Donderdag 26 oktober Nand 30ste brief

Gistel, den 26.10.50

Zaterdag namiddag “zwierf” ik door het open herfstland toen volgend vers mij “verrast”, als het ware gelaarsd en gespoord ..

Ik droomde, droomde dat ik U verloor,
en zoekend vóór een eenzaam water stond,
een poel van roerloos grauw, en zonder grond,
bij duister riet dat huiverde in de smoor ..

En dat ik vlood, de klamme velden door,
alleen, en liep de moede voeten wond,
en doolde in bar geboomt, en niemand vond,
niets dan dor loof, en mijn verloren spoor ..

Toen zag ik, vreemd nabij, uw zuivere ogen,
zwaar van een warend leed, en mild bewogen,
en elke rand was van lang wenen rood.

Zo wist ik dat ik dwaalde, wreed verlaten,
een bittre schaduw lustloos en verwaten,
door deemstrende gebieden van den dood.

Moet ik nog zeggen hoe het den dichter te moede was? Hij schreef dit zaterdag. Je kan je wellicht voorstellen wat het zondag was. En hoe het den maandag met hem verging, na dat bevreemdende telefoon-gesprek (ik raadde wel dat er iemand mede-luisterde ..), dat zal je in eeuwigheid niet vermoeden .. Wat schreef Boutens ook weer: “Liefde, liefde die als lijden zijt ..” (1).
Een dichter liep hier rond met kwellende visoenen van het eiland Walcheren, waarboven schitterde de heldere Stella Maris ..  En in de plaats daarvan beleefde hij motregen, killige wind, een luidruchtige dorpskermis en eenzaamheid te midden van blonde schonen met hun vrijer ..
Het nobele cello-concerto van Bocherini met zijn haast onaardse rust-in-de-vreugde, heeft hem wat zielsgezelschgap gebracht .. (2) maar Liefste mijn, bezorg mij zo weinig mogelijk dergelijke week-ends !
Ik zie naar Gent uit. Aankomst van een afgrondelijk-somberen dichter te 9.08 u ! Hij zal op je wachten aan het station ! Intussen kust hij éen voor éen je lieve ranke vingeren … Kom, en verstrengel ze rondom “het peinzende hoofd” van
je Nand


(1) “P.C. Boutens”: de dichter Pieter Cornelis Boutens (1870-1943):

“O liefde, liefde, die als lijden zijt,
Rijs in mijn oog met iedren nieuwen dag,
Dat ik de wereld en haar kindren mag
Zien in uw licht, een kind dat u belijd.

En laat mij niet alleen, maar in den nacht
Daal in de schaduw van mijn koele borst,
Dan zal ik veilig slapen als een vorst,
Die rust in ‘t midden van bevriende wacht.

Zoo moog ik zijn als dun albasten vaas,
Boordevol bloed van uwen rooden wijn;
In ‘t nachtehart als een weekgele schijn,
In donkre nis weenlichtende topaas;

Maar in den dag een levende fontein,
Die stroomt den dorstenden zijn zoet solaas.”

(2) “Boccherini”: bv Cello Concerto in D Major: