1940 “Het Dorp aan de Wingerbeek”: de Duitse inval mei 1940

Opmerking: deze herinneringen werden door Sim geschreven in 1988, toen Nand ernstig ziek werd en aftakelde (zie “Het Landhuis of het verhaal van een heengaan“), hij zou een jaar later overlijden (12 mei 1989). Waarschijnlijk heeft ze dit geschreven tijdens het waken naast hem. Ze schrijft over de meidagen van 1940, haar eerste lesopdracht als regentes in Menen en de plotse inval van het Duitse leger, en haar belevenissen in het kasteel van Winghe (“Kasteel Roberti de Winghe“).
Ze schrijft in de derde persoon en noemt zichzelf “Lena Verelst”, ook sommige andere namen werden aangepast (behalve die van haar broer en zus, die blijven “Bert” en “Finneke”), misschien wou ze een zekere afstand bewaren, alsof het over iemand anders ging, of was het gemakkelijker om zo over bepaalde emoties te schrijven (bijvoorbeeld de eerste seksuele gevoelens)…
Sim wou zeer waarschijnlijk een roman schrijven waarvan dit een stukje is, maar de ziekte van Nand besliste daar anders over. De herinneringen die hier beschreven worden zijn bijna volledig autobiografisch, omdat ik ze herken uit haar verhalen door de jaren heen, maar niet vergeten dat hier geschreven wordt doorheen de bril van 1987/1988, en een zekere verantwoording is vaak niet ver weg.

Deze herinneringen beginnen op “pagina 9”, pagina 1 tem 8 handelen over het ziekteproces van Nand.

“Het Dorp aan de Wingerbeek” is  Sint-Joris-Winge (bekend van “Het Gouden Kruispunt”), nu deelgemeente van Tielt-Winge in Vlaams-Brabant. Het is het geboortedorp van Sim.

Uit het manuscript “Het Landhuis” deel II maart 1988. Het manuscript bewijst dat Sim tijdens het overtikken nog dingen veranderde, aanpaste of wegliet. De versie die ik overtikte komt uit de getypte bladzijden van Sim, niet uit het manuscript. Bv: in het manuscript luidt de titel aanvankelijk “Het dorp” (wordt doorstreept), daarna “Het Ouderhuis”. Bij het overtikken maakt Sim er “Het Dorp aan de Wingerbeek” van (in hoofdletters):

 

Getypte bladzijde 9 door Sim, komt overeen met bovenstaand fragment uit manuscript blz. 10:

(9)
Lena zag de vooroorlogse jaren in een trage sliert voorbijglijden.

II

HET DORP AAN DE WINGERBEEK

Ze leunde uit het venster en de zon verdween in het Westen door een wolkengleuf. De olmen langs de straat zouden het vergezicht langs de straat niet lang meer verhinderen: ze waren ten dode opgetekend met een witte kalkstreep op hun korstige stam. Een olmenziekte had zich over het land verspreid als een voorteken van naderend onheil. Nog vóór een paar weken waren soldaten op mars naar het oefenkamp van Beverlo in het dorp aangekomen. Ze hadden her en der een nacht onderkomen gevonden in schuren en loodsen. Het was een opgewonden drukte die het rustige gezapige leven in de huizen en cafeetjes aan de dorpskom deed ontwaken. Commentaar was er genoeg over de mogelijke oorlogsdreiging sinds een Duits jachtvliegtuig was neergestort niet ver van het dorp en er bezwarende documenten gevonden waren betreffende een oostelijke grensaanval. De kranten en de radio hadden er over bericht maar er heerste toch onduidelijkheid over de ware toedracht.

Lena wou er niet aan denken. Ginds kwam traag de boerenkar aan getrokken door het zware Brabantse paard. Ze zag het hoofd ritmisch op en neer gaan en bij de kleine helling aan de straatkant spande het dier al zijn krachten saam zodat de leidsels zich strekten in een lijn. De krachttermen van de voerman ketsten in de julizon en vuurden paard en kar verder aan tot de steenweg bereikt was. Het Perkveld was nu gedeeltelijk geoogst; de schoven lagen nu netjes opgetast en drukten tegen de schuinopgestelde karramen. Het Van Gogh gezicht is verdwenen dacht Lena. Ze heeft de gestuikte tarwebussels gereid gezien.

Als kind had ze nog de aren gelezen die door de bindsters niet in de schoven waren geperst; al deden ze hun werk keurig: met gezwingelde halmen werden eerst de volle grepen graan opgenomen en , nadat ze stevig heen en weer werden gedraaid, samengesnoerd. Ze had het ook geprobeerd maar het was geen prettig werk en je kreeg er lelijke nijnagels van als de stoppels de nagelriem tot bloedens toe scheurden. Maar Bram was er ook bij en die gekscheerde en plaagde het kleine kostschoolmeisje en keek haar dan aan zodat ze er onwennig van werd. Soms hielp hij mee op het erf en Lena koesterde voor hem een onbepaalde sympathie. Ze had op het frame van zijn fiets een tochtje naar de oude watermolen gemaakt, och ze was nog maar veertien, maar zijn hijgende hete adem had ze in haar nek gevoeld telkens hij sterker moest doortrappen waar het pad de helling opkronkelde, dan liet hij zich uitglijden naar beneden toe. De koele friste van het water aan het molenrad
(10)
temperde haar onbestemd verlangen. Maar een onverklaarbare stroom was door haar heengezogen, ze had het in zich opgenomen als een vreemde ervaring waaraan ze steeds moest terugdenken en waarover ze met niemand durfde te spreken. Ze had tussen de boeken van haar broer, die collegestudent was, de voorlichting gevonden “Reine Jeugdrijpheid” heette de uitgave. De geheimen van het leven hadden haar diep geschokt. Ze was nu in gewijd. Ze keek zelf met een vaag gevoel van weerzin naar pa en ma en wilde er niet aan denken.

