Donderdagavond 28 oktober Nand 31ste brief

Gistel Donderdagavond 28.10.50

Liefste,
Nog te Brussel heb ik enige regelen voor je neergegriffeld die “ik”, thuisgekomen, voor je overschrijf.
Ik laat je eerst weten dat de trein waarmee ik vorige keer kwam, niet meer loopt. Ik kom dus in het Zuid aan te 17.44 u. Ik kon ook later komen doch als wij naar den ballet-avond gaan, is het beter wat vroeger aan te zetten.
Nu zit ik hier te wachten op mijn trein, doch ergens door mijn bewustzijn jagen beelden, en laten mij niet los: aanzoevende limousines met gedrochtelijk starre ogen borend door den nacht, vunzige achterbuurten en dan weer de brede, bevrijdende baan…
En dan ineens zie ik weer hoe het begon : glimmend water van een stille meer, kleurige schuitjes, en aan de kim een zweem van rustige bossen. Ik herademde in open, zuivere lucht. Uit jou ogen was de kregeligheid verdwenen. Het was net of het leven in deze zuivere ruimte heel anders was dan ginder in de stad: wij werden gedragen door een gevoel van opgewekte en jeugdige zorgenloosheid.
Hoe geheel anders dan de afreis was dan de verdere rit : schilderachtige landse wegen, de halte in de intieme doch dood-stille kapel .. Ik ben heel dicht bij het Lieve Vrouwke gaan staan – die beeldjes hebben soms zo’n vreemde uitdrukking .. (achter mij in de roerloze ruimte wist ik jou klare ogen als een levende aanwezigheid) Wat zei mij het beeldje? Het staarde ver over ons weg, met een bewustzijn van onverstoorbaar weten, doch koud en ongenaakbaar. Ik onderga telkens een onbestemde angst als ik voor beelden sta; de gelijkenis met het leven die toch evenwel star en levenloos blijft, doet mij onweerstaanbaar denken aan den dood.  Zij zijn zo kil en eenzaam .. De onbewegelijke kleren, die geen ademtocht aan ’t bewegen brengt, roepen in mij gezichten op van opgebaarde doden.
Het stemde mij droef, maar o Liefste mijn, hoe onzeggelijk dichter was ik bij de diepe essenties van het bestaan, bij het geheimzinnig tijdeloze van het Al, met jou in mijn arm, met je zoete mond tegen mijn lippen !
Moet ik het overige nog onder woord brengen?
Schaduw-koele dreven, zacht-aansluipende schemering, de levende lijn van een rilde origine (Brabantse gothiek ..), parelen glimmend om jou hals met den heimelijken tover van Duizend en éen Nacht .. (o lieve Scheherazade!) (1) – hebben wij geen uren beleefd die jaren zoeken en lijden waard zijn? Hebben deze bescheiden vervoeringen, doortogen als zij zijn met een verheven en verheffend gevoel, niet de betekenis van een lofzang aan het Zijn? Stijgt ons wezen niet naar omhoog zoals het gezang van een vogel opstijgt, uit geheel zijn aardse toevalligheid tot haast onaardse vreugde? Wat is het goed te leven, bewust te leven, te leven op de aarde!
Liefste dit zij mijn gebed, mijn dankgebed na deze schone dagen. Ik zoen je op je lachenden mond,
je Nand

P.S. Wat was ik gelukkig dezen morgen naast mijn ouden vriend St. Rombouts te staan .. de plechtige ruimte van de Kathedraal om mij te voelen, den gloed van oud brandglas te weten op mijn aangezicht… (2) Dank, Liefste dat je mij medenam !


(1) “Scheherazade“: is de vertelster van de verhalen uit Duizend-en-een-nacht.

(2) Sint-Romboutskathedraal te Mechelen: