geschrift)

Een wondren schijn gleed langs uw mijmerend wezen
Als d’avond langs dit tralieluik d’herinnering bracht
Verlangen van je hart en …  ? … ?
——————————-

(ander geschrift eindigt hier)

Over de welving van uw

(36)
Woensdag 18n October

’n Nieuwe celgenoot: Jw. G. Van Steenbergen –

De Commissie wordt samengesteld en de pakjes kome toekomende week aan… Suikerrantsoen 1 pond

Donderdag 19n October

Ger. Vrebos bemerk ik even van ver Cel 339?

Vrijdag 20 October

Groote avondvertooning tweede heropvoering

“Groote Liefde of Blondine in Chintane?

dubbel rantsoen brood

Zaterdag 21 October

The First English Lesson

De groote dag

Make gezien en gesproken !!! Alles goed

Feierabend Sonnabend

Het was de schoonste dag van ons Leuven

Souper fantastisch
1. Enkel Hilda’s boterham met varkens gepesten kop – de eerste vetstoffen vloeien het uitgeputte lichaam binnen
2. De V1 bom of te frikadelle
3. patatten goed gekookt (over de kleur zagen we over) met roode kool

(hier eindigt eerste dagboek)

Afbeelding pagina 36, laatste bladzijde Dagboek 1

Noten

(1) “Metiers”: Institut des Arts et Métiers, Slachthuislaan 50, Brussel >

“L’Institut des Arts et Métiers (IAM) est un établissement d’enseignement technique et professionnel de qualification de la Ville de Bruxelles. Fondé sur des principes de démocratie, de neutralité et de pluralisme, son enseignement appartient au réseau officiel subventionné et est accessible à tous, sans distinction de sexe, d’origine ethnique, de convictions politiques, philosophiques ou religieuses.”

(2) Pellenberg : Tiense steenweg naar Korbeek-Lo

(3) Leons serres

(4) reuze bombardementen: zie “Slag om Leuven (1940)“,  en verder: “de bombardementen op Leuven

(5) Lies: jeugd- en studievriendin die omkwam bij het bombardement op Leuven (12 mei 1944). Ze was collega van Sim aan de Rijksmiddelbare Meisjesschool te Hasselt. Ook Lies’ broer kwam om, beiden hadden een schuilplaats gezocht in een kelder van het Drievuldigheidscollege (Paters Jozefieten) op de Oude Markt (zie foto) die een voltreffer te verwerken kreeg. Hieronder het rouwprentje van broer en zus en het gedachtenisprentje waar Sim over schrijft. De teksten op beide prentjes zijn van Sims hand.


Drievuldigheidscollege Leuven, Oude Markt, mei 1944 na het geallieerde bombardement. Meer dan 30 foto’s hierover vind je hier

Toen ik Sim hierover interviewde in 1993 vertelde ze het volgende (blijkbaar was ze niet zo tevreden over het gedicht dat ze voor Lies’ rouwprentje geschreven had):

(6) IJzervlakte: Wereldoorlog I en IJzerbedevaart

(7) Jozef Simon : “Jozef Simons (Oelegem, 21 mei 1888 – Turnhout, 20 januari 1948) was een Vlaamse schrijver en dichter… Het belangrijkste werk van Jozef Simons is  ‘Eer Vlaanderen vergaat’ (1927), een geromantiseerde geschiedenis van de Frontbeweging”.

(8) Blauwput: gehucht in Leuven/ Kessel-Lo

(9) Germa 85

(9) Forum: Bioskoopzaal Bondgenotenlaan (tgo H&M), zie: “Cinema Leuven

(10) “Tanz mit den Kaiser”: Film uit 1941 van Georg Jacoby met Marika Rök


Georg Jakoby: filmregisseur (1882-1964), zie bio

Marika Rök: Duits-Oostenrijkse actrice (1913-2004,) zie bio (Duits)

film “Tanz mit den Kaiser” zie info filmportaal

(11) De Craan
(12) Tante
(13) Oom: Constant-Albert Crabbé (18 november 1883 – 12 maart 1936) verongelukt met zijn auto op de Leuvense Steenweg te Veltem-Beisem, alle vier inzittenden op slag dood. Broer van Sims moeder. Sim was met hem en zijn auto 3 jaar eerder naar Banneux gereden om er de verschijningen van Onze-Lieve-Vrouw te gaan bezichtigen die gaande waren, ze was toen 14.

     

Hier doet Sim het verhaal over deze man (interview 1993), de broer van haar moeder en peter van haar broer (uit het hoofd draagt ze ook het gedicht voor dat haar broer toen voor zijn peter schreef) en brengt hem zo even opnieuw tot leven:

(Over hem als “jachtopkoper” schrijft Sim ook in “Het Dorp aan de Wingerbeek” manuscript pagina XV / 15)

(14) Fritsjes: bijnaam/scheldnaam voor een Duits soldaat, zie: “bijnamen voor Duitsers

(15) 4tje: tram 4 in Brussel (lijn 4)

(16) „Abenteuer im Grand-Hotel“ Deutschland 1942/1943 Spielfilm, zie info: “filmportaal

met Wolf Albach-Retty, Hans Moser, Maria Andergast

(17) Karl Schlau, auch Carl, vollständig Carl Leberecht Eduard Schlau, lettisch Karls Šlaus oder Kārlis Šlavs, vollständig Kārlis Lēberehts Eduards Šlavs, (* 22. Februarjul./ 6. März 1851greg. in Riga, Gouvernement Livland; † 26. März 1919 in Riga) war ein deutsch-baltischer evangelisch-lutherischer Pfarrer in Lettland. Er gilt als evangelischer Märtyrer.  „Ich lerne vom Freiherrn vom Stein; der sagt: ,Ich habe mein Gepäck im Leben schon dreimal verloren.´ Man muß sich gewöhnen, es hinter sich zu werfen. Weil wir sterben müssen, sollen wir tapfer sein.“ Zie volledig citaat hier:

(18) Heverlee: Sim studeerde regentaat aan de normaalschool Heilig-Hart te Heverlee (Naamse Steenweg), Sim op tweede rij, derde van links; Normaalafdeling 3de jaar, 1937. Ze was toen 18.

Close-up: Sim (midden) vertelde dat ze toen boos keek omdat ze net ruzie had gemaakt met haar beste vriendin (met bril, rechts). Die zou later intreden bij de “Zusters Annuntiaten van Heverlee” aldaar als Zuster Walburgis en beiden bleven een leven lang zeer goede vriendinnen.

(19) Märchen: Sprookje

(20) Motbroek: Motbroekstraat, Sint-Joris-Winge

(21) “De boom van groot verdriet”: uit het gedicht “De Vrouw in het Woud” van Henriette Roland-Holst (1869-1952), fragment:

“Diep aan de steile helling van het leven,
waar ‘t klein gewas van bonte vreugd niet groeit,
den top in wolken van gepeins geheven,
den voet door de beek der tranen besproeid,
staat een boom. Tusschen zijne takken flonk’ren
de klare hemelsche gesternten niet,
een klaagzang ruischt de kroon, de dichte, donk’re
van den eenzamen boom van groot-verdriet.”

(22)  Alice Own Book: misschien bedoelt Sim hier: “Alice in Wonderland“, het kinderboek van Lewis Caroll uit 1865.

(23) “ ’t Is triestig dat het regent in den herfst” uit het gedicht “Koortsdeun” van Karel van de Woestijne (1878-1929):

‘t Is triestig dat het regent in den herfst,  
dat het moe regent in den herfst, daar buiten.  
– En wat de bloemen wégen in den herfst;  
– en de óude regen lekend langs de ruiten….  

Zwaai-stil staan graauwe boomen in het grijs,  
de goede sidder-boomen, ritsel-weenend;  
– en ‘t is de wind, en ‘t is een lamme wijs  
van kreun-gezang in snakke tonen stenend….  

– Nu moest me komen de oude drentel-tred;
nu moest me ‘t oude vreê-beeldje gaan komen,  
mijn grijs goed troost-moedertje om ‘t diepe bed  
waar zich de warme koorts een lícht dierf droomen,  
en ‘t wegend wee in leede tranen berst….  

… ‘t Is triestig dat mijn droefheid tháns moest komen,  
en loomen in ‘t atone van de boomen;  
– ‘t is triestig dat het regent in den herfst….

(24) peignoir: kamerjas

(25) August Borms: (1878-1946) was een Vlaams-nationalistisch voorman en politicus. In 1946 werd hij vanwege collaboratie geëxecuteerd. Op het ogenblik dat Sim over hem schrijft was Borms dus nog in leven.

(26) Breendonk: vraag is of Sim op dat ogenblik wist wat er zich hier de voorbije jaren had afgespeeld, vermits het strafkamp door de Duitsers ontruimd werd op 31 augustus 1944 en we nu bijna 2 maanden verder zijn. Ongetwijfeld moet ze verhalen hebben opgevangen over de mensonwaardige toestanden daar. Ook moet ze geweten hebben wat “Gestapo” betekende en waarom men het riep naar de gedetineerden. Het is duidelijk dat in haar ogen er op dit ogenblik geen sprake is van “verraad”.

(27) “Geen een heeft het hoofd voor den kogel gebukt”: uit “O Kruise den Vlaming”, nav de Boerenkrijg: “was een opstand in 1798, van de landelijke bevolking tegen het door de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden gevestigde staatsgezag.”, het lied verwijst naar “het kruis van Haasdonk” en de heldhaftigheid van de boeren tijdens de veldslag:

“…Niet één heeft het hoofd voor den kogel gebukt;
Zij vielen, het Kruis aan hun lippen gedrukt;
Het Kruis op hun borst was wel rood van hun bloed,
Doch sterven voor ’t Kruis dat is Vlamingenmoed.
O Moeder, en ween niet in ’t eenzame huis.
Uw kind is gestorven in d’armen van ’t Kruis…”

(27) teveel om op te noemen: tussen alle bekende namen valt hier natuurlijk “Vercknocke” op (nu nog verkeerd gespeld…), het bewijst dat ze toen al opkeek naar de man die 7 jaar later haar echtgenoot zou worden.

(28)  “Komt straks de harde strijd wij zijn bereid!”:  Vlaams strijdlied in 1937 op muziek gezet door Jef Tinel:

“Schoon klaart de dag
Hoog waait de vlag
Wie niet dapper is, kan bij ons niet staan
Wie niet durven kan, moet tenondergaan
Komt straks de harde strijd, wij zijn bereid!

Eens komt het uur,
Gloeiend als vuur
Dat de vijand grimmig voor ons staat
En het uur der Dietse zege slaat
Komt straks de harde strijd, wij zijn bereid!

Trouw tot de dood
Dietsland wordt groot
Als gij morgen valt en ik blijf alleen
Kameraad, ik blijf trouw en ik vecht voor twee
Komt straks de harde strijd, wij zijn bereid!”

(29) “We zijn de bouwers van den tempel niet…”: uit het gedicht “Wij zullen u niet zien, lichtende Vrede” van Henriette Roland Holst (1869-1952). Wat zij hierover zelf zegt kan je hier vinden (p. 844).

“Wij zullen u niet zien, lichtende Vrede,
wij zullen niet voelen uw weligheid
van onze lippen naar ons hart gegleden,
en niet wikkelen om onze leden
de weke plooi uwer broederlijkheid.

Wij zijn het geslacht dat moet vergaan
opdat een groter rijze uit onze graven;
wij zijn het geslacht dat zich moet laven
aan zijn gebrokenheid en smartelijke waan;
wij zijn het geslacht welks ganse have
is als ‘t flauwe schimsel van de eerste maan.

Wij zijn de bouwers van de tempel niet,
wij zijn alleen de sjouwers van de stenen;
wij zullen niet zien rijzen en zich verenen
zijn stoute pijlers; wij krielen doorene,
omlaag, in verwarring en verdriet.”

(30)  “Geluk, geluk… een teeder ding. Veel brozer dan herinnering!”: Hier de bewuste opmerking bij het zinnetje “Maar geluk is  zóó broos en het onheil sterk…” uit Sims opstel nr. 17, 29 januari 1938, door Zr Geraldine, Sim was toen 19 jaar (zie het volledige opstel op de pagina “Opstellen“):

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *