1939 De Dagtocht – Dichtbundel

In juni 1939 verscheen de eerste (en enige) dichtbundel van Sim, gedrukt op 400 exemplaren. Ze was toen net geen 20 jaar oud.

De gedichten zijn zwaar en melancholisch van toon, Sim was sterk onder de indruk van de poëzie van Karel Van de Woestijne die ze intens bestudeerde tijdens haar opleiding. Zelf schrijft ze daarover het volgende (zie de pagina “Het Landhuis“) als haar alter ego “Lena”:

“Ze schreef hartstochtelijke gedichten en las alle verzenbundels van de dichter die ze in het regentaat als auteur ten gronde had bestudeerd, haar gedichten hadden daarom een Van de Woestijne tintje. Lena begreep moeilijk hoe het vrome literaire nonnetje, wel één der eerste vrouwelijke filologen aan de K.U.L, de lectuur aanbeval van een zo zinnelijk en getormenteerde schrijver. Toen ze bij haar eindexamen voorgezeten door de prins der Nederlandse Letteren Filip de Pillecyn het gedicht voordroeg over de zee uit “Het Bergmeer” met de passage erin die ze zelf niet goed begreep: “… gestrekt als een schaamteloze vrouw en naakt als een schudeloos kind…” (*), had de voorzitter wel even verwonderd gekeken.”

Een aantal van de gedichten uit “De Dagtocht” zijn ook te vinden in Sims poëziedagboek “Herinneringen“.

De volledige bundel kan je lezen op de pagina “De Dagtocht“.

Factuur van de bundel gericht aan de vader van Sim, zegels gedateerd “14-6-1939”.

Formaat: 19,5×16,5cm, 25 pagina’s, slechts aan één zijde genummerd, geen inhoudsopgave.

Uitgave:

“Gedrukt op de persen der drukkerij Jacobs & Co., Corbeeck-Loostraat 19, Leuven. Papier “Featherweight”  200 exemplaren. Exemplaar nr. 47″

Waarschijnlijk zijn er nog 200 andere exemplaren op ander papier gedrukt, of was er een tweede druk, vermits de bestelbon voor 400 exemplaren is opgemaakt.
Lettertype: gedichten: Garamond? Titels: soort “Wide Latin”?

Kaft:

Lijst met bezorgde exemplaren, door Sim opgesteld.
Een eerste reeks van 100 exemplaren met enkel namen. Waarschijnlijk werden die persoonlijk door Sim bezorgd. Nr. 21 tem nr. 25 vermelden de letter “C”: een cadeau (misschien voor familieleden)? Nr. 81 tem 91: exemplaren voor de Zusters Annunciaten (leerkrachten). Nr. 95: een exemplaar voor Filip De Pillecyn.
Tweede reeks van 100: nr.1 tem nr. 10 voor de boekhandel. Nr. 11 tem nr. 33 vermelden ook het adres en werden dus opgestuurd. In potlood het cijfer “44”, daarnaast “3de jaar”: waarschijnlijk het aantal exemplaren voor haar medeleerlingen.
Nergens vond ik een kostprijs noch boekhouding voor de bundel (mocht die gewoon gratis geweest zijn, was dat een mooi geschenk van Sims vader!).

Binnenblad: Deze bundel heeft Sim opgedragen aan één van haar beste vriendinnen, Maria Van Herreweghen (zus van de dichter Hubert Van Herreweghen). Ze zaten samen op kostschool in Heverlee (Heilig Hart, Naamse Steenweg), Maria werd missionariszuster en verliet België, vandaar het emotionele afscheid…):

Als alles wat heel diep in ’t hart blijft zweven,
en lachend weenen doet,
heb ik je ziel gepeild en zooveel schoon vermoed
dat stil verborgen lag in je ongekende leven.

Met mijn intieme herinnering aan ons kostschoolleven. Met mijn innigste dankbaarheid voor het sublieme schoone dat ik in jou vinden mocht.
Aan Maria Van Herreweghen,
(Dame Maria Eveline)
Simone
Heverlee, den 27sten Mei 1939.

Ze kwam met een ruischen
van vrêe om haar heen —
er speelde een lach om haar mond,
— zoo diep was haar blik! –

Ze kwam en sprak
als de ziel die tracht
naar de verten van Gods roep
en alles wil geven

Ze kwam, we blikten haar aan
bewonderden – lachten – ’t was al
Zij bleef – blij en gelukkig –
Wij gingen, lijk ieder jaar
lang was de weg naar de grootstad
er slierde heel traag een wijding langs ons
een tinteling in beide zielen
van iets ver – te schoon en te groot
                          19den April 1938, Sim”

Laatste bladzijde:

“en… door al mijn dagtochten blijf ik, in strijd en in offer aan je denken en aan die vele… vele zielen –“

Maria & Sim in 1939 (uitvergroting van bovenstaande afbeelding)

  

Maria met familie (links van haar vader Cyriel Van Herreweghen).

Het gezin Van Herreweghen telde 7 kinderen, hun geschiedenis kan je hier vinden. Over Maria staat er:
“Op 9 november 1936 trad ze te Heverlee in bij de Zusters Kanunnikessen van Sint-Augustinus (zusters van de Jacht) en op 12 mei 1939 werd ze er geprofest als zuster Marie-Evelyn.
Nog datzelfde jaar reisde ze af naar de Filippijnen. Bijna zeven weken duurde het vooraleer ze in Manila toekwam. Er eerst nog studeren, om op de Filippijnen te mogen onderwijzen, de ‘Elementary Teachers Certificate’ behalen en daarop de ‘Bachelor Secundary Education’. Intussen hadden de jappen de eilanden bezet en maakten er het leven moeilijk. Voorlopig hielp ze in de parochies van Bontoc en Lubuagan, maar vanaf 1945 vervulde ze verschillende functies in het onderwijs: eerst lerares in Lubuagan, in 1949 medestichtster van de secundaire school in Cervantes, in 1952 lerares te Manila en van 1953 tot 1967 schoolhoofd van de lagere school te Baguio City. Dan kreeg ze opdrachten binnen de kloostergemeenschap: in 1968 overste te Bontoc, van 1970 tot 1972 novice-meesteres in Juding-Baguio, in 1974 overste in Sabangan, nadien in Bontoc. Tenslotte was ze van 1979 tot 1983 nog werkzaam in het dispensarium te Cervantes.
In 1983 keerde zuster Marie-Evelyn voorgoed naar België terug, werd te Leuven overste van achtereenvolgens twee districtshuizen. In 1987 ging ze op rust, in het moederhuis te Heverlee. Daar overleed ze op 16 mei 2007.”

Marie op latere leeftijd:

Sim en Maria zouden nog regelmatig met elkaar corresponderen. Hier en vroege brief uit 1936, vier dagen voor Maria  intrad (beiden waren toen 17 jaar):

St Joris Winge, 4 November 1936

Beste Maria,

    Het doet me veel genoegen, maar met een tikje wee hoor, dat ik u nog zoo heel na kan schrijven. Ik denk nog alle dagen op m’n beste vriendin die ik tevergeefs zoek tusschen heel de kostschoolmassa.
    Ja,Maria, ik bewonder U; het zal bij mij alleen dat, niet blijven, veel zal ik bidden voor de vruchten van zoo’n mooie roeping. Moge het toekomstig apostolaat dat je altoos zoo bezielde, moge het heerlijk en mooi zijn iets eenig’s voor m’n beste Mieke.
    Wat zal ik dikwijls nu naar Uw nieuwen tehuis kijken het zal me telkens weer moed geven hoor in de studie want deze is nu buitengewoon lastig. Ik weet toch dat U voor mij bidden zult… Ik weet het ge voelt U thans gelukkig, het stralen van jouw oogen blijft me bij. Ja Maria, ge moogt het weten, ge hebt me beter gemaakt, dit kruispunt van ons beider kostschoolleven is vol licht. Het stelt U in volle zon, en stelt mij in de schaduw. Maar ik sta er gaarne in, contrasten zijn zoo mooi.
    Nu ik je niet dikwijls meer zal zien… ik kan niet zeggen nooit… het zal me toch wel eens verleend worden, nog eens bij U te komen?…
    En nu beste Maria, ik ben fier met U, in éénzelfde huis te hebben gewoond, waar je blij waart als ik verheugd was en pijn had als ik schreide.
    Vaarwel beste Maria, m’n gebeden hoe pover ook zullen je volgen, ik vergeet U niet. Telkens ik aan u denken zal, heb ik dit mooie offer voor oogen, het zal me beter maken, nu en daar ook waar ik zal omkeren.
    Maria, vaarwel en denk ook op mij.
                                      Simone

De Dagtocht“: voorlaatste bladzijde: einde van het gedicht “Avondberusten”, “Sint Jozefsmaand 1939”:

(*) Het citaat Van Karel Van de Woestijne komt uit de bundel “Het huis van den dichter” (dus niet uit “Het Bergmeer”), en daarin de cyclus “III Het huis aan de zee”., het eerste gedicht [“Tot uw eeuwige lijne gekomen”], vierde strofe:

Tot uw eeuwige lijne gekomen;
 tot uw eeuwigen drift bereid;
met ons diepst-bewogene droomen
en den kalmen trots van ons spijt;

en open voor alle troosten,
en dankbaar voor elken smart:
zoo staan we voor ‘t goud van uw oosten
en voor ‘t grimmende wester-zwart.

Zoo, onder het kleed onzer wanen,
de borst van ‘t leven doorkraauwd;
op ons lippen ‘t zout onzer tranen,
maar in ‘t harte úw voedende zout,

Zee van brooze golve-gebouwen
en sterk van nálevenden wind;
gestrekt als een schaamtlooze vrouwe,
en naakt als een schuldloos kind;

o Zee, die in aarzlenden morgen
te wachte’ en te wijlen ligt,
in uw schoot de stormen geborgen,
en uw wezen bleek in het licht:

zie, we zijn tot uw leven gekomen,
in den angst van onze eeuwigheid;
met ons diepst-bewogene droomen
en den kalmen trots van ons spijt…de

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *