Verantwoording

(nvdr: zie aantekeningen hierbij op de pagina “Ridder Dood en Duivel“)

V E R A N T W O O R D I N G

Ik had niet gedacht dat ik de belevenissen uit de bewogen jaren 1939-1949 te boek zou stellen, ik had mij zelfs voorgenomen dat zegel niet te verbreken. Waarom dan toch die oude wonde geopend? Niet om haat te prediken of wraakgevoelens bij om het even wie op te wekken – daarvan is de wereld al oververzadigd. Maar ik heb de leeftijd bereikt waarop je op je aards bestaan terugblikt, en nagaat wat je achterlaat als je moet heengaan. In mijn geval blijft er mij niets meer over dan mijn letterkundig werk. Als ik nu bepaalde kritieken lees, kom ik tot de bevinding dat bitter weinig over de zin van dat werk bekend is. Een genuanceerd oordeel ontbreekt, zodat allerlei misvattingen niet uitgesloten zijn.

Allereerst is het nodig de omstandigheden te kennen waarin een paar bundels ontstonden.  Ik alleen weet het, ik ben de enige wie het kan weten.  Daarom vatte ik in het zestigste jaar van mijn leven het plan op het een en ander op te tekenen – een strijder is ten slotte op zichzelf aangewezen.  Ik doe het van op afstand, waar moge-lijk, met de nodige humor, zij het dan ook galgenhumor; ik blijf zo objectief mogelijk, maar ook zo trouw mogelijk, en teken ook de reacties op waarvan ik mij nog bewust ben.  Het is immers zaak de werkelijke sfeer op te roepen waarin de verzen geschreven werden.  Een dagboek is het niet, wel herinneringen aan feiten, die op mijn denken en dus op mijn literair werk enige invloed hebben gehad, en hier niet in chronologische volgorde worden weergegeven, maar gegroepeerd, volgens het behandelde motief, bij voorbeeld, de ziekenbarak.  Dat was mogelijk omdat het hier om een terugblik gaat.

Ik bracht dus deze herinneringen op het papier om literair-historische redenen.  Heden ten dage is men wel geneigd het gedicht uit de psychologische gezichtshoek te benaderen, maar het gedicht zelf is veelal de psychische reactie op de beleefde werkelijkheid – zeker in onderhavig geval.  Wat op het eerste gezicht een decoratief paneel lijkt, is in wezen de objectivering van een persoonlijk gegrepen-zijn, en dus als objectieve lyriek dient beschouwd.  Het eigen beleven van de dichter wordt niet rechtstreeks, maar door een mythologisch of historisch beeld heen verwoord, omdat hij nu eenmaal in een dergelijke wereld leeft, of doodgewoon omdat hij zo geaard is.  Deze beelden vormen dus een soort van ectoplasma, dat de existentiële grond zelf van de mens veruiterlijkt.  Als typisch voorbeeld daarvan moge het gedicht “De Piramide” gelden.  Het betreft hier Ramses, noch Toetmes noch om het even welke farao, maar het ik zelf dat zijn tragiek in dat beeld projecteer.  Die projectie neemt wel eens de vorm van een verhaal aan.  Leg het vers De Conquistador uit “Het  Eiland Antilia” naast het gelijknamig stuk van De Heredia.  In dit laatste gaat het om een decoratieve heroïek, om de “panache” – in het eerste gaat het om een aanklacht tegen de schijnvrome harteloosheid van een “beschaving” die zich aan argeloze mensen vergrijpt en het fresco eindigt op een cynisch gegrinnik als de Spaanse Grande, na een barbaarse onderdrukking, de Heilige Maagd dankt voor de “zege”.  Het is de wereld der mensen gezien door de tralies van een gevangeniscel.

Wat nu, meer in het bijzonder, de politieke gedichten aangaat, het was nodig de werkelijke achtergrond daarvan te onthullen.

Een paar zijn in zoverre misleidend, dat zij zekere beleefdheden voor de censuur in acht nemen, om des te beter wezenlijke dingen te kunnen zeggen.  In andere worden die dingen onverbloemd gezegd, dan worden het strijdverzen tégen de bezetter gericht.

Zestig jaar. Het is de leeftijd waarop schrijvers die in de officiële gunst staan tijdens academische zittingen en op banketten worden gehuldigd.  Een strijder op de voorposten staat ten lest alleen.  Ik herdacht deze verjaardag door mijn belevenissen in de donkerste jaren van de strijd voor de ontvoogding van Vlaanderen op het papier te brengen.  Het geldt hier een uiterste beroep op de laatste rechter Tijd – hij zal over ons allen oordelen.

Waarheid is de werkelijke grondslag van de gerechtigheid.  Ik vertrouw dat ons volk eenmaal die waarheid zal inzien, en beseffen dat ik, en zovelen in mijn geval, slechts de leuze “Alles voor Vlaanderen” in houwe trouwe hebben gediend.