Dagboeken 1934-1940 Poëzie

In het archief bevinden zich drie dagboeken uit de periode 1934-1940 (zie uitklapmenu of volg de links)

Het vroegste dagboek “Kwastje“, waarin Sim, 14 jaar, zeer grappig over zichzelf schrijft in de derde persoon. Ze beschrijft haar geboorte tot aan haar eerste communie:

Het tweede en derde dagboek bevatten enkel poëzie uit de periode 1937 tot december 1940, enkele gedichten dateren van na september 1940, dus geschreven tijdens gevangenschap.

Poëzie 1937-1939, “Herinneringen”, geschreven tijdens de kostschool- en normaalschool jaren (regentaat) in Heverlee (Heilig Hart, Naamse Steenweg).
Op de eerste bladzijde vermeldt Sim in potlood “16-jarige Romantiek”, hoewel het bijhorende gedicht dateert van januari 1937 (dan is ze 17 jaar en 5 maanden). Maar de gedichten zijn niet chronologisch geordend, blijkbaar heeft Sim ze later overgeschreven en in deze bundel verzameld. Het vroegste gedicht dateert van januari 1936, Sim was dan 16 jaar en 5 maanden.

Poëzie 1939-1944, geschreven in de Normaalschool te Heverlee (Heilig Hart) en tijdens de oorlogsjaren:

In 1939 geeft Sim ook een dichtbundel uit, zie de pagina “De Dagtocht“.

Sim, 17 jaar, op kostschool te Heverlee:

(de foto is merkwaardig, zie daarvoor de pagina “Poëzie 1939-1940“)

Opmerking: De gedichten die Sim schrijft getuigen van een diepe melancholie en heimwee, nog het best te omschrijven als “met een hoog Weltschmertz gehalte”. Het lijkt wel of ze “lijdt aan het leven”. Dat is eigenaardig, vooral als je ze vergelijkt met de luchtige en humoristische toon uit het vroegste dagboek dat ze schreef op 14-jarige leeftijd. Twee jaar later, ze is dan nog maar 16, is de toon helemaal anders. Zelf schrijft ze daarover dat ze sterk onder de indruk kwam van de poëzie van Karel Van de Woestijne toen  die op school grondig bestudeerd werd. Die aantrekkingskracht tot “de donkere kant” zou haar trouwens haar hele verdere leven vergezellen, scherp in contrast met de “humoristische Sim” die ze aan de buitenwereld toonde. In haar roman “Het Landhuis”, die ze begon toen de levenskwaliteit van Nand sterk verminderde wordt dat ten overvloede duidelijk. Het wordt een “angst die de keel dichtschroeft”. Angst die dus terug te brengen is tot haar tienerjaren. Dat het enkel Van de Woestijne is die dat veroorzaakte geloof ik niet. Bij hem herkende ze waarschijnlijk iets dat al langer sluimerde: een diep verdriet en pijn waarmee ze zich kon verbinden. In dat licht krijgt ook het op het eerste gezicht grappige en anekdotische eerste dagboek een diepere laag: al van bij de eerste kinderjaren is Sim al een “buitenbeentje” met een eigen willetje. Iets dat ik mij ook herinner uit de verhalen die Sim zelf vertelde en de opmerkingen daarover van haar broer en zus op latere leeftijd: Sims wou behandeld worden als een prinses, wat vaak betekende dat ze mikpunt van spot werd. Op vele foto’s uit haar kinderjaren draagt ze trouwens wit, een opvallende verschijning tussen alle donkere figuren op de grijze foto’s, zoals hier op een typische straatfoto uit die tijd waar Sim (zittend, ongeveer 7 jaar, voor het ouderlijk huis) onmiddellijk opvalt: