De Dagtocht (alle gedichten)

Opmerking: alle gedichten uit de cyclus “Verloren Paden” zijn ook te vinden in “Herinneringen“, Sims poëziedagboek.

“Gedrukt op de persen der drukkerij Jacobs & Co., Corbeeck-Loostraat 19, Leuven. Papier “Featherweight”  200 exemplaren. Exemplaar nr. 47, 14/06/1939″

VERLOREN PADEN

VERLOREN PADEN… (p.1)

In kalme avondluchten liggen stil de paden,
al wijlend over ’t breede bange land,
en velen gaan gebogen onder dwaze daden,
en zoeken staag met weifelende hand.

Wijl morgenaureolen zegenen de aarde,
omkransend vurig-fel de stijgerende paden,
gaat moe en mat verloren in de dreven
het zoekend dwalend afgeleefde leven.

Verloren paden waarlangs zwijgend menschen hijgen,
die nog een laatste maal een verre hoop betrachten,
verloren paden, die naar zonnig sneeuwen stijgen,
waarom staan weif’lend staag de schreden hier en wachten?
Waarom staan ver verloren paden mij te neigen?

STEMMING. (p.2)

Stilte is gedaald
met feeënsluiers,
over ’t jonge novemberkind.
stilte – door de zuiver-zachte zucht
van den pasgeboren wind
over naakte bomen
in de ijle lucht ;
trouw staan de parolen
voor hem, die van avond heel laat
langs de donk’re dreef
in gedachten gaat
en zijn diep verlangen
nu zingen kan in de stilte –

Vaag glijden langs hem
andere menschen voorbij,
langs lange novemberwegen
gevlucht uit de zomerzwoelheid
van ’t verleden?
ze gaan
met rijzende blàren
langs moegestreden leden
naar den nacht.

Even blijven ze weifelend staan,
de avond strooit herinnering
uit ivoren steden, maar
alsof een mysteriehand
nu hun gedachten strijkt
gaan z’n zwijgend verbeiden
met gestrengelde handen
door den nacht van hun lijden
naar ’t vreemde wonderland
waar hen wacht : ’t groote lot
– want alles is zoo eenig stil –
en de wind is een zuivere zucht,
als was het de bode die door de lucht
de mare brengt van God.

MEDITATIE. (p.3)

Breed sloeg de avond door de open deur
een vreemde schaduw in de somb’re gang.
Ik kan de woorden niet herhalen
die stenend over bange lippen kwamen,
maar ‘k heb het leed uit halfgebroken oogen
genomen in mijn zorg’loos mededogen.

Ik heb de taal van troost niet uitgesproken,
maar lang gebeden gansch dien bangen nacht.
De koele avondstilte droeg veel wond’re woorden,
waar ‘k vruchtloos in den dag naar zoekend was
wanneer de schaduw stond met open oogen
en ik het leed in ’t stille staren las.

Nu de avond dringt on de open gallerijen
van zuilen die als schaduwweeën staan
in nameloos verwijt, als al de velen
die ongetroost in bange ziele strijen
gansch hulpeloos van mij zien heengegaan,
en ’t karig maal van pijn en smarten deelen.

Ik heb de taal van troost niet uitgesproken.
Ik heb gefaald… en voel het bang verwijt.
Zal ik het eigen kleine leed verdoken
in nachtzalvende oneindigheid,
en hopend op een blijer toekomstdagen
naar hen toe gaan, en naar hun leed nu vragen?

EEUWIGHEIDSDRANG. (p.4)

Er werd gefeest vandaag in karmozijne zalen,
en ‘k heb in jonge liefde mijn hart u toebedacht
toen ik u zag in ’t bloedig avonddalen,
alleen, aan verre kim in ’t bloeien van een lach –

Ik weet hoe mijn gelaat, langs klare beeltn’is ging,
en hoe de luchten aan de einders ons verbeidden
Ik zag hun went’len als de feestelijke vlag,
die flappend juichend zwiert na dangen-lange lijden –

Zie – door den blinden nacht nu schieten lichtfonteinen,
fuseeën voor den groet van liefdeseeuwigheid,
we zullen samen staan in ’t hoopvol avonddeinen
en stil geruischloos gaan naar de’ opgang die ons wijdt –

Kom nu – ik zal in liefdeblijverlangen
U zoenen op de groote goedheid van uw mond ;
mijn hand is leeg, maar ‘k ken veel oude zangen
die ik in witte reine kinderdroomen vond.

De avond opent breed den donk’ren weg en richt
mijn wank’le schreden naar het onbekende dwalen ;
maar met uw komst brengt gij het lichtend licht :
In eeuw’gen liefdesdrang zal ‘k gaan in eeuwige zalen –

RICHTING. (p.5)

Het roode went’len van de dag heeft uitgewoed,
in late lichten leeft een weifelend verbeiden ;
de menschen gaan voorbij mijn raam in stillen stoet,
ontvluchten bange pijn van ’t nakend nachtlijk lijden.

In ieder open oog ligt lam de strijd gebonden
want avondrust heeft hoog de witte wâ doen stijgen
al zoenend ’t moe gepeins en bals’mend oude wonden,
maar zal een vreê, geboren uit de rees, staag zwijgen?

Voor ’t roode raam van ver gekomen zielsgedachten,
gaan nu de levensweelden wonnig stil  voorbij.
Ik voel op mij den druk van zwarig zwoele nachten
en ‘k zie zijn grauw grijze armen breed voor mij.

Nu ’t roode went’len van de den dag heeft uitgewoed,
ontbrandt in mijne ziel een strijd van felle starheid,
zal ‘k gaan met velen mee: den eindlooze’ avondstoet?
maar, kan de ware vreê gezochtin eigen lafheid? –

AVONDSTEMMING. (p.6)

Avond… en een valig licht
op ‘ witte damast van mijn tafel,
en op de witheid van een hand,
gestrekt in een geven.

Avond… en de stem van een hart,
in het openleggen van zielen
intiem –

Avond… en de rust over een huis,
in de wijde wereld –

Avond, in mijn peinzen.

Goên Nacht –

AVONDBERUSTEN. (p.7)

Wond’re handen hebben zacht de sluiers weggestreken,
wond’re woorden hebben stil een wrange pijn doen breken.

In den blauwen avond: als een open sprookjesboek,
heb ik, blij, gevonden wat ik dagen lang reeds zoek.

‘k Hoor de stemmen, stille stijgen: avondmelodijen
van de menschen, die zacht heengaan langs de boomenrijen.

‘k Zie hun hooge silhouetten voor mij staag verdwijnen,
in het gloeiend roode westen waar de verten deinen.

‘k Ben alleen met diep herinn’ren in mijn huis gebleven,
allen zijn heegegaan naar het wenkend leven.

Niets blijft me over nu dan een bleek berusten,
in de lengte van den tijd: lauwig leede lusten.

‘k Wil niet falen, in den avond vol van vreemd verlangen,
van de einders stijgen stille oude kinderzangen.

Zal na dagen lange strijden ’t vreemd geluk gaan komen…?
rood verwachten hangt zoo klaar nu voor mijn oog in droomen.

‘k Weet alleen hoe nu dees avond langs mijn ziele strijkt,
en, hoe zacht een verre schaduw, wit de handen reikt.

Laat me nemen uwe handen rond mijn brandend hoofd,
dat, door uwe liefd’ omhelzing, grauw gedachte dooft.

Dank, O Heer, voor groote liefde in een menschenhart,
dank, en dat mijn ziele nooit meer Uwe goedheid tart.

Wond’re handen hebben zacht de sluiers weggestreken,
wond’re woorden hebben stil een wrange pijn doen breken.

IK HEB GEDROOMD. (p.8)

Ik heb gedroomd van volgedragen zeeaccoorden,
en van een vale, moegepeinsde schemering –
Ik heb gedroomd van wonderwijze oude woorden,
en van een verre grijzende herinnering.

En als de koning van het oude wereldrijk,
heb ik getobd om klaarheid, om verlichten –
De droomen wogen zwaar, en, net een kind gelijk,
heb ik gevraagd de hulp, in ‘t moeizaam richten.

En bevend hoor ik in den gulden morgen
de bode die mijn ijle droomen zou vertalen
en zacht nam hij bij ‘t vlieden al mijn zorgen
en liet me alleen, verlangend naar de wijde lanen.

Vol hopen heb ik nu het anker weergenomen,
en ‘t stil gelegd in stalen nacht op groene baren –
Ik kan alleen nog van een groote liefde droomen,
en wachten… wee gelukkig, ‘t komend morgenklaren.

VREÊ VERBEIDEN. (p.9)

Wanneer ge komen zult, zacht in het morgendoomen
alleen, van verre einders uit den stormennacht,
dan zal ik wijd de poorten op’nen van mijn droomen
waarachter ik bij ‘t dagen beiden, langs reeds wacht.

Ik heb de zaal van rood damaat nu wit behangen,
en op de taaf’len glins’tren bekers witte wijnen,
en wonnig straalt de zon op ‘ witte vreê verlangen,
kom nu, door witten morgen van de heuv’len deinen.

Wanneer ge komen zult in bleeke middaguren
en ik, het wenken moe, de handen loom reeds vouw,
kom dan, en sluit mijn open oogen, star van turen,
ontdoe mijn weiflend wenden van zijn ouden rouw.

En, nu ge stil gekomen zijt in ‘t avonddalen,
wijl ik gelaten neerlig bij de ontsloten poort,
zie ik uw oogen kalm naar and’re einders dwalen,
begrijpt ge niet, mijn wonnig beiden naar uw woord?

DE DAGTOCHT (p.10)

DE MORGENTOCHT (p.11)

(p.12)

Zie ‘t angstig morgenbeiden voor de ontsloten poort,
en op den drempel bloeiend blank: ‘t hopende leven,
met de’ eersten zonnelach wordt ‘t wonder wonnig woord.
Het sein ten optocht voor den verren tocht gegeven.

De rilling van den nacht in ‘t paarse schaduwwee
daalt uit het vragend oog der lucht langs de hemeltransen
naar ‘t groote strijdperk, waar de buurtge barenzee,
den nachtelijken doodendans begint te dansen.

Het leven opent schuw de diep verdwaasde oogen,
aanschouwt met angst’gen blik den kreits der vuurge zee.
Nog wijlt de morgen moe, alsof doemdroomen wogen
loomzwaar, aan de’ oever van de nachtelijke ree.

En toch zal ‘t leven gaan den langen dagentocht ;
want ver op ‘t hoogland bloeit de avondlijke rust.
Zoo gaat de mensch die met zijn zwoel gepeinzen vocht
ten opgang van den dag, die blij zijn denken kust.

(p.13)

Uit ‘t wijdsche gouden licht van zuivre zonnestralen
die wemelend op het klotsend blauw der golven beven,
is ‘t sein gegeven: Uit den schoot der zeeëzalen
en uit het diepste diep van zon almachtig leven.

Straks is de strijd gestreden met den ouden reus:
de winden hebben de echo van zijn dood verspreid.
De morgen draagt op ‘ stralend hoofd: een heldre leus,
een machtge koningskroon die staag den dagtocht leidt.

In lange witte sluiers om het frissche hoofd
gaat blij het leven langs de breede wijde ree.
De golven steigeren van donkren dwang beroofd,
en luid en lustig walst de woelig-wilde zee.

En voort in tragen stoet gaan menschen in verwachten
van groot geluk, naar verre veilgen avondvreê,
met open handen, offergift van rozenvachten,
geplukte garven op de bodem van hun wee.

(p.14)

Nu waaierbreed de zon de vensters openslaat,
en vreugde brengt zoó groot- dat heel uw wezen lacht –
nu frisch en klaar en langs ‘t morgenland het leven gaat
en zindert in mijn ziel een wonnig schoon gedachte.

Een vreugd met pijn gebaard uit wijdschen barenschoot,
maar laaiend, als een kraaiend kind in blije zangen –
zoó staan, en nu, in ‘t brandend morgenrood,
voor hen wien niets gegund werd, vragen en verlangen.

Voor de verguisden van een koud minachten,
die nooit den liefdeszoen van medelij ontvingen ;
voor hen die in de onzekerheid verbitterd wachten
en die in eigen huis voor vrijheid onder gingen.

O laat mij zingen, nu, in harten vol verlangen
– De morgen is zoo zuiver en de lucht zoo zacht –
Ik wil den tocht met ‘t leven gaan in stille zangen,
beluistren luiden lach van wie, vast hopend, wacht.

(p.15)

Nog ruischt het zeegezang in wild gewuif me tegen;
de zuivre zon verlaat het blauwig waterschijn;
de boomen buigen bevend langs de wegen,
en in de vlakte vloeit de stroom als morgenwijn.

De menschen komen vredig-kalm langs de lanen,
al zwijgend, met een blonde blijheid op hun mond,
waarvan de morgenzon verdreef de droeve wane
die dwaas verlangen om hun ijl gepeinzen wond.

De wind wuift welig langs den menschenstoet –
en wondervolle wijzen van vergeten zangen
doorruischen zacht de wijding. Als een verren groet
wenkt op het hoogland wit de burcht van hun verlangen.

Geen luistren meer naar de hymne van de machtige zee.
De zon stijgt stralend boven witte stranden,
op deinende heuv’len stijgt met haar de witte vree,
die noodend juicht en wenkt ter verre hemelwanden.

MIDDAGSTRIJD (p.16)

(p.17)

Laat me nog even wijlen, want in ‘t middagzwijgen
stijgt uit het verre dal een stil gezongen lied.
Ik voel mijn moeën tred naar donkre verten neigen
ter zee, waarvan mijn oog de vreedzame einders ziet.

De rust… uit kalmen nacht. – Ge waart mij koel om ‘ hoofd
als aan de paarse tafelen m’n staag verlangen
gedwee verdween ; toen mijn leede ziel beroofd
beluisterde de lijzig liedre liefdezangen.

Hoe heeft de zon op mijne moe geloken oogen
den heeten zoen van haar doorbrande drift gelegd?
Hoe schittren voor mijn peinzen starre stralebogen
en op het wassend watervlak dat steigerend vecht?

Laat me nog even wijlen, want in ‘t middagzwijgen
stijgt uit het verre doel een stil gezongen lied.
Ik voel herinnering als wierookwalmen stijgen
Uit ‘t blauwende water, dat me wondre weelden biedt.

(p.18)

Hoe heeft het leven van die vreemde herinneing
een klammen angst rondom mijn droomend oog gelegd ;
en hoe mijn reikend oor een verre toon ontving,
die als een wulpschen zoen mijn zwoel verlangen recht?

En de einder wenkt in breede wijde middaglichten,
de zon omhult in brandend goud de verre wegen…
Zal voor een geil begeeren ‘t groote einddoel zwichten,
en bang na nachtelijk feest de oude zorge wegen?

Hoe leeft in ieder open oog de heete haat?
Kan dan de mensch in medelij de hand niet leenen,
cynieken lach doen sterven op het vreemd gelaat,
dien lach die wonden rijt en ‘t roode oog doet weenen?

De middagtocht verdwijnt langs dorstig lange lanen:
de menschen in de rijen buigen, en gaan voort. –
Hoe rijst in ‘t moeë hoofd weer sterk de droeve wane?
– maar ‘k beidde hoopvol nog een wonder-wonnig woord –

(p.19)

Hoe sarrend-streng de hemel zwijgt in star verwijt,
wijl zacht een zang stijgt uit de waterweel’ge woon ;
Mijn weiflen verzwindt – het dal is wonderwijd!
– De luchten branden hier – en zeezang is zoo schoon.

En wonnig-hopend wachten nu tot de avond stijgt
in nachtelijken lust der feestelijke reven,
als elk verlangen dood, en ‘t tergend heimwee zwijgt,
als in de tooverlucht de nachtgezangen beven.

‘k Zal gaan en zachte stemmen hooren, en vergeten
den heeten strijd van ‘t dorstig hijgend stijgen;
‘k zal gaan, en kallem blij intieme liefde weten
bij zuiverende omarming in het nachtelijk zwijgen.

In ‘t late middaguur begint nu ‘t vreemde dwalen.
Waarom wuift stil een wind uit koele schaduw boomen
naar ‘t weiflig-wuivend watervlak? – En bij mijn dalen
ter avondpoort, zie ‘k vreemde weelden naderkomen.

(p.20)

Ik weet hoe nu mijn levensavond wachtend staat.
Reeds ver komen gezanten in den wijdschen vloed
van steigrend wolkenheir; en door de luchten gaat
in stijgend hijgen zwijgen staag de rosse gloed.

Bij frisschen morgen in de wijde zonnedalen
was ik nog hoopvol zoekend naar den mensch in pijnen.
Zoo zacht nu werden de oogen, en in zonn’ge stralen
steeg almaar heerlijk schoon ‘t geluk der zuiver reinen.

Na dagen lijdend strijden zullen de getijden
luid kondigen den vreê, in wilde woeste wijzen,
en lachend zich om menschenbuit verblijden ;
want donkre nachten hebben ‘t open oog doen deizen.

Ik weet hoe nu mijn levensavond wachtend staat.
Reeds ver komen gezanten in den wijdschen gloed –
Ik hoor hoe laat een leven nog naar ‘t hoogland gaat.
Ik zelf – ik kan niet meer – stil gaat de verre stoet.

AVONDBERUSTEN (p.21)

(p.22)

Hoe heb ik in een wrangen schandelijken lust
den rijken zwangren dag in leegheid toegwrongen,
en moe bij avond in mijn rusteloozez rust,
in ‘t zindrend zat gepeins, nog maf een lied gezongen?

Ik hoor het kling’len van de kristallijnen glazen
waarin het bloed vloeit dan den moegestreden dag ;
den feeërieken wijn, waarin de goden lazen
de wonderlijke kracht voor schallend luiden lach.

En worgend krampen handen bij geil-woeste wijzen
die schero doorpriemen stalen in den blinden nacht
lag daar in, ‘t einde van een hoopvol dagenrijzen?
Lag daar in ‘t nachtelijk duister, sterk, een wreede macht!

Ik zelf was medebouwer van die nachtfestijnen,
van taaflen waar ten disch de zwakheid werd genood ;
waar woest gedrinken werd de wrange ijle wijnen –
En walgend kom ik… God, bij U, met al mijn nood.

(p.23)

Maar ‘k weet hoe de avond komen zal gelijk een vriend
die ‘k lang reeds heb verbeid in witte kinderdroomen ;
gelijk een wondre fee, die zachte woorden vindt,
en moederlijk me zoent in ‘t blauwig-bleeke droomen.

Ik voel de schemering als wierookwalmen zijgen
naar ‘t tabernakel van de passieloze zee.
Ik laat m’n moeë hoofd naar vroom gepeinzen neigen,
Want… avond spreidt in zielen zuiver-zachten vrêe.

O avond met ‘t parool van peis op uw gelaat,
met wondervreemd verlangen in uw donkre oogen,
bloiende liefdeplooien in uw rood gewaad, –
maak me genoode van uw woning mededoogen.

Nu stil deze avond is gekomen, als een vriend
die ‘k lang reeds had verbeid in wonderwitte droomen,
ben ik tot hem gegaan. Ik heb hem diep bemind.
Na ‘t zoenen gleed hij heen aan nachtelijke zoomen.

(p.24)

Rood-brandend heeft de omarming mijn gedacht verdwaasd,
al rustend in de greep der veilge’ erinnering
een wijle nog, want aan den verren einder haast
ter nachtelijke poort, deze avond die nu ging.

En laat mij nu stil-weenend om erbarmen vragen:
terugkeer van den avond met de rustgen vreê –
– de luchten fluistren vreemd als in zeer oude sagen –
nog voor ten eindetocht – ter nachtelijke reê.

Kom stil, en vaag met uwe zuiver-zachte hand
de vale schimmen weg die voor mijn oogen dwalen,
en ban met innig-reinen kus mijn hoofdebrand ;
Ik ga nu naar ‘t nachtfestijn in roode wonnezalen.

Ik voel hoe zacht Uw hart is en hoe rein uw oogen,
zoo stil uw stem als ‘t ruischen van de verre zee,
zoo groot uw hart als vurig-felle zonnebogen.
Uit gouden lucht klinkt klaar ‘t parool: Naar God – Den Vreê !

(p.25)

Gedaan, de tocht door de eeuwenoude tempelwoon.
Ik heb geen garven en geen bloemen in mijn handen,
waar velen wachten, hoopvol, ‘t dagenloon
in ‘t einde van hun strijd aan avondlijke stranden.

Ik breng U, Heer, mijn lafheid in het dagendragen –
maar, ik ben blij ten opgang van den vreemden tocht gegaan.
En zult Gij in den avond naar mijn garven vragen
of zacht-vergevend Uwe armen openslaan?

Ik ben een menschenkind, dat uit den morgen kwam,
en vol verwachten, ‘t oor naar zeesirenen leende,
dat in mijn reikend hart het liefdeleven nam,
maar in den avond om vergane schoonheid weende.

Laat langs de avondpoort nu zacht den Herder komen
uit roode avondkim, temidden weelge vachten…
Ik zal mijn weiflig wenden richten naar zijn schreden,
blij gaan den tocht ter eeuwigheid langs paarse nachten.

Sint Jozefsmaand, 1939