Vrijdagnamiddag 1 september Sim 14de brief

Mechelen, vrijdagnamiddag 1/9/50

We spraken niet af, nochtans Jij bent hier.. Dag Nand! Ik ben verrast.. ik merk  alleen op dat ik zit in “onze” kleine Conditorei – en in éénzelfde sfeer. Brugge – Damme – Oostende – gebaar ik niet onbeholpen om dezen hete filter. Waarom schrijf ik plots de bestellingen niet verder in?.. Ik kan niet, Nand, ik kom wat met jou hier zeer stilletjes zitten kijken – Het is hier zeer vertrouwd. Een paar mensen – ook reizigers – vermoed ik dromen voor zich uit er hangt een zeurend straatliedje om ons heen. Ik zit bij het raam, de middag ligt glanzend ver open herfstmaand. Ik hou van die komende herfst. Ik heb er altijd zeer veel van genoten van toen ik nog kind was. Zal ik nu maar pas de volte begrijpen van deze milde bezonkenheid na hevige aandoeningen, bij de heerlijke alles omvattende weerglans in me zelve van jou? – En dat bezit – het menselijke besef – hoe leefde ik voor een paar weken al die voorbije jaren? – Ik weet het niet, geloof me, Nand, ik weet het niet meer. Kan ik dat geluk nog afmeten of vergelijken – neen er is niets meer in die tijd door een huiverende ijlte waarvan ik nu pas de leegte vermoed –
Het is goed, Nand, dat je niets zegt en maar voor je uitkijkt. Ik zie je ogen en voel m’n bevende handen in de jouwe. Ik sta niet op maar wacht tot jij zegt dat het tijd wordt dat ik verder zal gaan nog ’n paar kliënten hier bezoeken. ‘k Reis wat vroeger huis toe vandaag. (De zaken gaan crescendo!) Tegen 10 september heb ik de nieuwe wagen (groene kleur) ‘k verkoos “wijnrood” maar ook thuis kregen ze een woordje mee te praten!!
Kom, Nand, ik zie je stellig toekomende week (Gent?) misschien – –
Ik wou dat jouw schrijven, dit kruiste? –
Zoen me, Nand, ik leg mijn handen om je peinzend hoofd en weet dit hart zo eindloos wijd en schromend mild…
Jouw liefste

Zondagnamiddag 3 september Nand Prent met gedicht

(Hans Memling, 1480, “Sibylle Sambetha”, Sint-Janshospitaal Brugge)

Gedicht: “Oogst” / “aandenken 5 oogst-5 september”
(Opmerking: Nand schreef dit gedicht in 1947 (zie onderaan de kaart) dus in gevangenschap (2), zie manuscript hiervan infra)

De merel praat niet meer
en in de moe-gebloeide tuinen
weegt nu het zaad ;
in ‘t slepend ladgewaad
van zware boomgaardkruinen
bloost nu het bol gelaat
van zuiver ooft.
Ik buig het hoofd :
ik hoor den herfstwind loeien..
Maar is elk blad geteld
en ieder aar in ‘t korenveld
herfstbloemen gloeien
met den gloed van vuur
van bloed en robijn ;
de druiven aan den muur
fonkelen rood als wijn.
o Maak mij, nu het jaar haast vlood ,
maak mij o herfst,
tot zon, voortijdlijk groot
die in de kantelende vesten
van ‘t smeulend Westen
zwijmelt in ‘t avondrood.
1947

Gistel zondagnamiddag. 3.9.50

Liefste,
Herken je dit gelaat? Wij stonden ervoor in Sint Jans Hospitaal te Brugge. De Sybille (1) schouwt de toekomst in: wat ziet zij? Zij zegt het niet, maar wij schouwen mede, en peilen haar geheim: alles vergaat, alles verdwijnt, alles wordt met herfst bedreigd. Er stijgt een lucht van vergankelijkheid uit alles op; vergankelijkheid zingt in ons haar meewarig lied.. Laten wij ons spoeden om schoon, schoner nog te leven. Doch leven is vergankelijk zijn, laten wij de vergankelijkheid liefhebben. Ja, wij zijn het eens: de herfst is schoon. Herfstbloemen zijn vuriger dan haar zusters in de lente; het nabij zijn van de ontbinding schept wilder extasen. Nergens heb ik dat zo aangevoeld als in Cel 34, ver van bos en bomen (zie keerzijde foto!)(2) Weinig heb ik toen bevroed dat in de zomer van mijn bestaan, op de rand van de herfst, ik nog eenmaal tot “zon” zou worden omringd en omstraald met de voortijdelijken gloed van een ontvankelijke ziel, als een Westerhemel bij avondrood. Liefste mijn, is dit werkelijkheid, en duurt het al een maand, eenendertig zalige dagen? Wat is het lot ons mild, ons die zo weinig gewend zijn aan geluk! Van smart en eenzaamheid en ”ijlte” kregen wij zoveel toebedeeld, dat wij haast dachten dat er voor ons niets anders was weggelegd, dat wij deze werkelijkheid nauwelijks durven te aanvaarden. Hoe ik je dank om ieder van-gevoel-trillend, waarlijk lovend woord dat mij je brieven brachten, om elke wonderbare kus, mond aan mond, een wezen aan wezen. Ik dank je omdat je bestaat, en mij deze gave hebt geschonken, omdat elk verlangen een belofte is en elk heden de zekerheid brengt dat morgen nog komt, dat elke verrukking werderkeren kan, vuriger wellicht.
Terwijl ik schrijf, en dikwijls door het venster staar (een koekoek spelemeit er vrolijk met zijn liefste, en ik zit hier alleen te koekeloeren..) valt mijn blik op het boek waarin ik las, “Penthesilea” van Kleist, en dat open ligt aan deze woorden:

Penthesilea : Prothoe! Meiner Seelen Schwester! Willst du mir folgen?
Prothoe : (mit gebrochener Stimme)   In den Orkus dir!
Gieng’ ich auch zu den Seeligen ohne dich?
Penthesilea : Du Bessere, als Menschen sind! Du willst es?
Wohlan, wir kämpfen, siegen mit einander..

Het is een vreemd en heerlijk spel. Ik zag het eens opgevoerd in Hamburg. Penthesilea (Konigin der Amazonen) had een ziel-zware altstem en benen van een godin.. Wij moeten saam nog veel schoons beleven: concerten, balletten, toneel, alles wat ons verrijken en verruimen kan.
Ik schreef nog niet dat ik van je gedroomd heb. Zo duidelijk zag ik je vóór mij, doch je ging van mij weg. Je had de grijze tailleur aan en je haar hing los, en tussen de lokken door zag ik het bruine driehoekje van je hals, zeer geschikt om te zoenen. Doch zover kwam het niet, het gezicht duurde één ogenblik slechts. Ik heb er heel den dag zitten over nadenken. Wat heeft dat te betekenen? Een angstvisioen ingegeven door de vrees je te verliezen? Of eenvoudig een bijgebleven beeld uit onze wandeling naar Damme, toen je liep voor de bus? Het is wel eigenaardig dat juist dit beeld zich in mijn onderbewustzijn heeft vastgezet: jou, den brui gevend aan conventies, trippelend als een schoolmeisje, spontaan en opgewekt.. Zo zie ik je ook liefst. Maar om de ter neer drukkende herinnering aan den droom uit te wissen, ware het zeer wenselijk dat je me algauw eens in den lijve tegemoet trad. Kan je een dezer dagen niet naar Gent wegglippen? Verwittig mij op tijd. Een zoen als voorschot,
Nand

P.S. Verontschuldig de vlek!

Commentaar

(1) “Sibylle Sambetha”, Memling, 1480: een gedetaillerde analyse vind je hier.

