Vrijdag 2 maart Sim 63ste brief

Vrijdag, 2e maart 1951.

Lieve Nand,
Ik voelde je gisterenavond vreemd te moede terug huiswaarts keren nadat je me voor de “zoveelste” keer vergeefs opbelde. Wat moet je me als een onrustige Ahasverus (1) brandmerken. Maar ik heb zelf een hele dag op dit feit blijven piekeren dat ik beter deed bij jou te zijn en met jou in Den Haan de eerste zonneduinen te gaan ontdekken. Waarom worden we al te dikwijls door vreemde krachten van een schoon vooropgesteld doel weggerukt, bijna willoos. Zo weet ik dat jij zondag bij mij zijn moest, ik bij jou, en nochtans vond ik mezelf in een onooglijk gemeentezaaltje een tranerig zoet toneeltje vertolken… Je zal weer eens meewarig glimlachen zoals jij alleen dat kunt, bij mij bewering maar zondag e.k. wordt het definitief de laatste vertoning. Ik heb zulks zeer kordaat Hens en Co diets gemaakt, niet dat ik het aldus vroeger vergat. Je weet hoe ik nu eenmaal in die conventioneel toegeeflijke wereld bewoog. Ja ik zal een verleden tijd gebruiken. Sinds ettelijke maanden, (bijna zeven!) word ik losgerukt uit die wereld. Ik schreef het je en zegde het reeds dikwijls, Nand,  al sta je soms nog zeer sceptisch tegenover bepaalde resultaten van mijn pogen.
Deze week bracht me onze heideherfstwandeling in geheugen langs Schilde en Turnhout. Weet je dat ik me zeer moest bedwingen of er kwam nog een clandestiene rit op het programma en ik was je komen verrassen plots onstuimig te midden van de rijkelijke ondervinding die Nietzsche je gemeenzaam was (2). Ik zou er wellicht verlegen bij staan … Wat kan ik er je op antwoorden, je bent niet zoals de vele mensen rondom mij; heb ik je nog ruwe hoeken en jammerlijk vervelende kanten van die vele mensen in mij meegebracht, Nand?; vond ik geen rust in mijne eenzaamheid omdat ik deze steeds heb gevlucht? Omsluit mij in jouw eenzaam gebied, ik weet dat ik honderdvoud weervind wat ik nu meen te verliezen of wat die mensen menen dat ik verliezen zou. Er is slechts die vrees soms, Nand, weet je, dat ik niet gans tot jou zal geraken. Zoals de vrees me vandaag bekruipt, en ik tot mezelve zeg: “Waarom wordt het deze week geen ontmoeting” Ik ben er schuld van, ik zelf. Het verlangen, en de onafscheidbare pijn, om wat niet is. En toch, Lieve Nand, ben ik gelukkig, zie het besef dat je afwezigheid, dat je brief me pijnt, dat je vergeefse oproep me zo ontgoochelt, maakt me de weg vrijer naar je toe, zelfs al moet ik me bewegen, zinloos en dwaas tussen de mensen, de mensen gisteren en vandaag nog en morgen weer. Het is goed me vanavond, elke avond, los te rukken uit deze wereld, ik sluit de ogen even. Jij bent hier in mij levend. Jij straalt in mij, al heb ik vanavond nog veel meer nodig dan deze vergeestelijking en heb ik nood aan je forse zeemansarmen zó dat ik meer het hameren hoor van je hart, wild en stoer en dat je me noemt een “pimpelmeeske”! (3) Ik zoek naar je stem, en verlang… minstens naar je telefoonoproep van morgen –
Het gaat naar de 5e toe. Het werd Lentemaand!.. Ik ben weer zoetjes (in de wagen gaat het gemakkelijker, toevallig, een krachtiger woord te gebruiken.! Het zou me passen.)
Je Liefste


(1) “Ahasverus”: “…is de naam van de legendarische Wandelende Jood die Jezus op weg naar Golgotha hard zou hebben aangepakt, waarop hij ertoe werd veroordeeld om tot de Dag des Oordeels rusteloos over de wereld te zwerven”. Sim doelt hier op het “rusteloos rondzwerven” van Ahasverus.

(2) Nietzsche”: zie de opmerking van Nand in zijn vorige brief over Nietzsche en eenzaamheid.

(3) “pimpelmeeske”: de pimpelmees is een klein vogeltje, blijkbaar een koosnaampje van Nand voor Sim.