“Waarom ben je van het veld weggelopen?”, vroeg Bram die het paard had helpen uittuigen en die in de keuken een koele Jack-Op dronk. Hij keek haar weer schalks aan.
“Ik had het te warm en wou me verfrissen”, antwoordde ze terwijl ze de transpirerende geur van Bram gewaar werd. De zweetdruppels gleden in het bierschuim rond zijn gulzige mond.
Eigenlijk wou ze niet meer met hem hoog op de oogstkar liggen tussen de hoog opgetaste schoven. Gisteren had hij er haar speels plots in de lenden genomen en haar gezoend en krachtig, haar mondhoeken trilden nog na als ze eraan dacht en in haar barstten als voortijdige bloesems hevige prikkels los.

Ze had gedacht dat het wel zondig kon zijn en ze zou moeten biechten in die besloten engte waar de pastoor ineengedoken achter een gaatjesscherm met een grote zakdoek voor de mond een afschuwelijke tabaksgeur poogde te temperen.
“Ik hoor je niet”, pleegde hij dan te zeggen en lei dan zijn lange leloren tegen de houten rastering. Dat vond Lena akelig want ook zij had ongewild al de deemoedige bekentenissen gehoord van wie achteraf met hoogrode wangen het vuil-groene gordijntje wegschoven om opgelucht hun penitentie te prevelen.

Lena sloot het venster en glimlachte om die vermeende jeugdzonde. Ze had nu haar diploma op zak en ze zal nu moeten solliciteren naar een betrekking. Ze was vorige week naar Brussel gereisd naar het ministerie van Onderwijs. Ze had er geduldig gewacht in de gang waar er onophoudelijk met koffiekannen en dossiers werd gelaveerd. Eindelijk was zij aan de beurt. Dezelfde examinator die nog haar einddiploma had afgeleverd als hoofd van de commissie was nu directeur-generaal. “Het kan wel lukken”, dacht Lena.

Een paar dagen later werd het telegram besteld dat haar aanstelde tot waarnemende regentes aan de R.M.S. te Menen. Ze reisde met haar zus naar de West-Vlaamse stad op zoek naar logies; de afstand was immers niet dagelijks normaal te overbruggen.
(XI) (11)
Het waren de eerste meidagen en de trein hobbelde door het malse zonnige landschap met de grazende “casselkoeien”.

“Juffrouw Verelst zal Lode Deckers vervangen”, zei de baardige directeur in de leraarskamer bij wijze van voorstelling. Vele leraars waren gemobiliseerd zodat er wel interim  plaatsen waren vrijgekomen. Lena voelde zich onbehaaglijk toen ze de onderzoekende blikken van collega’s onderging. Meende ze een zweem van meewarigheid te ontdekken voor het jonge onervaren regentesje, dat in de staatsschool nog wel met een uitgesproken katholiek diploma was aangesteld? Ze vond een pensionkamer in de Rijselstraat, het werd opengehouden door twee oudere dames, die haar onwillekeurig aan de film “Les dames aux chapeaux verts” deden denken. Er logeerde ook een ietwat streng uitziende handelsvertegenwoordiger. Toen ze samen het avondmaal gebruikten vroegen ze haar honderduit zelfs haar mening over de heibel in ’s lands politieke mening. Lena wou zo snel mogelijk naar haar kamer aan de voorkant van de straat op de eerste etage. het was maar troosteloos gemeubileerd maar dat zou haar een zorg zijn. Ze moest tot laat in de nacht aan haar lesvoorbereidingen werken. Haar opdracht luidde Frans in de hoogste klas. De jongens waren maar een paar jonger dan zijzelf. Ze voelde zich zeer onzeker onder hun vragende en spottende blikken. “Le mode subjonctif” schreven ze de eerste dag in hun schoolagenda. Het was een nachtmerrie. In de avonduren van de volgende dag en tot de morgen hoorde ze drukke bedrijvigheid op de straat van rinkelende fietsen en luid roepende grensarbeiders. Ze zal in de ochtend vernemen dat de Franse grens gesloten werd en dat Duitsland vrije doortocht vroeg.

Lena spoedde zich naar de school waar de directeur haar maant zo vlug mogelijk huiswaarts te keren. Overijld nam ze de eerst aangekondigde trein naar Kortrijk. Ze voelde zich niet beangstigd, het was meer met een gevoel van opluchting dat ze haar eerste leservaringen achter zich liet.

Een paar uur later werd het vliegveld van Wevelgem gebombardeerd. In Kortrijk stapte ze over op de D-trein naar Brussel. Overal heerste er een drukte en een gejaagdheid. In de bomvolle trein die haar van het Noordstation naar Leuven bracht stonden de gemobiliseerden in hun veel te enge uniformen minder luidruchtig dan je het zou verwachten, alleen de kleurrijke kwispels op hun soldatenpetten zwierden vrolijk heen en weer. De middagtram bracht haar naar het vertrouwde dorp. Pa en Ma waren opgelucht hun jongste veilig thuis te weten.

Daar staat Bram, vertrekkensklaar, opgeroepen.

“Ga je mee tot de eerstvolgende halte buiten het dorp?”, vroeg hij en er ligt iets treurig in zijn anders jolige stem.
(XII)(12)
Ze zag nu overal bekende mannengezichten, hun soldatenpakken ook strak rond de forse lijven gespannen. De straat liep vol met de buren die afscheid kwamen nemen, maar ze namen het luchtig op.

“Over een paar dagen zie je ons weer, Nathalie”, riepen ze naar Ma.

Sommigen onder hen zagen we nooit terug. Ze sneuvelden die eerste dagen aan het Albertkanaal; want nu werd het menens.

Engelse troepen trokken door het dorp oostwaarts. Toen de Pinksterzon hoog aan de hemel de kermis in het dorp zou inluiden viel er niet veel te feesten. Omdat het dorp aan een kruispunt lag tussen Leuven, Diest, Aarschot en Tienen werd het een geschikt doelwit voor de Duitse Stuka’s om de achteruit trekkende troepen te hinderen. De hele buurt zat opeengepakt in de stevige gewelfde kelder van de brouwer toen de eerste bommen vielen. Lena herinnerde zich een verhaal van Hilarion Thans, een Limburgse aalmoezenier in de Eerste Wereldoorlog; hij beschreef een drama in het gebombardeerde huis, waar het projectiel dwars door de zoldering en kamers onberoerd was heen geschoten om dodelijke vernieling te brengen bij de bewoners die zich in de kelder veilig hadden gedacht. Lena hield het in de enge benauwenis niet meer uit al hadden ze er luidop gebeden, ook de socialisten uit de Looikensstraat, die nooit naar de kerk kwamen. Lena moest erom glimlachen, “ja, in tijd van nood”.

Ze liep de tuin door waar de seringen in volle bloei stonden en legde zich hijgend neer. Een sliert bommenwerpers kwam weer achter de heuvel aan. Ze doken onwaarschijnlijk precies naar boven het kruispunt en richtten zich bijna steil weer op waarna het bulderend geluid nog seconden lang nazinderde. Het was een vreemde ervaring. Het leek of de wereld had opgehouden te bestaan. “Hoe konden madeliefjes nu nog bloeien en de opgeschrikte vogels hun gestoorde zang voltooien?”, dacht Lena. Zo konden ze in het dorp niet blijven. De bombardementen zullen heviger worden en wie weet wat zal het worden als een of andere onverlaat het vuur opent of de vreemde troepen voor het hoofd stoot als ze het dorp binnenvallen?” Ze huiverde als ze dacht aan de dorpsgenoten wier foto’s in de kerk hingen en die in de vorige oorlog bij een dergelijk gebeuren waren neergeschoten.

Het was een zeer verscheiden gezelschap dat in de hoeve van neef Prosper een onderkomen zocht. Het erf lag een paar kilometer buiten de kom. Daar lag het representatief gedeelte van het dorp op inderhaast bijeen gebrachte schoven. De bonkige pastoor naast Masoeur Superieur die de tachtig voorbij, seniel met de glimlach alles over zich heen liet komen. Kobe en Paulien hadden reeds een paar jaar hun gouden jubileum gevierd.
(XIII)(13)
“Elvire, steekt het licht aan”, hoorde ik schalks vader zeggen.
“Waarom Juul, dat mag niet, we moeten verduisteren”, antwoordde ze korzelig.
“Om Kobe naast Paulien te zien liggen”, lachte hij met binnenpretjes.
“Ge zult gij ook eens oud worden Juul”, schraapte de stem van Kobe.

Lena sloop langs de achterkeuken naar het erf. Ze sloeg haar sjaal wat dichter om de schouders en ze rilde. Al was de meidag al behoorlijk warm, de open hemel koelde de ontkiemende aarde snel af. Het was een vreemde bedoening. Niets was nog gewoon nu. Het dorp was nu zeker dood al zwierf er beslist guur volk rond de verlaten huizen. Het jonge mansvolk was naar het zuiden gevlucht. Broer Bert was met andere studenten kameraden nog even langs gekomen om afscheid te nemen. Niemand wist voor hoe lang. Lena voelde een onzekerheid die haar toch niet erg beroerde. Het was eerder een wennen aan een toestand die de sleur van het alledaagse doorbrak. Het had iets van een opwindende verwachting ondefinieerbaar maar tastbaar aanwezig.
X
X           X
In de zure lucht van de besloten ruimte ontwaakte een bonte groep van bewoners, hoestend en kuchend; het stro en het stof verwijderend met korte klopjes. Het maakte de benauwenis nog drukkender.

“Waarom gooide Liza de keukendeur niet open”, dacht Lena. Ze zag hoe Liza ze integendeel vlug achter zich sloot. Ze stond er met de hand voor haar verschrikte mond. Er kwam lawaai en hoefgetrappel van het erf en harde afgemeten bevelen. Lena gleed langs de muur naar de deurkruk en toen de frisse meilucht plots binnen gulpte zag ze voor zich de grijsgroene uniformen met daarboven breed-lachende gezichten die haar gekscherend toeriepen. Daar stonden de vijanden nu voor haar. Ze drumden voor de waterput en pletsen het koele water op hun forse ontblote bovenlijven. Waar waren de gevreesde pinhelmen die Lena op schoolafbeeldingen had gezien en waar stond op hun boerengezichten de wreedheid van hun wraakgevoelens te lezen die ze zo dikwijls in de verhalen van de oudere dorpsgenoten had gehoord toen ze de gruwelen vertelden van de Eerste Wereldoorlog.
Finneke, haar zus was haar naar buiten gevolgd.
“Ik durf ze niet aan te kijken”, murmelde ze bedeesd.
“Och kom, ze gooien chocolaatjes naar me toe”, suste Lena, die trots haar schoolse kennis van Duits naar bovenhaalde: “Danke schön”, riep ze.

“Niet opeten, niet opeten”, hoorde ze de stem van tante Stefanie, “ze zijn waarschijnlijk vergiftigd”. En toen nicht Louiza met een dampende koffiekan naar buiten kwam; om haar angst verbergend, overdreven inschikkelijk de koppen aan te reiken: “hoe doet ze dat nu, het is toch de vijand”, protesteerde voor zich murmelend, Lena’s patriottische tante. Ze zou ook later als
(XIV)(14)
waardige Belg steeds een driekleurig lint op de revers van haar zondagse jas spelden als ze naar de hoogmis ging om ostentatief uitdrukking te geven aan haar vaderlandse gevoelens, misschien om zich te distantiëren van de flamingantische kroost van broer Juul.

Toen de eerste verrassing van de confrontatie met de vijand wat gestild was vertrok het bonte dorpsgezelschap uit de gastvrije hoeve aan de Motbroek. In groepjes trokken ze terug naar het vertrouwde centrum. Daar lag geen kruispunt maar een breed uitgerokken krater als de mond van een vulkaan. De bakkerswinkel en het gemeentehuis waren ingestort en erachter zag men de hoog gemetste grafkelders naast de kerk met hun kruisen er als wachters uitsteken. De kerkvensters glinsterden, maar hier en daar meer in het noenlicht en er gaapten zwarte openingen waar eens St Joris, de patroonheilige, en Sinte Barbara gezeefde kleur hadden verspreid uit hun hoge glasramen.

Met moeder spoedde Lena zich eveneens naar het dorp. Ze maakten een omweg langs de tuinen van de verlaten huizen. De Duitse tanks hadden al aan weerszijden van de dorpskom hun weg gebaand door de hovingen en bereikten aldus nog vlugger de steenweg naar Leuven toe. De soldaten marcheerden in grote pelotons en naast hen reden de moto’s met hun side-car daarin klonken plots luide bevelen en heel de in de pas stappende sliert hief een gecadanseerd lied aan, het klonk vrolijk en opgewekt. Wat een tegenstelling met de vorige dagen toen de eigen troepen met Engelse versterking ongeordend en ontredderd het dorp hadden verlaten. Hier en daar zelf waren piotten op de loop gegaan en hadden hun militaire attributen stiekem verwisseld voor civiele kledij de komst van de vijand afwachtend.

De oorlog was begonnen en vermits de binnenvallende troepen zo snel het land hadden ingenomen kon het dit keer zeker niet lang duren. Niemand vermoedde toen dat deze “Blitzkrieg” nog meer dan vier jaar zou duren en voor Lena een tragische wending zou nemen.

(XV)(15)
III

Achter hoogstammige bomen lag het neo-gotische kasteel even buiten het dorp. Een hoog ijzeren hek sloot de brede dreef af. Het park strekte zich zacht glooiend uit tot waar het aan de noordkant in het dichte struikgewas ophield. Vooraan aansluitend bij de Wingerbeek lag de vijver, daarop mocht ’s winters geschaatst worden. Niet iedereen want de jonge freules bepaalden zelf wie ze deze gunst verleenden: het waren dokters kinderen die vlak aan de andere zijde van de steenweg woonden; de zoontjes van een ingeweken Franstalige Brusselaar en de meisjes van de gemeentesecretaris die Le Soir las.

Een tiental treden hoog bevond zich de statige toegangsdeur en onder naast de trap kon men de gelijkvloerse vertrekken bereiken, het verblijf van Marie, de concierge en Flip haar man, jachtopziener, die ooit de geduchtste stroper van het Hageland was geweest en dus best geplaatst  leek in de uitgestrekte bossen de wildjagers op te sporen aldus de markies. En daar werd geducht op wild gejaagd ’s nachts met de lichtbakken lagen de stropers geduldig te wachten op holen en pijpen bewoners die dartel springend een gewisse dood vonden in de heldere lichtstrepen of in de venijnig opgestelde stroppen. Lena had  de daders dikwijls met hun bevlekte weitassen zien binnenkomen als ze hun buit kwamen te gelde maken bij haar oom die elke morgen in zijn rood kleine Citroën naar de vroegmarkt in de Brusselse hallen reed.

Lena gaf een snok aan de trekbel, die galmde nu door de hoge statiehal.
“Als Marie nu maar vlug naar boven komt”, dacht ze. De nijdige oostenwind maakt de vrieslucht nog ondraaglijker; ze rilt in haar hoog opgezette kraag. Het was nu al de derde keer dat ze naar het kasteel kwam stipt om halfvijf voor een uurtje Nederlands aan de Fransprekende freules, ook de gouvernante volgde de les.

De markiezin was met het voorstel bij haar ouders geweest en vermits Lena sinds haar ijlings vertrek uit de middelbare school van Menen in huis maar rondhing had ze aanvaard. Ze kon zelf goed opschieten met de jonge dames, die amper een jaar jonger waren dan zijzelf. Vooral de zachte dromerige Beatrix met donkere ogen en gitzwart haar vertoonde een treffende gelijkenis met de in Duitsland geïnterneerde markies van Italiaanse afkomst.
Lena voelde een zekere aanhankelijkheid van haar uitgaan. Misschien was ze eenzaam in het onooglijke dorp waar ze niemand van haar soortgenoten vond in stand of begrip.
Henriette was de tweede zus, een heel ander type, afstands en gereserveerd, moeilijk te benaderen, wellicht bewust van de afstand die diende bewaard tussen haar en het dorpsleraresje.

Dartele Colette nog jong en speels was voor Lena een prettige afwisseling wanneer ze de zinnetjes moest debiteren: “ik ben Colette en leer Vlaams spreken”.

Lena bleef steeds het avondmaal gebruiken in de grote gotische ridderzaal. Ze vond het steeds bevreemdend te worden bediend door Marie die haar ogenschijnlijk de eer niet gunde.

Aan de hoge wanden hingen de statige afbeeldingen van de voorvaderen. Lena bestudeerde de doordringende blikken van de adellijke voorvaderen van de markiezin. Een hertog van Arenberg had aan de zijde van Oranje gestreden bij het beleg van Bergen-Op-Zoom. Een nazaat van Egmont was er ook vertegenwoordigd. Een afbeelding intrigeerde Lena heel bijzonder. Het doek hing tegen de oostelijke wand van de zaal en in de schemering viel het avondlicht erlangs het hoge raam vlak op.

-“Het is de jongste broer van mijn grootvader Rupert, hij viel tijdens de omwenteling in het leger van koning Willem”. Haar stem klonk zangerig en verfijnd.
-“Hij was nog heel jong”, mijmerde Lena.
-“Nog geen dertig.”

Lena keek naar de jonge luitenant en was er onweerstaanbaar toe aangetrokken. Ze meende dezelfde weemoedige trekken te herkennen op het gelaat van de markiezin.
Op dat ogenblik werd er heftig aan de bel gerukt. Het galmde luid en bevelend door de hoge hal. Marie kwam even later hijgend en opgewonden de eetzaal binnen.
-“Mevrouw, er staan grauwen in de hal, ze willen u spreken.”
-“Laat ze hier binnen Marie”, antwoordde de markiezin met een tikkeltje van wrevel in de stem, terwijl ze zich ogenblikkelijk hautain oprichtte. Marie schoof voor de bezoekers weg toen ze de gangdeur openduwde.
Twee Duitse soldaten traden binnen. Ze klikten de hakken tegen elkaar en groetten met een korte tik aan het hoofd.

-“Verontschuldig ons Mevrouw voor deze storing. Mijn compagnie zal voor onbepaalde tijd in het dorp verblijven en wordt bij de burgerbevolking ingekwartierd. De Oberleutnant zal in het kasteel zijn intrek nemen. We willen de kamers zien. We kennen het aantal van de bewoners en zeker zijn er nog meerdere kamers beschikbaar”.
De markiezin keek vragend naar Lena die het bevel verstaanbaar overbracht.
(x)
Even later hoorden ze het gedreun van gespijkerde laarzen door de gangen en kamers en “het wordt killig, we zullen de haard aansteken want wie weet wordt de kolenbevoorrading niet moeilijk”.
-“Dat zal toch voor deze winter niet zijn”, antwoordde Lena, wiens vader een kolengroothandel hield, ze wist hoe de voorraden zich hoog opstapelden in de magazijnen.
Toen de zware stappen doffer klonken wisten ze dat de soldaten langs de met een dikke loper beklede eretrap naar beneden kwamen.

De zware portaaldeur viel dicht en Marie berichtte nors: “De twee logeerkamers aan de zuidkant werden door die fijne heren voorbehouden”. Ze streek met haar vlakke hand onder de neus zodat die akelig naar boven wees. Haar afschuw voor de bezetter was te verklaren: haar oom was in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld een paar maanden slechts voort de wapenstilstand en haar vader, door gas bevangen in de zompige loopgrachten van de IJzer, was nooit meer de oude geworden en moest met een karige invaliditeitsuitkering een kroost van zes onderhouden.
Marie maakte al zo lang de vergelijking;: “Hoelang had deze weerstand geduurd? Achttien dagen. Dan waren de mannen van 14-18 andere kerels!”
Ze heeft ze zien terugkeren die eerste dagen van de oorlog. Ze hadden hun wapens gewoon weggeworpen en ze hadden er geen spijt van, neen, ze waren nogal eens blij geweest te kunnen terugkeren naar huis, vrouw en lief. Wat had die Bram geroepen weer geroepen?
“Voor dat Belgiekske hun leven laten zeker? We hebben de bevelen van die fijne officieren nauwelijks begrepen en ze waren eerst om te gaan lopen.”
Marie had daarop geantwoord: “Wel onze mijnheer”, ze bedoelde daarmee de markies, “die heeft dat niet gedaan. Hij werd aan het Albertkanaal gevangen genomen en is nu krijgsgevangene, weggevoerd naar Duitsland.”
Ze had toen strijdlustig haar prognatieke kin naar voorgestoken alsof ze zelf een ereteken verdiende.
“Dat soort volk heeft geen greintje vaderlandsliefde, die worden op het dorp aangetrokken door die oud-activist De Leener met zijn V.O.S. kliek en zijn zoon Lode met de rode pet belegt vergaderingen voor het jonge volk en tot laat in de nacht klinken er liederen over Vlaanderen… wij zijn toch vooreerst Belgen.”
Zo kon Marie dan haar hart luchten. De markiezin glimlachte om de patriottische uitlating van haar toegewijde huishoudster. Lena keek met een meewarige blik naar de drukdoende meid. Ze had wel gezien dat ze tijdens haar vurig betoog naar haar keek met een zekere minachting omdat ze wist voorzeker dat Lena zelf bij De Leeners nog al dikwijls aan huis kwam.
(x)
De stemmigheid van de avond was nu doorbroken en de markiezin die zo even nog over haar jong gesneuvelde voorzaat had gesproken bleef peinzend dromerig door het raam staren. Lena bevroedde dat ze dit keer niet aan de donker besnorde kleine edelman dacht die ergens in een stalag op een vrijlating wachtte.

Elke week immers als Lena haar drie pupillen naar haar eigen thuis meenam voor een wafelbak of oventaart die haar moeder zo smakelijk kon bereiden, elke week als het jonge volk niet tijdig genoeg het bordes afsprong, kwam de statige bezoeker, hoog op zijn fiets de toegangsdreef ingereden. De manier waarop hij zijn stalen ros hanteerde deed haar onwillekeurig denken aan de galante ruiter die ogenschijnlijk beter zijn vurige volbloed zou bestijgen maar de stoeterij die hij beheerde werd gesloten toen de laatste dieren tijdens de mobilisatie waren opgeëist. Hij was blond en droeg een donkere bril, toen hij naderde vermeende Lena een tikkeltje gêne te bespeuren. Hij zwierde zijn ene been in een grote boog over het frame en toen hij het rijwiel tegen één der bordeszuilen stalde en nu de trappen besteeg herkende ze de verwoede ruiter aan de kromming van de benen.
“Bonjour monsieur Maurice”, riepen de freules bijna in koor.
“Amusez-vous bien mes petites », antwoordde hij en knikte even Lena toe die zag hoe de markiezin zelf de deur al had geopend. Het was ook Maries vrije namiddag…

Lena dacht nog even na over de uitval van de meid over de familie De Leener. Ze moet toch ook geweten hebben hoe ze Lode hadden meegevoerd vlak vóór de Duitse inval in die eerste meidagen toen zenuwachtige officieren en zogezegd ingelicht door vaderlandslievende personen, jacht maakten op vermeende spionnen. Die werden zo van overal gesignaleerd. De nietsvermoedende handelsreiziger in de winkel van Trees Van Doren, de twee minderbroeders die op jaarlijkse bedeltocht waren, de Pachapubliciteitsborden met ogenschijnlijk vijandelijke codes werden afgerukt. Lena had later vernomen hoe Lode met de “spooktrein” samen met honderden andere verdachten was meegevoerd naar het zuiden. Ze had angstig geluisterd naar het verhaal van de schietpartijen in Abbeville, waar Joris Van Severen, het boegbeeld van het Verdinaso door dronken soldeniers laffelijk werd neergeschoten. Voor de overblijvenden kwam de snelle Duitse opmars welgelegen. De terugkerenden waren getekend door een wekenlange helse tocht met het ingekerfde merk van haat tegen het onrecht dat hen was aangedaan. Lode was erbij, hij zou het relaas neerschrijven zei hij toen hij weerkeerde, nog heviger dan vroeger laaide in hem de gedachte op van een Vlaanderen wars van omkoperij, van bedrog en eigenbelang van de heren die het moesten dienen. Het motto “Vlaanderen Eerst” dat hij in de studentenbeweging had naar voren gedragen moest en zou gestalte krijgen
x
“Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus”. Als dat het nieuwe ordewoord was,dan wou hij erbij zijn, er alles voor over hebben.
Hoe had Hugo Verriest het ooit verbijsterend scherp verklaard op het Bormsproces: “De zaak Vlaanderen is zo eerlijk dat mochten we het door de duivel verkrijgen, we het zouden moeten aanvaarden”. Het was alleszins het verhaal van Bram en die kon het weten, want zijn vader wist het van Eugeen De Ruyter een veroordeelde van de Raad van Vlaanderen en een ingezetene van het dorp, de oom van Gerard Romsée. De meest jong-studenten van het dorp luisterden ontvankelijk voor de ideeën die weer zouden openbloeien na het bisschoppelijk fnuiken van het A.K.V.S.
X
X      X
Lena verliet het kasteel langs de dienstingang en nam haar fiets uit de remise. Ik loop wat dacht ze en al was het fris, de avond zat vol gloed, gevangen in een ogive van wolken. Ze trok haar muts met recht boordje stevig in tot net boven haar staalblauwe ogen en dook weg, haar opstaande brede kraag beschermde haar ene wang. Een grauwe wagen zwenkte de toegangspoort in. Een strak gespannen wimpel sierde de voorste rechtervleugel. Ze moest even leunen tegen het ijzeren hekken van de openstaande  poort, waarboven het wapenschild der Farenzi’s prijkt: gekuiste aren vastgehouden door een kroontje.
Het zal de officier zijn voor de inkwartiering, vermoedde Lena. Ze keek vluchtig naar de inzittenden toen die wagen behoedzaam voor haar vertraagde. De chauffeur, blozend gezicht met puilende flappers onder de schuine soldatenmuts: de ordonnans wellicht. De officier naast hem bracht met kort afgemeten gebaar de gehandschoende hand aan de kepi en glimlacht. Lena merkt nog juist het kruisje onder de kraag. Een held, een ridderkruis dacht ze, het duurt een fractie maar en ze prevelt voor zich: “Rupert, hij lijkt op Rupert de jonge gesneuvelde op het doek in de kasteelzaal…”
De oberleutnant tuurt peinzend vóór zich uit. “Naumburg”, murmelt hij, “die Uta in die Kathedral ”(*).
“Sagen sie was Herr Oberleutnant“, vraagt de ordonnans.
„Nein“, antwoordde de held kort.
X
X      X
De winter sloeg ongenadig toe. De bevoorrading geraakte verward. De bevolking ontving zegels en de voedingswaren werden gerantsoeneerd. De boeren beleefden hun tijd. Van het schokkend landelijk trammetje kwamen de “smokkelaars” (-zo noemde men de bevoorraders van de “zwarte markt’ uit de stad naar het land).
Vrouwen borgen hele boter reserves in de zakken die ze ingenieus in de onderkleren naaiden.
(x)
Zo hoopten ze de risico’s van de controle te ontlopen. Winterhulp, een in nood opgericht comité, zou de hoogste nood lenigen.

In het kasteel genoot men van de vrijgevigheid van de pachters die met St Andries bij de vereffening van de landhuren wel één en ander aanbieden in hun rieten eierkorven: een tikkeltje middeleeuws.

De markies was nog steeds niet teruggekeerd; dit voorrecht genoten de Vlaamssprekende krijgsgevangen. In het dorp wist men toch dat hij nauwe banden had met de Rexbeweging, zelfs hun leider Leon Degrelle had er ooit gelogeerd, misschien wel in de pronkbedstee waar bij een feestelijk oponthoud prins Karel ook had verbleven. Lena had er met de jonge freules al dikwijls grapjes over gemaakt dat ze, wat een uitzonderlijke eer,  hetzelfde bed beslapen had.
Met de eerstvernoemde connectie kon de terugkeer van de markies niet lang uitblijven, vermits “le beau Leon” zijn Germaanse afstamming ontdekte.

De verschillende nieuwe ordebewegingen, die in de nieuwe toestand wel brood zagen, breidden flink uit en iedereen was overtuigd dat de oorlog nu wel gauw zou eindigen. De regering in ballingschap zond opbeurende berichten door en Jan Moedwil werd toch in menige huiskamer in het geheim beluisterd. Hij deed dit in een rauw scheldende taal die stilaan de gemoederen opzweepte nu het Naziregime de overtocht naar het witte Albion niet waagde en steeds maar uitstelde.

De inkwartiering der Duitse soldaten in het kleine dorp verschilde weinig met de vooroorlogse verblijven van de eigen compagnies op doortocht naar het oefenkamp van Beverlo, alleen verbleven de laatste er maar kortstondig: een nachtelijke pauze in de voetmars. De grauwen echter leken er hun winterkwartieren op te slaan. Ja, winterkwartieren, ze kregen onderdak bij de dorpsbewoners die hun beschikbare plaatsen moesten vrijgeven. In de cafeetjes dronken nu gezapige gefreiters hun pilsje en waagden aan de hooggeboezemde Marie hun heimat- en andere liedjes “Schöne Mädels gibt es überal”.
X
X    X
Lena bond de schaatsen aan bij de boord van de vijver, die al in november vast dichtgevroren was. De boswachter heeft met de hakbijl het dek getest vooraleer de freules de winterpret mochten inzetten. De Friese schaatsen zaten wel onwennig in de vastgesnoerde riempjes en grote bevallige ringen zou ze er niet kunnen mee maken, ze dienden immers eerder voor lange afstanden op noordelijker gelegen kanalen en rivieren. Misschien zou de Elfstedentocht weer kunnen plaatsvinden. Nu droomde ze van echte aangepaste schuivers op witte laarsjes zoals Sonja Hennie ze droeg vorige week in de film “De Witte Fee”.
“Essayez”, riepen de meisjes.
Het lukte haar warempel nog. Ze volgen nu met hun vieren en glijden
(x)
luid gierend. Hun adem walmde in de vrieslucht langs hun blozende wangen. Heerlijk… Kleine Colette gooide muts en sjaal weg.
-“Trop chaud”, riep ze naar Lena.
-“Tu prendras froid”
-“Mais non, mais non… »

Voor het venster van de eetzaal bemerkte ze de grijze rijzige gestalte van de Oberleutnant naast de markiezin.
Keken ze naar de jolige groep of tuurden ze naar het westen waar een grote vuurbol stilaan verdwijnt, de hemel zit plots vol met brede rode slierten.
Ze zal de afbeeldingen tonen van de voorvaderen, misschien had ze de gelijkenis bemerkt van de jonge officier met die van haar betovergrootvader dacht Lena. De schemering viel snel in als het jonge groepje kinderen de grote kelder betrad.
Marie maande ons korzelig aan de schaatsen netjes op te bergen en ons te verfrissen vooraleer we aan tafel gaan. Ze plaatste al de dampende koffiekan in het keukenliftje en trok behoedzaam aan de glijkoord waardoor het hele stel naar boven schoof.
Wanneer ze de eetzaal binnen kwamen stonden de kasteelvrouw en de officier nog voor het raam, ze keerden zich om in een nimbus van het tanende zonlicht.
-“Steek de lichten aan, mademoiselle”, zegt de markiezin. De gouvernante knipt de schakelaar en de zware koperen luchter verspreidt een gele warmte over de gedekte tafel, dan serveert ze de koffie. Lena bemerkte de lichte blos op het anders bleke gezicht van Mevrouw en voelde een vaag onbehagen alsof ze getuige was geweest van een nieuwe verovering.
Sedert een paar dagen gebruikt monsieur Ernst – zo liet hij zich noemen – het vieruurtje met het hele gezelschap.
De radio speelt in sourdine het pianoconcerto van Rachmaninoff. Het was de tweede beweging -heftig getormenteerd-luid genoeg om de stilte te doorbreken. Lena bewoog middel en wijsvinger ritmisch op de tonen en bemerkte de doordringende blik van de Oberleutnant. Onwennig staakte ze haar handspel en sloeg de ogen neer. Op de tafel stond de grote ronde schaal die zachtjes om haar as bewoog. Lena reikte naar het melkkannetje en de lange slanke hand met de zegelring draaide het stel naar haar toe en glimlachte heel even. Waarom verwarde het haar zo?

De markiezin zat zoals gewoonlijk aan het hoofdeinde even links van de brede dwarskant; de ruimte rechts was de plaats van de kasteelheer. Sedert hij gemobiliseerd werd en nu in krijgsgevangenschap verbleef werd zijn plaats niet bezet. Lena zat rechts
(x)
van mevrouw en vlak voor haar de galante Duitser, naast hem probeerde Mademoiselle de freules te bedaren, die weer van plaats wisselden.
-“Wie zit naast mij?”, vroeg Lena lachend.
Bijna altijd was het kleine Colette die het plein won.
-“Hoe vorderen de Vlaamse lessen bij de pupils?”, vroeg hij in vlekkeloos Frans.
-“Ze zijn bijzonder ijverig”, antwoordde Lena en keek weer naar de gelijkende beeltenis achter hem.
-“Het is een mooie taal en verwant met ons Platduits, we hebben geen problemen ons met de bevolking hier in het dorp te onderhouden”.
Mevrouw leek even onwennig. Ze woonde bijna twintig haar hier en kon zich slechts in een stuntelige streektaal uitdrukken met woorden en accenten die Maries afstamming verraadden uit het lager gelegen gehucht achter het Broek. De markies kon zich beter behelpen. Veel contact had ze niet met de landelijke gemeenten. De notaris, de dokter en ook meneer pastoor spraken Frans als ze op de wekelijkse bridgeavond in het kleine salon de Bourgognewijn loofden die glooiend in de roemers de tongen losmaakten. Alleen de kleine nukkige kapelaan die weleens zijn confrater verving lag dwars. Was hij immers op een  avond na het zoveelste glas niet opgestaan en Rodenbachs vers geciteerd:
“Men zegt dat Vlaams te niet zal gaan, ten zal”


(*) “Naumburg…, die Uta in die Kathedral”:  men neemt aan dat het gaat om een sculptuur die Uta von Ballenstedt (ca 1000-1046) voorstelt, gemalin van de machtige markgraaf Ekkehard II. (Meißen). Het beeld, “een postmortem gemaakt ideaalbeeld”, bevindt zich in de kathedraal van Naumburg en is opmerkelijk door de inkleuring:

Uta en Ekkehard:

Ps: Nand zou later deze “Uta” op doek vastleggen. Jammer genoeg werd dit schilderij verkocht, ik beschik enkel over deze still uit een 8mm film (een opname n.a.v. de viering van Nand zijn 80ste verjaardag in de Abdij van Grimbergen in 1987), logischerwijze een heel wazig beeld, maar de Uta is wel herkenbaar rechts bovenaan met gouden kroon:

Hieronder het stukje 8mm film waaruit deze “still” komt  (30 % vertraagd ), de Uta is het schilderij links bovenaan op de muur:

Nand schreef trouwens al in 1936 het gedicht “Ekkehad en Uta”, opgenomen in zijn tweede bundel “De Geesel Gods”, p.38 in het hoofdstuk “De Gothiejk” (hier in verbetering voor 2de druk):