(2) Manuscript “Oogst”, geschreven in gevangenschap, Cel 34, oktober/november 1947:

Zondagnamiddag 3 september Nand 15de brief

(Hans Memling, 1480, “Sibylle Sambetha”, Sint-Janshospitaal Brugge)

Gedicht: “Oogst” / “aandenken 5 oogst-5 september”
(Opmerking: Nand schreef dit gedicht in 1947 (zie onderaan de kaart) dus in gevangenschap (2), zie manuscript hiervan infra)

De merel praat niet meer
en in de moe-gebloeide tuinen
weegt nu het zaad ;
in ‘t slepend ladgewaad
van zware boomgaardkruinen
bloost nu het bol gelaat
van zuiver ooft.
Ik buig het hoofd :
ik hoor den herfstwind loeien..
Maar is elk blad geteld
en ieder aar in ‘t korenveld
herfstbloemen gloeien
met den gloed van vuur
van bloed en robijn ;
de druiven aan den muur
fonkelen rood als wijn.
o Maak mij, nu het jaar haast vlood ,
maak mij o herfst,
tot zon, voortijdlijk groot
die in de kantelende vesten
van ‘t smeulend Westen
zwijmelt in ‘t avondrood.
1947

Gistel zondagnamiddag. 3.9.50

Liefste,
Herken je dit gelaat? Wij stonden ervoor in Sint Jans Hospitaal te Brugge. De Sybille (1) schouwt de toekomst in: wat ziet zij? Zij zegt het niet, maar wij schouwen mede, en peilen haar geheim: alles vergaat, alles verdwijnt, alles wordt met herfst bedreigd. Er stijgt een lucht van vergankelijkheid uit alles op; vergankelijkheid zingt in ons haar meewarig lied.. Laten wij ons spoeden om schoon, schoner nog te leven. Doch leven is vergankelijk zijn, laten wij de vergankelijkheid liefhebben. Ja, wij zijn het eens: de herfst is schoon. Herfstbloemen zijn vuriger dan haar zusters in de lente; het nabij zijn van de ontbinding schept wilder extasen. Nergens heb ik dat zo aangevoeld als in Cel 34, ver van bos en bomen (zie keerzijde foto!)(2) Weinig heb ik toen bevroed dat in de zomer van mijn bestaan, op de rand van de herfst, ik nog eenmaal tot “zon” zou worden omringd en omstraald met de voortijdelijken gloed van een ontvankelijke ziel, als een Westerhemel bij avondrood. Liefste mijn, is dit werkelijkheid, en duurt het al een maand, eenendertig zalige dagen? Wat is het lot ons mild, ons die zo weinig gewend zijn aan geluk! Van smart en eenzaamheid en ”ijlte” kregen wij zoveel toebedeeld, dat wij haast dachten dat er voor ons niets anders was weggelegd, dat wij deze werkelijkheid nauwelijks durven te aanvaarden. Hoe ik je dank om ieder van-gevoel-trillend, waarlijk lovend woord dat mij je brieven brachten, om elke wonderbare kus, mond aan mond, een wezen aan wezen. Ik dank je omdat je bestaat, en mij deze gave hebt geschonken, omdat elk verlangen een belofte is en elk heden de zekerheid brengt dat morgen nog komt, dat elke verrukking werderkeren kan, vuriger wellicht.
Terwijl ik schrijf, en dikwijls door het venster staar (een koekoek spelemeit er vrolijk met zijn liefste, en ik zit hier alleen te koekeloeren..) valt mijn blik op het boek waarin ik las, “Penthesilea” van Kleist, en dat open ligt aan deze woorden:

Penthesilea : Prothoe! Meiner Seelen Schwester! Willst du mir folgen?
Prothoe : (mit gebrochener Stimme)   In den Orkus dir!
Gieng’ ich auch zu den Seeligen ohne dich?
Penthesilea : Du Bessere, als Menschen sind! Du willst es?
Wohlan, wir kämpfen, siegen mit einander..

Het is een vreemd en heerlijk spel. Ik zag het eens opgevoerd in Hamburg. Penthesilea (Konigin der Amazonen) had een ziel-zware altstem en benen van een godin.. Wij moeten saam nog veel schoons beleven: concerten, balletten, toneel, alles wat ons verrijken en verruimen kan.
Ik schreef nog niet dat ik van je gedroomd heb. Zo duidelijk zag ik je vóór mij, doch je ging van mij weg. Je had de grijze tailleur aan en je haar hing los, en tussen de lokken door zag ik het bruine driehoekje van je hals, zeer geschikt om te zoenen. Doch zover kwam het niet, het gezicht duurde één ogenblik slechts. Ik heb er heel den dag zitten over nadenken. Wat heeft dat te betekenen? Een angstvisioen ingegeven door de vrees je te verliezen? Of eenvoudig een bijgebleven beeld uit onze wandeling naar Damme, toen je liep voor de bus? Het is wel eigenaardig dat juist dit beeld zich in mijn onderbewustzijn heeft vastgezet: jou, den brui gevend aan conventies, trippelend als een schoolmeisje, spontaan en opgewekt.. Zo zie ik je ook liefst. Maar om de ter neer drukkende herinnering aan den droom uit te wissen, ware het zeer wenselijk dat je me algauw eens in den lijve tegemoet trad. Kan je een dezer dagen niet naar Gent wegglippen? Verwittig mij op tijd. Een zoen als voorschot,
Nand

P.S. Verontschuldig de vlek!

Commentaar

(1) “Sibylle Sambetha”, Memling, 1480: een gedetaillerde analyse vind je hier.

(2) Manuscript “Oogst”, geschreven in gevangenschap, Cel 34, oktober/november 1947:

Dindsagavond 5 september Sim 16de brief

Dinsdagavond, 5e Sept 1950

Mijn Heerlijke!
Je brief ligt naast de peinzende Sybille voor me. Ik ben zeer laat huis-toe gekomen (zeer voordelige dag). Ik wou je schrijven juist vanavond. 5e September. Alle zaken zijn afgehandeld ik ben klaar en kom naast je zitten – Leg je werk neer Nand, toe, hier bij de schaduw van de rozenvaas. De avond sluit ons beiden in, “de Kriekenberg” ligt in de rille avondlucht… het wonder herleeft in ons.. een maand geluk.. ik dank je met de stilte en zeg je vers… “we buigen saam het hoofd…”
Jij bent mijn heerlijke geliefde! Alles buiten ons ondergaat de “vergankelijkheid” ze glijdt over ons heen en omringt ons in elk beeld.. ons beroeren? O neen Nand ik lach ze uit zoals jij met Mephistopheles het me voorzei. Ze kan ons niet genaken, al worden we voelbaar verteerd.. de geest genaakt ze niet. Onze Liefde, een Godsstuk, Nand, jij hebt ze in mij geboetseerd. Hoe lang reeds was ze klaar voor jou zo lang maar onbewust.. onaangeraakt als het bereide doek gespannen op het dromend raam van al mijn kinderhopen en jonge meisjesverlangens. Wees bij mij glorierijk ontvangen en laat ons lachen om de tempelheren van dit “ivoren” kunstsalon. Ik sta ontroerend voor dit beeld jouw scheppend beeld in mij. Jij bent mijn heerlijke geliefde! –
Jij sprak me over dit vers te Blankenberge. Over die merel die je elke dag kwam groeten. Ik dwaal af.. 1947. Ik mijmerde ook dit herfstseizoen te Vorst, cel nr 2. Is het vreemd.. vanavond wou ik met jou zo’n cel betreden.. voor het tralieraampje zitten staren.. achter de grijze grendeldeur afgesloten van die wereld buiten ons. Jij zou me zeggen: “Liefste, dit is het uur waarop voor ons de eeuwigheid begint – hier zullen we zijn  altijd… de sterrenhemel is onze genode en de wereld in ons zelf het onbegrensd gebied der onuitputtelijke ontginning!” Waarlijk ik zou het doen met jou. Je glimlacht om mijn “overmoed”?
Ik weet niet of ik van je gedroomd heb…? Vannacht ben ik plots wakker geworden, ik hoorde mijn stem: “ik ben zó gelukkig” – ik kon niet inslapen en toch was het zeer rustig in me.. ik dacht aan jou en aan zóveel beelden verscheidene en wel bepaalde – ik weet niet aan welke me het meest vasthouden. Soms verdwijn je geheel dat ik moeite heb je weer voor me te bepalen, maar ik heb je fotobeeld.
Ik moet je ontmoeten Nand, kan je donderdagmorgen (7e) tot Gent komen? Ik kom “omstreeks” (hm) 9.30.. Deze keer met de trein althans. Van uit Brussel (In geval ik nog opgeroepen wordt bij de Firma zal het later worden dus laten we zeggen vanaf 9.30 treinen uit Brussel tot ’s middags !!
Lieve groeten aan je ouders !
Ik verlang je en zoen je Gretchenhaft!
Simone