Fysieke verschijning: getuigenissen

Interessant is opmerkzaam te zijn voor de weinige getuigenissen waarin anderen weergeven welke indruk de “fysieke verschijning” van Nand op hen maakt, los van zijn werk, maar, zo blijkt, het ene is onlosmakelijk met het andere verbonden, allen valt hetzelfde op: zijn gestalte, en één woordje keert bij allen terug: “melancholie”. Tot nu toe vond ik er drie.

Voor een meer uitgebreide uitleg over deze getuigenissen verwijs ik naar de betreffende pagina’s die je in de link kunt aanklikken.

1930, Leuvense studententijd in het blad “Ons Leven” (de tekeningen zijn ook van Nand, wiens naam hier als “Nant” wordt geschreven, in het groene studentenliedboek staat zijn naam ook zo geschreven in de praeseslijst vooraan, bij jaartal 1929)

“Mannen van Beteekenis” ofte Spieghel memoriael van illustere personagieën dien den roem uitmaken van de LEUVENSCHE STUDENTENWERELD tot stichting ende leringhe van de huydighe en commende generatiën saemgelezen deur die Tamboeren van “ONS LEVEN”

NANT, Summus Pontifex.

Zoo dikwijls ik z’n mooie gigantische gestalte door de straten van Loven zag zweven, onbewust van de geweldige waardigheid die op haar schouders rustte, en kinderlijk omkranst door ’n gerbe frissche en levensblije Schachten.
Zoo dikwijls is z’n glundere oogen zag, blikkerend van heerlijke openhartigheid, in dien snedig gehouwen kop, waarop ’n geweldige haarwildernis sprak van wild-stoute droomen, en blij schoonheidsverlangen.

Zoo dikwijls ik z’n zwaar-harmonieuse stem hoorde, die trilde als cello-gestrijk van inwendige aandoening en openplofte in de zielen met een katarakte van stijgerende beeldengloed!
Zoo dikwijls heb ik gedacht aan de brutale oneindigheid van de zee, met haar kalm-effene stilten, waaronder de afgronden van leven en gebreidelde krachten, die hoog-op zwieren in brakende bergen, onder de zweepslag van striemende winden.
Zoo dikwijls heb ik gedacht aan die fantastische Veurne-ambachtsche luchten boven zware poldervlakten.
Aan de zingende kalmte van ’n nacht aan duinenstrand.
Aan de reuzen gestalten van hoekige visschers, die in hun oogen dragen de melancholie van het eeuwige water.
Zoo heb ik van U gehouden, Nant, omdat ge goed zijt, en het leven bemint in de schoonheid van de harmonie.
 – omdat ge idealen hebt in forsche lijnen en effene kleuren!
 – omdat ge ’n kunstenaar zijt in uw menschzijn!
Ge zijt geen student geweest zooals wij allen, die ons dagelijksch leventje leiden tusschen pot en studieboek en dilettantisme, geen die zich tot doel stelde een populaire figuur of een jouissante drinkebroer, of een flink onderlegde capaciteit te worden! Neen!
 Maar de schoonheid hebt ge opgezocht waar die te vinden was, ook onder de studenten, en van die schoonheid hebt g’ons laten genieten: de kunst van uw woord, de kunst van uw pen, de kunst van uw penseel! –

–  Dààrdoor, Nant, hebt ge U een plaats ingeruimd in de geschiedenis van de Leuvensche Studentengeneraties!

Altijd zullen wij, die ons zijn vrienden mochten noemen, blijven gedenken dat heerlike Kot op de Frederik Lintstraat, waar Nant leefde in een hemel van schilderijen en teekeningen en… verfpotjes, waar je zóó gezellig kon praten gehuld in blauwe wolken uit Nant’s kromme pijp, en waar de laatste zin steeds was… “een ode aan de Zee, haar Gudrun’s en haar Vikings!” –
  –  In dàt kader, Nant, vergeten wij U nooit!

een foto van Nand, met pijp en “haarwildernis” , uit die tijd:

Met pijp en hoed op het strand:

1941, de Finse dichter Arvi Kivimaa:

“Hij was al in zijn vroege jeugd Vrouwe Justitia ontrouw geworden om de Muzen aan te hangen. Hij was onze langste, een ware eik, wiens opvallende gestalte als een vuurtoren tussen het gedrang van het duizendstemmige geroezemoes van de stationshal stond. “Ik kan die zuidelijke Schubert niet uitstaan, mijn toondichter is Beethoven”, biechtte hij eens op tijdens een concert. De kern van zijn persoonlijkheid was mannelijkheid, vermengd met een van cultuur doordrongen en zelfironiserende melancholie. De grond van deze melancholie lag echter dieper dan enkel in persoonlijke dingen: nl in de bezorgdheid om het lot van het Vlaamse volksdeel. ” 

 

1968, journalist Jan D’Haese:

” ‘Terugkeren tot het authentieke bestaan’ het zijn woorden die V. uitspreekt met een glimlach die melancholie laat vermoeden. Met een glimlach die tevens duidt op wijsheid, gewonnen uit jaren waarin de moeilijkheden hem — als gevolg van zijn houding en overtuiging, niet gespaard bleven.
Wanneer ik hem soms  ontmoet, midden in het gewoel van de grootstad Brussel, waar hij dagelijks heen-treint “om den brode” dan valt het mij steeds op hoe deze stille melancholie hem heeft getekend. Op een straathoek — ergens rond het St.-Jansplein — staat hij: groot, breed en steeds verzorgd. omstuwd door de jacht van mensen en verkeer. Hij praat, hij filosofeert en de mensen glijden aan hem voorbij, glijden van hem af. En toch is hij zich ten zeerste bewust van deze mensen, van de dreiging van de grootstad, waarmee hij voortdurend “meer dan hem lief is” in contact moet blijven: van het probleem Brussel.
Zelden heb ik een mens ontmoet — en daar zouden de betweters wel eens mogen over nadenken, die zoals V. de tragische gespletenheid en de angstwekkende automatisering van de hedendaagse mens aanvoelt, maar terzelfder tijd met ziel en zinnen gebonden blijft aan het Westen. aan zijn land van herkomst. aan de herschepping van een verleden dat het heden helpt verklaren. en aan de… “Moederzee”.
En er is nog iets. Wanneer ik de dichter op die straathoek ontmoet, dan denk ik aan zijn vers — dat te Brussel dubbel tragisch klinkt: “Zo heb ik altijd willen wonen : / aan ‘t dapper hart van ‘t ongeschonden duin; / geen straat omtrent, geen steedse tuin, / maar zand en helm, en schuine sparrebomen.” Het kan romantisch klinken, maar midden in ‘t Brussels gewoel staat F.V. zélf als een duin en is de zee niet ver af. Stammend uit een geslacht van zeelieden en omringd door de dingen van de zee (zijn grootvader bezat o.m. een opgezette albatros. met de wieken wijd uitgespreid als in volle vlucht) was de zee voor V. niet zo maar een dichterlijk motief maar leven van zijn leven en vaak – familieleden werden vermist – werkelijkheid. De vader van de dichter was zeeloods. Kwam deze thuis dan vertelde hij over de schepen die hij in veilige haven had gebracht en over het leven aan boord. Was er storm dan liet moeder de kinderen bidden voor de behouden thuiskomst van vader. Ook met het kustland was V., van kind af aan, vertrouwd. De haven, Oostende zelf, strand en duin, de poldervlakte met haar geweldige luchten. het zat hem allemaal in oog, geest en bloed. Als knaap ging hij mee bedevaarten naar O.-L.-Vrouw-ter-Duinen of naar het heiligdom van Sint-Godelieve te Gistel waar een halve eeuw later zijn openluchtspel, ter ere van de zwartharige heilige geschreven, zou worden opgevoerd.”

Een andere getuigenis komt uit de feestrede bij de 80ste verjaardag van Nand, uitgesproken door Anton Van Wilderode in 1987. De volledige feestrede kan je hier vinden, maar het past wel volgende passage als persoonlijk ervaren te citeren:

“Zijn bezwerende verzen hebben wij overgeschreven en doorgegeven in de dertiger jaren binnen de besloten gemeenschap van het internaat in het Sint-Niklase Klein-seminarie. Wij knipten ze uit de (verboden) kranten, kleefden ze aan de binnenkant van onze chambrettekastjes en zegden ze elkaar voor tijdens de lange wandelingen door het Waasland. Conform de ‘geloofsbelijdenis’ van Wies Moens ‘die het wachtwoord ontvangt/ hij zet zijn leven als een bolwerk er omheen’. Het maakt mij gelukkig dat zovele medeleerlingen en vrienden van toen trouw zijn gebleven aan dezelfde idealen waarvan F.V. de bezielde vertolker was.”