Zondag 15 oktober Nand 24ste brief

Gistel den 15.10.50

Liefste,
Stilte rondom mij .. De vulhaard was uitgegaan, het is hier koud. Het duurt weer een paar dagen eer ik mij in deze nochtans zó vertrouwde omgeving op mijn plaats gevoel – zo werd ik door schoon beleven eruit gerukt. En – zeldzame en kwellende verrassing! – op dit ogenblik is er een heldere en hartstochtelijke sopraan in London, die mij Grieg’s “Ich liebe dich” doet horen. Ik luister en mijn herinnering zingt mee: ich liebe dich, ich liebe dich .. Liefste mijn laat mij je altijd vuriger, altijd dieper, altijd schoner liefhebben. Ik weet dat ik het kan: maak jij dat het zo worde, dring in mij door: jij hebt alle sleutels in handen. Open de meest verborgen kamers, de heimelijkste gangen waar nog de stilte heerst van voortijdelijke en onbetreden grotten, ontsluit er de luiken: daar zijn brandvensters, hunkerend naar licht, die zullen gloeien met den hartstocht van het avondrood, voor jou en jou alleen .. Rn uit de stilten zullen stemmen opgaan die haken om te zingen, de schoonste zangen die de aarde ooit hoorde, voor jou en voor jou alleen. Daar zijn vreugden die ik nog moet uitspreken, hunkeringen die als vormeloze materie in mij te wachten liggen. Eén woord, één gebaar, één oogopslag kan deze sluimerende krachten opwekken tot verheerlijkt leven voor allen tijd. Jij kúnt dat – ofwel, wat God verhoede, ze voor immer doen zwijgen, want jou heb ik lief met een gave, volkomen liefde. Reeds heb je veel donkerte in mij tot licht gemaakt. Ik dank je om al wat je mij gedurende dit week-end hebt gegeven en dat nu in mij als levend bezit blijft nazinderen .. In Brugge liep ik verleden week rond, met het heimwee naar onze eerste ontmoeting – broze, innige uren met geluk doortogen. Ik was ontgoocheld, vertwijfelde: er hoeft niet veel om het doorzichtige porselein van het geluk tot scherven te slaan .. Ten slotte heb ik mezelf overtuigd dat je in een ogenblik van radeloosheid had gehandeld, en zeker niet de bedoeling had één wig te drijven in onze liefde – wat ons noodzakelijkerwijze van elkaar zou vervreemden. Het week-end dat wij thans te samen beleefden heeft mij in deze overtuiging bevestigd. Ik dank je om deze schone en innige uren die ons weer dicht bij elkaar brachten. Heb je gevoeld hoe vast ik je in mijn arm vasthield ginds te St Amands vóór het graf van Verhaeren? Daar lag nu de dode dichter, beroemd de wereld door: een koud, stenen metselwerk, vuil van ebbe-slijk, verlaten en troosteloos vóór een modderig vergezicht .. Wat is de arme dichter in zijn tombe van beton en ijzer te beklagen! Ik heb mij afgewend, jou arm in de mijne … Laten wij leven, Liefste, schoon leven eer het te laat is. Blijf voor mij wat je was in de herfstige dreef, toen je de bruine bladeren tot een ruiker bijeenbracht: een rijpe, rijke vrouw die niets bedingt, wier gave het is met verrukking weg te schenken. Nog ligt de opperste communie niet in ons bereik, maar reeds de belofte bedwelmt, zoals ook rode wijn met zijn geur bedwelmt, vóór den zaligen dronk. Laten wij verbonden blijven (zoals een dichteres weleens schreef ..) door een gevoel waaraan “geen grenzen groeien”. Jij moet mij terzijde staan in het grote gevecht voor mijn “goddelijke verbeeldingen” tegen de dorperen en de dommen, de ijlhoofden en botte genieters. Jij bent ook een getekende en geroepene, een uitverkorene. Jij hebt de ijlheid en de voosheid van de luidruchtige kudde gepeild: wij zijn bestemd, wij beiden, tot groter dingen. Om het bezoek aan Antwerpen ben ik je dankbaar: schepen en havendrukte dat is voor mij ate en drank. En nog bedwelmt mij de lauwe geur van roerloze dennebossen .. Liefste mijn, ik zoen je, zoals op de heide, zacht in je lieve hals.
Nand.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *