Nand (achteraan links van de zuil) met de Vlaamse delegatie bij de Ewigen Wache op de Köningplatz, december 1940. In het midden met lange baard: kunstschilder Albert Servaes (de link leidt naar het Wikipedia artikel waarin deze reis en de gevolgen ervan beschreven wordt).
Voor duiding zie hierover ook de scriptie van Ingeborg Tibau pp. 48-49. Waarschijnlijk heeft Nand hier het idee gekregen zijn beruchte Hitlergedicht te schrijven.
Wikipedia: “De Eretempels (Duits: Ehrentempel) waren twee bouwwerken in München, opgericht door de nazi’s in 1935, met de sarcofagen van de zestien leden van de partij die waren omgekomen in de mislukte Bierkellerputsch (de Blutzeugen, “bloedgetuigen”). Op 9 januari 1947 werden de belangrijkste architectonische kenmerken van de tempels vernietigd door het Amerikaanse leger als onderdeel van de denazificatie.”
De reis vond plaats van 7 tot 13 december 1940. Men vertrok met de nachttrein naar Berlijn. Ter plaatse werd voor verschillende bezoeken gebruik gemaakt van een reisbus. . Het verslag van Nand over de reis in “Volk en Staat” werd gepubliceerd in verschillende afleveringen: van 12 tot 19 januari 1941. Tijdens de reis hield o.a. Filip De Pillecyn een redevoering (zie hierover ook de pagina “Filip De Pillecyn. Een biografie”.
Eerste aflevering op 12 januari 1941:
De volledige tekst van de artikels:
VLAAMSCHE KUNSTENAARS OP RONDREIS IN DUITSCHLAND
In de half-duistere ontvangstkamer van het Brusselsch hotel zitten zij bijeen, in reiskleedij en met hun koffers: de schilders, beeldhouwers, de dichter, die op uitnoodiging van Rijksminister Dr. Goebbels naar Duitschland vertrekken. Er wordt niet veel gesproken: allen zijn zich bewust van de betekenis dezer reis te midden het oorlogsgebeuren en de gewelddadige omwoeling van een geheele wereld. Zij weten dat deze korte dagen die komen, voor de kultuur van deze Lage Landen en voor het volk waartoe zij behooren zwaar van toekomst zijn, en een zekere beschroomdheid hangt over het gezelschap. Onze leidsmannen, Sonderführer Esser en Dr. Schmidt bejegenen ons allerhartelijkst: ook bestaat er reeds na eenige oogenblikken geen afstand meer.
Wanneer wij over het Rogierplein stappen in de richting van het station, bemerken wij boven de stad Brussel de grauwe vleugelen van een Duitschen verkenner, die als een reuzige adelaar boven de daken scheert zijn ronkende stem overheerscht één oogenblik het stadsrumoer
In den trein – drie afdelingen tweede klas worden ons voorbehouden – terwijl wij door het welig heuvelland Brabant naar het Oostland heenspoeden, zitten de schilder, de beeldhouwer, de dichter bijeen. Zij spreken, en het zijn zoekende, hartstochtelijke woorden: het geldt het volk, het geldt de kunst. Neen, de kunstenaar is geen vrijschutter, geen boven-de-wet. De kunstenaar vangt aan in den mensch, en de mensch is een cel in de gemeenschap. En wil hij volledig zichzelf worden, dan moet hij zich voeden met deze eerste levensspijs: eerst dan wordt hij volledig wat hij zijn moet; doch kunst is en blijft scheppende geest, die het leven in zijn onnaspeurbaarheid tot nieuw leven herschept. Het worden heftige gebaren, handen grijpen in de ruimte, bewijzen, betoogen, vuisten worden gebald: alles de uitdrukking van doorleefde en uitgesproken eerlijkheid.
De trein spoedt verder, Oostwaarts. Een aarzelende schemering hangt over de hoogvlakte daarbuiten. Er heerscht een lange stilte. Doch wanneer één onzer Duitsche leidsmannen onder ons plaats neemt, dan vindt hij in ons verheugde toehoorders Dit geluid is taal naar ons hart, en als het ware geënt op het voorbije gesprek. Het IIIe Rijk erkent in den kunstenaar het beginsel dat aan ontleding ontsnapt, en bevestigt, dat bij alle ordening, een doodende stelselmatigheid uit den booze is. De nieuwe kunst, zal binnen de haar gestelde grenzen, de taak zijn van een vrijscheppende persoonlijkheid.
Aken. We betreden Duitsch gebied, en stappen over in den trein naar Keulen. In de schemering van den verduisterden wagen gaat het over Vlaanderen’s eeuwenouden strijd voor zijn Nederlandsche kultuur, zijn strijd voor Germanje, die thans binnen de grenzen van Germanje, zoo is onze hoop, zijn beslag zal krijgen
Uitstappen. Wij staan te Keulen. Acht eeuwen geleden ging van hier uit naar Brugge, en van Brugge wederkeerig naar hier, een stroom veelzijdig leven, handelsverkeer, en met den handel, de verwantschap van den geest. Nu staan wij Vlamingen hier weerom, op den drempel van een nieuwen tijd, die de belofte van het verleden zal vervullen, en een ontroering komt over ons.
Iemand grijpt mij bij den arm en wijst naar omhoog. Het is Sonderführer Esser. Boven ons hoofd spant de groote koepel der spoorhalle zijn donkerheid. Naar Engelsche berichtgeving hadden hun bommenwerpers dit station met den grond gelijk gemaakt, zoodat men in ’t open veld moest uitstappen. Hier is de waarheid, en het tegendeel van wat Churchill berichtte.
In den slaapwagen, “onzen slaapwagen”, nemen wij plaats voor den nacht. Wanneer wij des morgens ontwaken, ligt het weidsche landschap wit van versche sneeuw. Opgetogen wijzen de schilders elkaar de witte heuvelen aan met de donkere dennenbosschen wild over hun rug geworpen, met de schaarsche dorpen en hun miniatuurtempeltjes, verloren in de verte. Dit landschap is grooter en statiger dan het onze, maar dan ook niet zoo innig. Bij ons toch liggen de heuvelen dicht opeen, en zwaar-gezwollen; zelfs de strenge Noordzeevlakte is bewoond en mild.
Wij trekken over den Donau te Ulm. Wij denken even aan den verren Balkan, waar thans Duitschland zoo een vruchtbare orde schept, en over het historische Augsburg. bereiken wij München
Een autobus staat gereed. Het houtgas-toestel alleen, achteraan den wagon, doet ons hier aan een oorlog denken. De stad is, voor zoo ver wij haar doorrijden, ongeschonden: overal heerscht drukte en normale bedrijvigheid.
We staan voor het Haus der Deutschen Kunst. Sedert jaren was het ons verlangen, dit en andere bouwwerken van het IIIe Rijk te mogen zien; nu staan wij ervoor. Het geheel is stoer, hoekig en zwaar in zijn eenvoud. Breede trappen leiden naar een zuilenrij die een korte voorhal schraagt boven den ingang van het gebouw – een streng blok, zonder verdieping waarvan de steen, zandkleurig en helder van toon als het ware doorstraald is van licht. En in dit licht wordt het bouwwerk uit zijn zwaarte ontheven, en doortrokken met wijding. Dit is de bouwtrant der oerreine volkeren, die bewust van een eeuwenoude overlevering zich opnieuw bezield weten met jeugd. Deze zullen zijn de samenvatting van een voortijdig verleden, en tevens de ingangspoort tot een nieuwe toekomst. Dit huis is een daad van overmoedigen wil
Voor de kunstwerken zelf, de schilderijen en de beelden, wordt stil gehouden, en gedachte gewisseld, geredetwist. Algemeen dragen de bewondering weg: de zware bronzen van Kolbe, de losse en krachtige gestalten van Klimsch. Voor een bevallig en gevoelig geschilderd naakt houden enkele schilders stand en zwijgen, teeken van gegrepenheid en waardeering. Wij kijken naar de kataloog… en vinden den naam Pieper uit Düsseldorf. Instinktmatig hebben zij het gevoeld: deze Nederrijnsche kunst staat in kleur en bouw dicht bij ons, Vlamingen, Nederlanders.
Des middags zijn wij te gast bij den heer Burgermeester Fiehler. Hoofsch en gul ontvangen in de gewelfde feestzaal van het raadhuis, worden wij op een typisch Beiersch gerecht: “Knödel mit Kraut” onthaald. De heer Burgemeester vindt vriendelijke woorden om ons in zijn stad te verwelkomen en wijst erop, hoe eenmaal, eeuwen geleden, Vlaamsche wevers met hun kunst naar deze, zijne stad zijn uitgeweken, en hier een bloeiende nijverheid bevorderden. Namens de aanwezige Vlamingen bedankt kunstschilder Albert Servaes; op de hem eigen eerlijke en gevoelvolle wijze. Het zijn woorden van bewondering en liefde voor het groot werk dat Duitschland en zijn geniale aanvoerder in de wereld tot stand brengt,
De rondvaart door de stad brengt ons naar het Führer-gebouw. Wij betreden de zaal waar eens de leugentaal van den huichelaar Chamberlain heeft weerklonken. Voor dezen haard staan nog dezelfde zetels; doch wat werd er in Europa sindsdien niet omgewoeld. Waar is thans Chamberlain zelf?
Een verrassing en een vreugde brengt ons de groot gemeenschapszaal, waar in normale tijden, tegen de weidsche muren, reuzachtige gobelins worden ten toon gespreid, werk van Vlamingen, van menschen uit onze gewesten. Vlaanderen versiert het huis van den grooten Kunstenaar-Aanvoerder Adolf Hitler in zijn vechtstad München ! Kunst van ons volk zoo dicht bij het hart van het IIIe Rijk! Hoe zouden wij, kunstenaars uit Vlaanderen, niet ontroerd zijn bij dergelijke gedachte, eeuwenoud volk, dat in de groote Germaansche gemeenschap zijn plaaats krijgt, en een onafzienbare toekomst in zich draagt? En onze blikken gaan ter venster uit naar de statige Pinakotheek, waar de opgetogen gezichten van onzen grooten volksgenoot Pieter Pauwel Rubens, ons in dezelfde zielsgemeenschap omsluiten.
München, stad der Duitsche kunst, hoe vinden wij hier ons eigen Vlaanderen terug!
Buiten, op de Koningplatz, staan wij ingetogen voor de begraafplaats der eerste dooden van het jonge Duitschland. Het is de eeuwige waak der dooden over de levenden, der levenden over de dooden. De twee schildwachten staan roerloos, als uit steen gehouwen. Men zegt ons: het zijn jonge mannen uit de beide Nederlanden in veldgrauw en Duitschen staalhelm. Het wordt ons vreemd te moede. Onze gedachte gaat naar het Doodenkruis te Diksmuide. Ook Vlaanderen heeft zijn jonge dooden die getuigden voor hun volk, hun Germaansche bloed. Duitschland, kent gij het offer van onze Jeugd – de eeuwen door – op den uitersten voorpost der Noordsche volkerengemeenschap, in ‘t Westen aan de Noordzee ?
Des avonds zitten wij in den Staatsschouwburg. Opgevoerd wordt een operette van Strauss: “Wiener Blut”. Zóó is de vertolking, de belichting, de bedwelmende muziek dat dit “Weener Bloede ons, stugge, gesloten menschen van het Noorden, naar het hoofd gaat als zware wijn
Des anderendaags staan wij te Nüremberg. Kamers worden voor ons besteld in het Hotel van den Führer zelf: “Der Deutsche Hof”. Voor deze eer zijn wij zeer gevoelig. en laten niet na zulks te betuigen
Na een keurig middagmaal nemen we plaats in een weelderige autobus die ons naar de stad en de partij terreinen voort.
Het is een nevelige dag, grauw in haar breeden ringmuur ligt de middeneeuwsche stad; boven op de vestingsrots heeft men een heerlijk gezicht op de bruine spitsdaken, op de kronkelende straten die zich in een wegende verte verliezen. Door bochtige straten en stegen rijden wij; bewonderen de gesloten bouw van het stadsplan, die men soms ziet verwijden op den kleien marktplaats, zoodat men zich ineens nog in volle Middeneeuwen bevindt. Oud en nieuw zijn met elkander vergroeid, veel meer als b.v. te Brugge waar veel werd verkorven. Het raadhuis is indrukwekkend in zijn zwarten steen. Het herinnert ontegenzeggelijk aan het Oosterlingenhuis, het tehuis der Duitsche kooplieden, thans verdwenen, te Antwerpen. En wanneer wij de ruime benedenzaal betreden, met haar zware zuilen, haar trotsche gewelven, dan moeten wij onweerstaanbaar aan de oude Hallen van Leuven terugdenken, waar dezelfde stijl, dezelfde voorname strengheid heerscht. Boven worden wij in de ruime feestzaal binnengeleid, waar de Führer de Rijkspartijdagen voor open verklaart. Niet zoo diep wellicht, doch feestelijker dan de Brugsche Halle, heeft zij voor ons Zuid-Nederlanders een verrassing over. De gids brengt ons naar het uiteinde, waar hoog tegen den wand, twee steenen beeldhouwwerken zijn aangebracht. Het eene verbeeldt Koning Ludwig de Beier, een bizondere begunstiger der stad, het andere twee zinnebeeldige voorstellingen: een rijkgekleede vrouw, die aan een niet minder rijk gekleede, een zwaard met gordel en handschoenen overreikt: het is de stad Nüremberg en Brabant, die zich wederzijdsche handelsvrijheid verleenen. Door zijn huwelijk met Margaretha van Henegouwen, was namelijk ook Brabant den keizer ten deel gevallen; en aldus ontstond tusschen de twee gewesten een vruchtbaar handelsverkeer. Aldus vinden wij hier aan den wand een stuk gemeenzame geschiedenis.
De autobus voert ons verder, buiten de stad, naar de groote schouwvelden der partij. Onafzienbaar, tusschen eindeloos geboomte strekken zich de pleinen uit, nu leeg en verlaten met hun trappen en galerijen De deemstering naakt, een zware nevel zinkt met den avond neer, en de onafgewerkte torens van het groot paradeveld, lijken de resten van een voortijdige en bovenmenschelijke beschaving: zoo geweldig, zoo grootsch is alles ontworpen.
Doch ook andere dan handelsbetrekkingen verbinden het 17e eeuwsch Nurenberg met de Nederlanden. Het is vooreerst een Nurenbergsch schilder Hans Pleydenwurff die op de vondsten der gebroeders Van Eyck verder bouwde, en in zijn portretten dezelfde levensvolheid, hetzelfde burgerlijk bewustzijn en zin voor het binnenhuis tot nieuwe gestalte bracht.
Doch hechter nog was de band die door den naam Dürer, Nurenberg’s grootste schilder, en de Lage Landen bij de Noordzee, werd gesloten.
Vader Dürer, de goudsmid, had zich na lange en vruchtbare leerjaren bij de grootste kunstenaars der Nederlanden, te Nurenberg gevestigd. Albrecht, de zoon, zou naar dit land terugkeeren, om er als een vorst te worden gehuldigd, en zou er het spoor van zijn voorbijgang in het werk van een Lukas Van Leyden nalaten.
In hemzelf wekte deze Nederlandsche reis de volheid van zijn krachten op. Meer dan honderd portretten heeft hij er vervaardigd, waaronder, naar zijn eigen getuigenis, vijf in olieverf, onder meer het meesterwerk dat Willibald Pirkheimer voorstelt, en thans in het Prado te Madrid te bewonderen is.
De gebalde hartstocht, die in die donkere oogen brandt, en uit geheel het streng gezicht tot uitdrukking komt, is er de sprekende getuigenis van, welke levensfelle macht Vlaanderen in den genialen Duitscher tot leven heeft geroepen. Dit is inderdaad de taal van den uit Vlaanderen stammenden Beethoven.
Het was dan ook met een ontroerde spanning dat wij het Dürerhaus betraden. Hier in dit schemerdonker heeft hij geleefd, gearbeid, gedroomd. Langs de wenteltrappen, onder de zware eiken balken door, stijgen wij omhoog naar zijn woonvertrek, naar zijn werkkamer. De wanden zijn met donker hout bekleed, in het gedempte licht, dat door het glas in lood naar binnen valt, verwerft alles wijding en stilte.
Deze vrome schemering is de uitdrukking van een ziel. Wie hier leeft, wordt geheel op het innerlijke gericht: hij moet denken, diep voelen, hij moet groeien tot persoonlijkheid. Het oude Dürerhuis sprak tot ons woorden waarvan wij de dracht nog niet ten volle beseffen; het leeft in ons voort.
Aht uren trein brengen ons in Berlijn, de Rijkshoofdstad. Wij stappen uit in het Anhalter Bahnhof dat, naar Engelsche berichtgeving, geheel met den grond werd gelijkgemaakt, en worden gevoerd naar het eerste hotel van de hoofdstad, het Kaiserhof.
De waardeering die ons uit deze bejegening tegenspreekt, stellen wij allen zeer op prijs: de ontvangst die Berlijn ons heeft voorbereid, overtreft dan ook alles wat wij tot nu toe mochten beleven.
De bezichtiging der stad, in een met glas bekoepelde autobus, de lange rit door de donkere indrukwekkende hoofdstad, met haar wijdsch aangelegde pleinen, haar strenge en statige gebouwen, eindigt in het slot Schönhausen, waar na een rondgang door de Duitsche Biennale, wij in gemeenschap met Duitsche kunstenaars, de groote rede van Adolf Hitler door den luidspreker aanhooren.
Als nooit te voren grijpt ons die hartstochtelijk overtuigde en overtuigende stem uit het ongeziene aan. Deze is immer de man, die het lot van ons vaderland in handen houdt, en naar wien wij vol hoop en vertrouwen opblikken.
In de “cederne galerie” wordt ons een « kleines Frühstuck » opgediend, dat een stevig Duitsch middagmaal blijkt te zijn. Daarop brengt de autobus ons naar de Staatsopera.
Op het programma staat « De Troebadoer », Verdi’s drakerig zangspel, dat ons met een beklemmend voorgevoelen vervult. Geheel ten onrechte trouwens. Wat Duitsche regie, Duitsche kunstenaars, Duitsche muzikale leiding uit dit onmogelijk libretto scheppen, doet Verdi in groote mate vergeten, en heeft een uitgesproken eigen persoonlijkheid.
Het vervoerend geluid van Roswaenge, de donkere kracht die uit de stem van Schlusnus over ons komt, is louter genot. De inkleeding van het spel was boven alle kritiek verheven, en wist, bij voorbeeld in het eerste tooneel van het derde bedrijf gezichten op te roepen met Rembrandteske diepte en grootheid. De zaal zelf was nokvoll met een keurig en geestdriftig publiek: van een oorlogsstemming was niets te merken.
Woensdag, 11 December: ontvangst door Rijksminister Dr. Goebbels: een dag en een oogenblik waarnaar wij verwachtend hadden uitgezien. In de Stucksaal van het ministerie staan wij geschaard in een halven kring, en de hooge gastheer treedt op ons toe.
Een rustige, beheerschte verschijning, die met een gemoedelijken monkellach en een doordringenden blik den een na den anderen benadert en de hand drukt. Met een licht gebaar der handen wenkt hij ons dichterbij te komen, en hij spreekt.
Het zijn woorden die ons uit het hart zijn gegrepen: wij dienende kunstenaars uit Vlaanderen, die immer met ons volk hebben medegeleefd, doch door den Staat om die liefde werden verstooten, hooren hier, uit den mond van een hoogen vertegenwoordiger van het Duitsche Rijk, hoe de nationaal-socialistische Staat geen andere dan volksche kunstenaars erkent. Doch voor deze laatsten heeft hij dan ook een groote liefde. Bestellingen van hoogerhand laten hem toe de volheid van zijn kunnen te bereiken, en als mensch en als kunstenaars hun plaats in de samenleving in te nemen.
Dat was, zoo bemerkt Dr. Goebbels terecht op, de drijvende macht in de groote eeuwen der klassieke kunst: de kunstenaars leefden van opdrachten, en de kunst had er alle voordeel bij.
Overigens is de kunstenaar volkomen vrij zich in te schakelen ofte niet: doch hij die de natuur-gewilde ordening links laat liggen, moet dan maar ook alleen zijn vrij gekozen wegen gaan.
En hier wijst de heer minister op de lijn die in de berichtgeving van het Rijk wordt gevolgd. Het is de politiek van het open vizier. De wereld heeft zich kunnen vergewissen, dat de Duitsche bevestigingen aan de waarheid beantwoorden: ook in het werkplan van dit bezoek werd den Vlaamsche kunstenaars geenerlei dwang, geen eenzijdige voorstelling opgedrongen..
Dat hebben wij inderdaad kunnen ervaren. Herhaaldelijk mochten wij op eigen hand door de Duitsche steden gaan zwerven: wij hebben overal normale bedrijvigheid, en op één enkele plaats een ingebeukten gevel ontdekt !
De minister zwijgt. Natuurlijk en recht voor de vuist heeft zijn stem ons geklonken; één enkel breed gebaar, nu en dan, zegde meer dan woorden konden uitdrukken; daar waar hij spreekt van den ontwortelden kunstenaar, daar waar hij spreekt – met een plotse flikkering in de oogen – van Duitschland’s voor-Aziatische vijanden. Eerlijke taal die overtuigt; een houding die achting beteekent en genegenheid.
Namens Vlaanderen, niet minder eerlijk, drukt kunstschilder Albert Servaes zijn bewondering uit voor de groote daad van het nieuwe Duitschland, en vertolkte ons aller overtuiging. Met genoeglijken glimlach aanhoort de minister deze oprechte woorden, en neemt hartelijk afscheid.
Doch de Vlaamsche redenaar heeft vergeten hem het zorgvuldig voorbereid dokument met onze handteekeningen te overhandigen…!
Des middags, in de schitterende ontvangstzaal van het Kaiserhof, bij een feestelijken en soberen disch, worden de Vlaamsche kunstenaars door toonaangevende vakgenooten uit het Rijk gulhartig ontvangen. Adressen worden verwisseld, over kunstopvattingen van gedachte gewisseld: deze opvattingen loopen niet ver uiteen! Wij verbazen er ons immer over, dat de scheppende menschen alhier, binnen de vanzelfsprekende grenzen, een bewegingsvrijheid bezitten, die het tegendeel is van wat zekere pers bij ons heeft voorgehouden.
Een akademische zitting in de feestzaal van het hotel volgt dan onmiddellijk hierop. Naast den vertegenwoordiger van den Führer bemerken wij in de weelderige zaal een keurige en drukke vertegenwoordiging van de Berlijnsche bevolking.
Na een inleidend trio van Beethoven, waaruit ons menig bekend Vlaamsch volkswijsje tegenzingt, spreken Dr. Filip De Pillecijn en Dr. Jef Van de Wiele,
De eerste redenaar wijst er op dat in de eeuwen van Vlaanderen’s overweldiging, de volksche trouwe werd gedragen door den arbeider en den boer, en Dr. Van de Wiele getuigt hoe thans in Vlaanderen de oogen op den Führer van Groot-Duitschland zijn gericht, uit wiens hand wij, na eeuwen strijd, onze volksche volkomenheid verwachten.
Verzen werden voorgelezen van Cyriel Verschaeve en kunstzanger Schmidt-Walter zong ons eenige oud-Vlaamssche volksliederen voor in Duitschen tekst.
Deze liederen roepen in ons de groote Oostlandreizen onzer Vlaamsche voorzaten op: wij vinden trouwens in de onmiddellijke omgeving van Berlijn een tastbaar getuigenis van hun voorbijgang, waar wij vaststellen dat Lichterfelt hetzelfde wapen voert als Lichtervelde in West-Vlaanderen !
Op de terugreis naar het vaderland stappen wij nog te Düsseldorf uit, bezoeken de tentoonstelling in de Kunsthalle, waar de atmosfeer meer dan in München met onzen levenskring is doordrongen, en worden daarop uitgenoodigd in de Akademie, waar wij de gelegenheid krijgen de werkplaatsen binnen te gaan, ons met leeraars en leerlingen te onderhouden en vast te stellen hoe ook in deze wereld een vaste regelende hand te onderkennen is.
Hier wordt een naam in herinnering gebracht, die in onze kunstenaarskolonie te Sint-Maartens-Latem een gunstigen klank had: de naam Nauwen, leeraar aan dit gesticht. Onlangs overleden, verwijlde professor Nauwen langen tijd te midden de schilders van de dichterlijke Leiestreek. Een gegeerd mensch en een trouwe vriend, blijft hij in hun gedachtenis, zoo bevestigt Albert Servaes, voortleven.
Na een hartelijken begroetingsmaaltijd in het parkpaviljoen op den Ananasberg, betreden wij de beroemde « Malkasten », eigenlijk een oud jachtslot, door de groeiende stad op het woud veroverd, thans een klubhuis voor schilders.
Het is de grijze archivaris, prof. Murdfield, die ons in de merkwaardigheden binnen leidt. Hij blijkt een beweeglijk, gemoedelijk en bijwijlen aangrijpend verteller te zijn: het verleden van het slot wordt werkelijkheid onder onze oogen, vooral waar hij verhaalt hoe hier de grootste onder de Duitsche grooten, Wolfgang von Goethe, een onderkomen vond, en in deze stilte, onder de eeuwenoude beuken, zijn “Herman und Dorothea” bedacht en schreef.
Het voorbeeld van zijn heldin, en wij bedenken dit verrast, was een voorzaat van zijn gastvrouw, die de dichter als “die herrliche Niederländerin” placht te kenmerken.
Aangegrepen blijven wij staan, wanneer onze gids naar de trapleuning wijst, waarlangs de hand van den grooten zanger heeft gegleden, en er heerscht, onwillekeurig, een oogenblik diepe stilte. Dit huis is met een machtige aanwezigheid vervuld.
En dan brengt prof. Murdfield, veelzijdig gemoedsmensch, ons in nauwere verbinding met de Malkasten, “zijn” Malkasten! Hij slaat voor ons het oude karikaturenboek open, waaruit gezonde scherts, fijne spot, bijtende levensvolheid tegenlacht: hij zingt voor ons de oud-Vlaamsche wijsjes die hij als jong schilder in de kroegjes te Knokke aan de Noordzee heeft gezongen – van zelf zingen wij mee! – hij haalt ten slotte het Gouden Boek te voorschijn, waar een naam als Menzel in geschreven staat…
Een gezellig samenzijn in de “Achovkeller” besluit dezen welgevulden dag, en daarmee ook onze reis door Duitschland. Want des anderendaags, 13 December, vroeg in den morgen, trekken wij door de verduisterde stad, al zoekend en struikelend, voor de terugreis naar Vlaanderen.
Te Brussel zitten wij nog eenmaal bijeen in het hotel waar wij voor de afvaart verzamelden. Hoe geheel anders is alles nu. Zwaar van herinneringen, in gevestigde kameraadschap, bewust van het nakend afscheid, zitten wij rond de tafels en spreken gedempt. Weemoed om het voorbije, en werklust voor de dagen die komen, worstelen in ons.
Een zaak is zeker: Wij, Vlamingen, werden in Duitschland volkomen als vrienden, als kameraden bejegend. Wanneer wij zeggen dat wij hartelijk werden begroet, dan blijft dit woord beneden de werkelijkheid: want waar wij ook werden ontvangen, daar straalde ons een wezenlijke genegenheid tegen. Dit heeft ons verheugd en gesterkt: het heeft in ons klaarheid geschapen.
Tijdens deze reis door het nieuwe Duitschland hebben wij, Vlamingen, krachten in ons voelen loskomen: ons volk, de eeuwen door, is jong gebleven; thans mag het betrouwen. Wordt het door Duitschland bejegend als zijn kunstenaars, dan gaat het een toekomst te gemoet waar zijn volkswezen zich volwaardig zal uitspreken.