Zondag 4 maart Nand 64ste brief

Gistel, den 4.3.51 /

Liefste,
Al ik dezen morgen thuiskwam van de kerk, vond ik als een schoon welkom na het krijsend gekweel der Gistelse nachtegalen, je brief. Goed zo ! Ik heb hem gelezen, en dan nog eens rustig herlezen. Je vreest soms, schrijf je, dat je mij niet gans zult benaderen. IJdele vrees… Ik ben overtuigd dat het onmogelijk is. Jij bent een vrouw, ik ben een man : noodzakelijker wijze zien wij het leven, voelen wij dat leven anders aan. Ik ben daarenboven zo ver van de massa afgedwaald, heb mijzelf in zulk een “éénzijdige” richting opgevoed, heb zoveel wetens en willens uit mijn leven weggesneden, dat ik een wereld apart geworden ben. En wat ik ben, heb ik niet te danken aan een of andere onderwijsrichting (de Universiteit was mij een grote ontgoocheling!) maar aan bewust en verbeten zoeken, jarenlang. Dat in deze omstandigheden een pensionaat-opvoeding met haar gereedgemaakte waarheidjes geen goede voorbereiding is tot kennismaking met iemand die niet alleen lichamelijk maar vooral geestelijk met “zeemansarmen” uitgerust is, weet ik al lang vóór ik jou ontmoette ! Daar heb je, Liefste mijn, een goed woord gevonden: zeemansarmen! Zij steken in mijn poëzie, in mijn teken- en schilderwerk, in heel mijn kijk op mensen en dingen – zelfs mijn liefde (nu niet gezien als de handtastelijke greep!) heeft item (1) “zeemansarmen” ! Mocht je mij ooit eens zeggen of schrijven dat je niet alleen aan hun omhelzing nood hebt maar ook aan de kracht van een zee-doorzongen woord, mochten de armen je dichter brengen bij den geest en zijn scheppende eigenheid .. Dan zou je mij inderdaad “benaderen”  .. hoe eenzaam tegenover de anderen een mens ook blijve. En hier baat “geleerdheid” niets. Aan “geleerde” vrouwen heb ik altijd een hekel gehad. Zij hebben de ziekelijke behoefte overal met hun “geleerdheid” uit te pakken. Een man kan zéér geleerd zijn, en eenvoudig blijven – een geleerde vrouw doet altijd overdreven en onuitstaanbaar.  Een vrouw moet hart hebben, tact en fijngevoeligheid. Wie dergelijke vrouw treft, weet dat zijn huwelijk niet mislukken zal. Dit sluit niet uit dat ik een vrouw elk persoonlijk initiatief ontzeg. In verband met jou toneelspelen heb ik je gevraagd of je dat als een eigen kunsttaak opvatte, een “beroep” waaraan je niet kon verzaken : je hebt geantwoord : neen. In dat geval kan ik moeilijk begrijpen hoe je er toe komt nog te gaan spelen – de vergoeding is immers belachelijk. Je roept je “goed hart” in .. Ik herken graag dat je een goed hart hebt .. maar laat het ook eens denken aan mijn werkloze “zeemansarmen” ! Ik neem nota van je verklaring dat je besloten hebt niet meer mee te spelen – en dit met (zoals dat in dergelijke zinswendingen past) grote voldoening.
Ja, morgen is het 5 maart. De zon schijnt heerlijk op mijn handen en daarnet heb ik mij wat laten bezonnen. Op de grote weide voor mijn venster zitten honderden spreeuwen, kieviten, meeuwen, lijsters, al dooreen. Zij vliegen onrustig op, stijgen omhoog, strijken weer neer, onrustig van onweerstaanbaar leven. Liefste mijn, er roepen woorden in mij om liederen te mogen worden : geef mij liefde, heb mij lief met elk gebaar, met elke gedachte, opdat ik jou lief zou hebben zoals ik weet dat ik dat kan. Ik heb jou nog niet lief gehad, de ware, de schone ónmenselijke liefde werd nog niet uitgesproken. Breng mij aan ’t zingen : er zitten in mij duizend merels en lijsters stom te wachten. Laat deze lente een volkomen Lente zijn ! o Pimpelmeesken mijn jou zeeman strekt zijn machtige armen naar Brussel uit (onze vreugde en onze smart ..) (2) en geeft jou een zeerobben-kus.
Je Nand

P.S. Ik sluit hierbij een vers in van H. Roland-Holst. Je ziet hieraan hoe een barbaarse zegging machtiger zijn kan dan alle woord-geklinkklank. Het rythme springt uit het metrum weg – maar het beeld grijpt zó aan dat het doet zwijgen.

Gedicht / HENRIETTE ROLAND HOLST

Zoals de kleine mosse’ en varenplanten
in groeiwijze en in vorm het wezen tonen
van de rekkende woudreuzen’ en de kronen
machtig zich uitspreidend naar alle kanten, –

Zoals in zeehoorns met hun getande
hartekamertjes fluisterende echo’s wonen
van de grote stem die haar monotone
sussing en lokking werpt naar alle stranden;-

Zo zijn misschien de zachte wellingen
der liefde in ons, haar tedere smachten
en milde strekkingen en strelend ruisen

als eerste dwerggelijke hellingen
van onmetelijk zich heffende krachten
die door d’ oneindigheid stijgen en bruisen.


(1) “item”: Latijn voor “ook”

(2)

Dinsdag 6 maart Sim 65ste brief

Brussel 6e Maart 1951.

Lieve Nand,

Ik voel me deze week verzeilen in eenzelfde gevoelssfeer  als zeven maanden geleden. Je brief deed me door het huis rennen, zó heerlijk onverwachts kwam hij me verrassen met de avondpost. Het is goed je brieven te mogen ontvangen. Dit is sedert onze ontmoeting de langste eenzaamheid, zal ik je bekennen dat dit gemis me helder het besef bijbracht wat jij voor me betekent, ik duikel heel kleintjes weg en ik zie je naar me toekomen zoals je beeld mij eens ongenaakbaar voorkwam: heerlijk schoon, krachtig en dromend beide. Ik weet niet waarom je juist naar mij toekomt, maar onder dit geluk verdwijnt elke schroom en elke vrees, en al deze dagen groei ik sterker naar je toe meer dan ik ooit had kunnen verhopen. Had ik je ooit reeds zo lief als thans. Geloof je me eenzame zeeman mijn, als dit gevoelen me uit de pijn, van het gemis van deze dagen,  bijbleef dan zal dit ook mijn eerste vreugde zijn uit eenzaamheid en pijn ontloken. Jij hebt het reeds zó vroeg gezongen!
Ik las het vers van H.R.H. (1) het heeft veel gelijkenis met “Vercnockiaansche” zegging en het doet zwijgen, ja en danken… Voelen we in ons zelve het beeld niet weer. Ik ben zeer opgetogen, het is de lente niet alleen, het is de synthese van alle kleine dingen maar verheerlijkt door de gedachte dat je jou zeearmen naar Brussel rekt (waar elke smart taant om de grote vreugde) voor een weerzien.
Vanmorgen ontving ik voor jou een rekening (350 f.) van Mr V. M. Zal ik ze afhalen? Misschien verwittig ik je nog in de week wanneer je naar hier stevent?
We hebben onnoemelijk veel ontwerpen te bepraten. Natuurlijk zullen er bij zijn die in de kiem reeds gesmoord (hm) worden, en andere die jij als “lentesotternijen” gaat bestempelen, al vermoed ik dat er bepaalde initiatieven toch je goedkeuring gaan meedragen. Heb je vorige week de boekbespreking beluisterd? Twee mijner kliënten zegden me triomfantelijk dat jouw naam vernoemd werd. Het ging over de verluchting van Streuvels “Genoveva”! (2) Ik was zeer fier, kan je denken! ‘k verlang naar de uitgave van je jongste verzen. Komt het werk dus wel vóór Pasen op de markt. De kennissen worden ongeduldig. Ik hoop dat ze het ten gepaste tijde zullen bewijzen!
Ik heb mijn schrijven onderbroken voor mijn wekelijks visiteuurtje bij de tandarts, ik kwam terug langs de Cinquantenairelaan (3), waar we op eenzelfde sterrenavond wandelden, duizelig om wat nog zo onverwacht ons deel werd. Is het nu anders? Het gebeurt wel eens dat het ogenblik vervaagt om de herinnering van een eerste ontmoeting. Ik wou deze avond voor geen herinnering voor geen verleden ruilen, want maakt elke dag elk uur me niet rijker dan de vorige, jij weet het toch dat jij dit in mij bewerkt op afstand zelfs (en hoezeer!) is dit al geen bewijs, dat mijn geliefde het geestelijk terrein bereidt in mij? Zeg me dat je gelooft dat ons leven niet mislukken zal, dat je in mij gelooft, ik weet wat ik daarvoor doen moet. Wie zou het naast jou niet weten? En ik kan het ook, dat voel ik, zonder overmoed mag ik het jou zeggen, omdat het geluk me vandaag zo nabij is. Ik schreef je ooit eens dat ik niet wist wat “meer” geluk is. Jij antwoordde me dat er moed toe nodig is gelukkig te zijn. Heb jij mij dan die moed doen verwerven?  En vermetel ben ik nog daarbij want jij laat mij vermoeden dat dit geluk nog maar een beeld is van wat nog komen moet en nog niet werd uitgesproken!
Wat is het goed te leven, bewust te leven, voor jou te leven alleen!

Je Liefste


(1) “H.R.H.”: verwijzing naar het gedicht van Henriette Roland-Holst uit de vorige brief.

(2) “Streuvels Genoveva”: Zie de pagina “Voor Stijn Streuvels“.

(3) “Cinquantenairelaan”: het Jubelpark in Brussel

Dinsdag 13 maart Nand 66ste brief

Gistel den 13.3.51

Liefste,

Ik heb zoeven “Columbus” (1) naar Gent gestuurd, een lijvig pakje van 20 getypte bladzijden… ik ben blij dat ik ervan af ben. En nu zet ik mij rustig neer, ik leg je twee kiekjes met den bontmantel (2) onder ’t bereik van mijn minnenden blik en .. ik schrijf. Ik was weerom geheel overstuur gister avond als ik hier afstapte : het was zo’n schoon uitstapje en onze intimiteit zo innig als zelden te voren .. Ik heb nog altijd voor ogen de weke lijn van de heuvelen waarover zon en schaduw schuiven, de donkere zweem van bossen waarbij onze verbeelding reeds denkt aan naderend groen. En ik zeg bij mezelf : ik ben gelukkig haar te hebben ontmoet. Hoezeer ik aan je gehecht ben, bemerk ik eerst als ik dezen drempel overschrijd en dit huis betreed dat reeds maar half mijn huis meer is. . Een eigen tehuis bezitten is de droom van mijn leven – en nu ben ik er nier ver meer vanaf. Wij moeten ons intérieur inrichten dat het een droom is, intiem, gezellig, stijlvol. En aangenaam en bewoonbaar intérieur waar je je geheel thuis voelt, is van zeer groot belang : het geeft een houvast, het is een haven, een troost. Het moet vooral de weerspiegeling zijn van een geest. Voor mij in ’t bizonder die op subtiel geesteswerk aangewezen ben, dient de woonruimte de materiële voorwaarden te scheppen waarin de geest zich ontplooien kan. Ik zou mij voortdurend ergeren in een stijlloos en stijf burgerlijk binnenhuis waar alles van wansmaak getuigt. Konden wij het geluk hebben een tehuis te vinden van waaruit wij een schoon landschap kunnen overschouwen, althans een diepe verte. Dat zou mijn geest bevrijden, een altijd-durende vreugde betekenen. Ik heb mij herhaaldelijk reeds verdiept in wat mijn leven zal zijn, eenmaal gehuwd. Ik zal meer dan thans op mezelf aangewezen zijn – en de jongste weken hebben mij geleerd dat je zelden voor 20 uur en dikwijls nog daarná naar huis keert. Het zullen voor mij lange en eenzame dagen worden. Ik heb daarvan geen schrik, maar dan moet ik leven in zulke omgeving dat mijn woning mij niet onuitstaanbaar is, dat ik eens naar mijn stok grijpen kan en een hapje natuur kan gaan nemen. De avonden zullen schoon zijn, maar kort. Wij zullen trachten ze zo nuttig mogelijk te besteden. Ik zou willen leven op een hoog plan, niet dat ik verstrooiing versmaad, maar ook onze verstrooiing moet aan zekere normen beantwoorden. Wij dienen uit ons leven te sluiten al wat triviaal en onwaardig is, en het te vullen met zeldzame en hooggestemde vreugden. Ik zegde het reeds dat jou jongste brief mij gelukkig stemde. In al de overige klonk een weifeling door, een aarzeling, zwakheid dus. Maar dit is een heel andere toon : de toon die ik van jou verwacht : geen weifelen meer, maar onstuimige, schone en bewuste zekerheid, gedragen door vasten wil. Nu weet ik dat ik mij niet in jou heb bedrogen toen ik van je dacht: “Plus est en vous!” (3) Daar was in jou klei dat het boetseren waard was, marmer dat zou stralen, schoner dan ’t leven zelf, en dat maar wachtte op kunstenaarshand, op de scheppende adem van de liefde. En dank zij jou krijgt ook mijn bestaan nieuwen glans, jou glimlach straalt door alles wat ik doe. Ik heb jou gevonden in een ogenblik dat voor mijn verder leven beslissend was : in de tijdspanne van wedergeboorte en bewuste ontwaking, in den “voortrekkerstijd”. En het is wel treffend dat het eerste gedicht van mijn herbeginnend openbaar leven in de TH. Rooseveltstraat nr 60 geschreven is, en in jou kamertje ..
Een “voortrekkers”-kus van                   Je Nand
P.S. Kijk eens in de Linie deze en volgende week?


(1) “Columbus”: Nand begon het manuscript tijdens zijn gevangenschap op 11 juni 1946 (zie datering rechts boven):

Aquarel van titelpagina:

(2) “kiekjes met den bontmantel”: waarschijnlijk deze:

(3) “plus est en vous”: “meer is in u”: wapenspreuk van de “Gruuthuse familie” (Heren van Brugge, 13de / 15de eeuw).