Begijnenstraat Gevangenis Antwerpen

Huidige toestand (Google Streetview):

D E  B E G I J N E N S T R A A T

Een grote poort, een binnenpleintje, en dan weer een poort.  Een sombere gang: grauwe muren en lage ijzeren deuren, de verzuurde reuk van een gaarkeuken – wij waren aangeland.  “Gezicht naar de muur!”  Weer was het wachten, wachten …  Wat werd er in die jaren gewacht!  Wij wachtten, er was tijd genoeg.

Een kort bevel ergens in het schemerduister: wij moesten voor de dokter verschijnen.  Machinaal schuif je aan.  Als ik binnentreed in het kleine vertrek, sta ik plots voor het grijnzend gezicht van een vriend uit de universiteitsjaren (er zaten er overal!), blijkbaar even verbaasd als ikzelf bij die ontmoeting.  Dan naar het bad.  Het bad?  Ja, alle kleren uit voor het onderzoek – en welk een onderzoek!  Alle zakken van alle kledingstukken worden buitenste binnen gedraaid, alle valiezen en pakken grondig omgewoeld. (En wij kwamen uit een concentratiekamp!)  Naakt moet je staan wachten, wachten tot alles doorzocht is.

Daarop ging het naar de cellen.  Ik moest de ijzeren trap op, naar de eerste galerij waar een van de lage deuren werd ontsloten.  Dit was het ogenblik dat ik sedert de dag van mijn aanhouding duchtte.

Stel U voor, een ruimte van twee meter bij vier, een miezerig licht, een weeïg zure geur.   Vier bleke  gezichten  waarop er te  lezen staat dat een vijfde man in de reeds kleine ruimte alles behalve welkom is.  Er is één opengevouwen bed (eigenlijk de tafel), daarop zit een man in onderbroek in een lijvig ouderwets kerkboek te lezen.  Op de vloer liggen de vunzige strozakken al gereed voor de nacht – moet ik op de tegels liggen?  Een van de bewoners die op twee zakken sliep, staat er een aan mij af.  Nu is de hele vloer met strozakken bedekt, – er is nog net plaats in de hoek voor de roestige emmer.

Ik ga zitten op de strozak: achter mij hoor ik de deur met een ruk dichttrekken en ’t knarsen van het slot.  De cel: …  Op de vettige muren zie ik overal bruinrode vlekken – bloedvlekken, waar wandluizen platgedrukt werden.  Te moe om nog veel te spreken, maak ik mij gereed voor de nacht; mijn pak kan als hoofdkussen dienen.  Ik leg mij neer – er is geen plaats om mij behoorlijk uit te strekken.  Dan maar de benen opgetrokken.

“Pantser!”

Ik begrijp wat er gaande is: de wandluizen komen voor hun nachtelijke zwerftocht uit hun schuilhoeken.  Een vlugge slag, een scherpe stank: weer één onschadelijk gemaakt … Ik onderdruk een gevoel van walg en probeer te slapen.  In de halve duisternis moeten de mannen aan mij voorbij naar de emmer; telkens als het deksel opengaat …  Zo zal het zijn vannacht, morgen, voor hoeveel jaar?

Het daglicht komt dan toch.  Licht is veel gezegd: onze cel ligt in de hoek gevormd door twee vleugels van het gebouw, hier wordt het nooit helemaal dag.  Vroeg in de morgen sluipt de scherpe lucht van de gevangenissoep onder de celdeur binnen: het is niet bijzonder verkwikkend, maar die geur kondigt de dag aan.  Een troost.

Elk heeft zijn beurt om celwacht te spelen, dat betekent: ’s ochtends de emmer buiten te zetten als de deur opengemaakt wordt, en de vloer van de cel dweilen.  Dat dweilen is een ingewikkelde corvee: de strozakken dienen voortdurend her en der gesleurd, de vloer heeft geen tijd om te drogen, dan moet de onderste zak het maar bezuren.  Een poetsemmer is er niet – maar wij gebruiken de tinnen waskom.  Het water wordt zwart en vies, maar de schotel wordt omgespoeld, wees gerust, iedereen moet zich daarin wassen.  (Ik had gelukkig al in Sint-Kruis een verlakte waskom laten komen – ik zegende mijn oudjes om hun liefderijke toewijding.)

Op de galerij boven ons hoor ik de holle galm van voetstappen, de mannen van de derde verdieping dalen de ijzeren trappen af voor de wandeling.  Ik klim op een stoel, en tuur naar buiten (“het mag niet, maar als je je niet laat zien …”)  In de nevel zie ik op het driehoekig pleintje een sliert van grauwe gestalten in een lange kronkellijn voortstappen.  Tientallen getraliede vensteropeningen staren op hen neer.  Ik denk aan het schilderij van Vincent van Gogh – ja, de cipiers staan er ook bij, want tijdens de wandeling is het verboden te spreken, je moet ook netjes achter elkaar lopen.

De celgenoten zijn eenvoudige jongens.  Fabriekswachten of zoiets, een SS-man, meen ik is er ook bij; de jongste is uit een tehuis kunnen geraken door dienst te nemen in een formatie.  Hij zingt de hele dag een optimistisch liedje: “Hang er ne pekelhering an!”

De gesprekken in zo’n cel …  Je praat maar over om ’t even wat, om niet te moeten denken; je betuigt belangstelling voor hun geval.  Daar heerst een ruige geest van kameraadschap, je wordt er vanzelf in opgenomen, maar pratend denk je aan wat anders of je het wil of niet:  moet het hier zo verder gaan,  zal ik niet kunnen werken, schrijven, mens zijn?  Thuis in Gistel had ik mij het celregime voorgesteld zoals in 1918; dat was slechts een naïviteit bij al de andere gebleken.

De toekomst is onzeker, niet het verleden; er is een blijvend bezit dat je altijd bijblijft: de herinnering.  Hier, in deze sombere cel ontstaat het gedicht dat ik “Brief aan de zee” geheten heb: chaotisch, bij brokstukken, dienen de verzen zich aan – maar het is een band met die andere wereld, die achter dit boevenbestaan verborgen ligt.  En dan, het betekent een motief waarop je je tijdens de wandeling kunt concentreren.  De wandeling – twintig kostbare minuten beweging tussen hoge gevangenismuren, en het is een genade; ook al worden zij voortdurend vergald door het immer herhaalde “achter elkaar goon!  Zwaaigen!”

Een ander genade is … het bad.  Nu niet voor een vernederend onderzoek, maar een echt stortbad met stromend water, dat alle gevangenisgeuren van je wegspoelt.  Wat een zaligheid dan het verse hemd van thuis te kunnen aantrekken, wit en fris door geliefde en liefderijke handen gevouwen en gestreken.  Dàt ook was een band met een andere wereld, een wereld waar nog menselijke gevoelens bestonden.

Einde november worden wij opgeladen voor het gerechtshof.  Sommige vrienden zijn blij dat zij daarmee uit de cel weg zijn, ikzelf vind de cel nog verkieslijk boven dat onverkwikkelijk vertoon.  In stoet, man voor man aan een gendarme geketend, word je de grote assisenzaal binnengeleid.  Heel dat proces te moeten meemaken – er zijn een dertigtal beschuldigden – het staat mij maar matig aan.  Ook sluit ik onmiddellijk na aankomst mijn ogen en tracht mij op iets anders te concentreren.

Eén bepaalde verslaggever van de pers verkeerde in de waan dat ik sliep, en maakte er in zijn relaas gewag van: “V. maakt het zich behaaglijk voor zijn dutje”.  Het was geen “dutje”, veeleer een poging om door een weloverwogen yoga-oefening zoveel kostbare tijd niet te laten verloren gaan.

Na ettelijke tochtjes heen en terug in de dievenkar, kwam ook mijn geval aan de beurt.  De ondervraging door de voorzitter.  Ik moet bekennen dat hij daarbij een ander toon aansloeg dan het achtbaar orgaan van de wet tijdens het onderzoek.  Ik meen zelfs dat ik hem hoorde zeggen: “voor een man als U” …  Hij stelde ook vragen in verband met omstandigheden die enigszins ter ontlasting konden gelden: over het weigeren van steekpenningen, over het bedrag van mijn maandloon, over mijn ontslag bij de Zender Brussel in 1943.  Hij scheen, heb ik, later vernomen, iets van mij gelezen te hebben dat hem getroffen had.

In zijn requisitoir maakte de auditeur gewag van “een groot aantal artikelen in Volk en Staat”.  “Onze adelbrieven” een belijdenis van Vlaamse trots, werd mij nogal zwaar aangerekend.  Dat ik de mening had geopperd, dat de Russen de Poolse officieren in Katyn hadden omgebracht, eveneens.  Na de opsporingen van de Amerikaanse commissie ad hoc tijdens de koude oorlog is zulks nu een onomstootbare waarheid gebleken.  Toen schreven wij 1946.  Hij vroeg de doodstraf.

Het was niet alles.  De advocaat van de staat die zich hier als burgerlijke partij had aangesteld, was ettelijke miljoenen schadevergoeding komen eisen, door ons allen solidair te betalen.  De achtbare confrater had zich nogal tactvol over mij uitgelaten als “de nar van de bende”.  Maar toen hij in de loop van zijn spiritueel pleidooi beweerde dat ik in een van mijn boeken  een opdracht  geschreven had voor een lied van de Sicherheitsdienst, sprong ik met manende wijsvinger op, en wees hem terecht – hierin door mijn raadsman bijgevallen.  Ik was volkomen zeker van mijn stuk daar de bewuste persoon alles behalve een vriend van mij was, ik had trouwens het boek in mijn dossier gevonden, en de opdracht met de handtekening gezien.  Het geschrift leek niet eens op het mijne.

Het woord was nu aan de verdediging.  Als raadsman had ik een vriend uit Leuven aangesproken.  Ik dacht: hij kent mij goed – en wat ook van belang was: hij zal mij het hemd van het lijf niet stropen.  Wat dit laatste betreft had ik mij zekere illusies gemaakt, zoals later zal blijken, maar het was niet de eerste keer in mijn leven dat mijn vertrouwen in de mens werd beschaamd.  Hoe dit zij, het pleidooi sloeg in: het klonk af en toe als een improvisatie, maar dat gaf aan het geheel een klank van oprechtheid, daardoor leek het geval ook niet zo bijzonder belangrijk.  Om die reden had ik bij voorbeeld ook geen getuigen gedagvaard.  De stukken ter ontlasting maakten indruk, vooral de woedende brief van de Duitse directeur van de Zender Brussel, die, merkwaardigerwijze ook was bewaard.  Van mijn kant had ik al bijeengegaard wat ik kon: de stroken van de postwissel waarop ik de … had teruggestort werden voorgelegd; en dat ik tijdens de mobilisatie loyaal geweest was, bewees een exemplaar van het bataljonsblad waarin mijn vers Haardstede stond afgedrukt.  De advocaat eiste voor de dichter een zekere vrijheid van spreken op, en las een vers voor van Claudel  waarin deze in tempore suspecto Frankrijk vergeleek met een barak – één van de veertig onsterfelijken!  De indruk was goed.

Maar het proces ging voort – twee volle maanden zou het duren.  Altijd weer hetzelfde vertoon: naar ’t gerecht met de dievenkar binnengeleid worden als misda-digers, elk aan een gendarme geketend.  Requisitoir, pleidooien, de zielige stoet der getuigen …  altijd hetzelfde scenario, een stortvloed van woorden waaraan geen einde kwam.  Een paar getuigenissen verbraken de eentonige sleur van dit massa-proces.  Een hoogtepunt was zeker de verklaring van Meester Hendrik Borginon: met rake opmerkingen en scherpzinnige replieken wist hij het peil van deze lome debatten tot de hoogte van een schitterend steekspel-met-het-woord op te heffen. “Jaja,” liet de voorzitter zich ontvallen, “Meester Borginon vergeet zijn vrienden niet!”  De getuige maakte een plechtig gebaar met de rechterhand: “Ik denk aan mijn eed, Mijnheer de Voorzitter!”  Wij bekeken elkander, dat was prachtig gezegd, het deed goed zoiets te horen.

Een geheel ander incident was de verrassende mededeling van de leider van het V.N.V.: dat hij weigerde wat ook te zeggen.  Het wekte grote beroering: dit was een strafbaar feit, en het werd maar dadelijk door de krijgsraad in behandeling genomen.  Het vonnis viel dan ook onmiddellijk; maar al deze drukte deed onder de omstandigheden eerder komisch aan.  Erger was: dat wij het getuigenis van de leider moesten ontberen.  Hij had de hele zaak in een heel wat gunstiger daglicht kunnen stellen, het lot van zoveel medestanders kunnen verzachten – een paar woorden over de door hem gevolgde politiek had de atmosfeer kunnen zuiveren die woog op het proces en op elk van ons.  Hij verkoos te zwijgen.  Dan moesten wij maar onszelf zien te redden.

Afgezien van de bestraffing, was één van de meewarigste belevenissen in die twee maanden hardhandig strafgerecht dat smartelijk ogenblik op de vooravond van Kerstmis, toen wij in ’t donker van de dievenkar door de helverlichte straten van de Scheldestad  naar de  gevangenis werden teruggebracht.  Door een spleet in de deur kregen wij een glimp van feestelijke vitrines, van mensen die rustig aan ’t winkelen waren.  Ik stelde mij de kerstboom voor, de lichtjes, de geschenken, netjes ingepakt, heel de innige stemming van het liefdefeest …  Het was hard in het koude, troosteloze gebouw terug te keren, de zware sloten te horen knarsen, en te denken aan de onzen thuis.

Alvorens krijgsraad zich voor het vonnis terugtrok, werd ons allen de gelegenheid gegeven een laatste woord te spreken.  Iedereen reageert volgens eigen inzichten en naar de maat waarin hij verzachtende omstandigheden mocht verwachten.  Dat was ieders recht.  Het kwam erop aan de sociale plaag die de repressie wàs zo spoedig mogelijk uit de wereld te helpen.  Er waren er die schreiden, anderen schudden stom het hoofd, anderen weer stamelden hun spijt.  Ik stond terecht met mijn gedichten, zij spraken voor mij: ik moest daaraan niets toevoegen, ik nam daarvan ook niets terug.  Alleen wou ik een paar omstandigheden naar voren halen, waarop, naar mijn mening, geen nadruk genoeg was gelegd.

En ik achtte mij ertoe gerechtigd vrijuit te spreken.  Eén van de redacteurs had zich te mijnen opzichte erg aan de solidariteit vergrepen.  “Zijn” getuige was komen verklaren dat hij een werk van mij afwijzend had beoordeeld, wat hem ten goede moest gehouden worden.  Na een dergelijke veeg uit de pan, meende ik ook te mogen zeggen wat mij op het harte lag, zonder daarom iemand iets ten laste te leggen, dat spreekt vanzelf.

Zo wees ik erop dat ik voor Volk en Staat niet meer dan twee artikels per maand had geschreven, terwijl voor sommige redacteurs het tempo twee per dàg haalde: ik had, wat meer is,  gedurende twee jaar aan het blad niet medegewerkt.   Dat “groot aantal artikelen” was dus met een korreltje zout te verstaan.  Ik schreef in principe in de kunstrubriek, wat onder meer bewezen werd door de bijdrage waarin ik de lof zong van de (joodse) bijbel, zoals ik hierboven reeds heb verteld.

Tegenover de beschuldiging dat men in het Belgisch leger aan sabotage gedaan had, stelde ik er prijs op te verklaren dat ik daarvan niets had gemerkt, dat ik loyaal mijn dienst had gedaan, en zelfs gevraagd had om naar het Albertkanaal overgebracht te worden, om op die wijze in het officierenkader te kunnen geraken.  En zulks “in tempo non suspecto”.

Bij de omstandigheid van mijn ontslag, voegde ik nog mijn weigering om met de aftrekkende troepen te vluchten.  Ik had mij van de Duitsers gedesolidariseerd, en vertrouwde op de mogelijkheid van een objectieve rechtvaardiging.

Wat nu de gedragslijn van het V.N.V. tijdens de oorlog betreft, ik meende hier in aller belang te moeten onderstrepen dat het naar een positieve houding tegenover de staat was geëvolueerd.  Ik kon op dat ogenblik geen teksten voorleggen, maar de verklaringen van Mr. Elias voor het krijgshof lieten in dat verbond niet de minste twijfel over.  “Ik heb gestreden,” zo getuigde hij, “voor het behoud van mijn volk en de Belgische staat in de ordening van het nieuwe Europa dat ik verwachtte, omdat ik in deze staat in de gegeven omstandigheden de waarborg zal van ons eigen wezen, als Vlamingen en als Nederlanders.”

Laat ik er ten slotte nog dit aan toevoegen, dat ik al maandenlang, om niet te zeggen van de aanvang af tegen dat ogenblik had opgezien.  Als ik zeg dat het mij een geduchte  overwinning  op mezelf  heeft  gekost  om  op  die  wijze  voor  mijn deur te vegen, dan is dat geen overdrijving.  Zoiets lag niet in mijn aard.  Van nature ben ik eerder karig met woorden, en ik leef bij voorkeur in mezelf ingekeerd.  Nu stond ik hier mijn eigen zaak te bepleiten, mijn persoon op de voorgrond te stellen, en dat kon licht uitgelegd worden als een blijk van zelfingenomenheid en eigendunk.  En toch zocht ik het voetlicht niet, normaal kom ik eerder langzaam uit mijn schelp, maar nu hing er een zwaard boven mijn hoofd, en dat had voorzeker een bepaalde weerslag op mijn welsprekendheid.

Nu, alles was gezegd – allen wachtten gespannen op de uitspraak.

Ik was intussen naar een andere cel overgebracht.  Een vriend-advocaat was toevallig op mij gebotst toen ik eens “met het gezicht tegen de muur” bij het centrum te … wachten stond.  Daar er een plaats in zijn cel open was (zij waren slechts met hun tweeën) vroeg hij of ik wilde verhuizen.  Het aanbod was niet onwelkom.  Ik had reeds een poging ondernomen om naar een cel overgeplaatst te worden waar ik mensen van mijn levenskring zou vinden, en meteen wat beter licht om te schrijven.  Ik had in die zin een aanvraag tot de directeur gericht.  Nogal onthutst kreeg ik enkele dagen het briefje terug: de directeur had er een zinnetje bij geschreven: “vleugeloverste, tracht dat te regelen”.  De vleugeloverste had “getracht”, hij had de aanbeveling naar de letter uitgevoerd.  Zo verging het met aanvragen en verzoeken: alles bleef zoals het was – ik moest de gevangenis nog leren kennen.

Ik greep dus de gelegenheid gretig aan, en aangezien hij goed stond met de aalmoezenier, was de verhuizing spoedig een voldongen feit.  Het was een “propere” cel, er waren namelijk geen wandluizen, en dat was heel wat.  ’s Morgens scheen er de zon binnen,  en vervulde de cel  met een zalig licht,  na de halve duisternis van nr. 61, was het geen kleine opluchting.  Het was er soms koud – het was de noordkant, en verwarming was er niet; wij zaten er vaak met de mantel aan, en zelfs met de hoed op, zoals buiten op straat.  Maar naarmate het betere jaargetijde naderde, kwam hier ook iets van de lente binnen: het was namelijk op de benedenverdieping, en op het pleintje waar wij wandelden stonden er waarachtig bloemen.  Ik kwam hier als in een ander bestaan.  De vreugde werd echter ietwat getemperd toen ik vernam dat ik thans in de vleugel van de ter dood veroordeelden zat; en het toeval wou dat ik nu zelf met het vooruitzicht op een doodstraf thuis gekomen was.

Ik zat altijd maar aan mijn oudjes te denken – hoe zou hen dat schokken.  Later heb ik vernomen hoe mijn vader het bericht las in de Volksgazet: hij moest bij vrienden binnenlopen om van de schok te bekomen; eerst dan dorst hij naar huis terugkeren, waar moeder op berichten wachtte.

Ikzelf had de indruk dat het geval bewust opgeschroefd was.  Als ik tegen de paal moest, wat zou men dan aanvangen met hen die, laten wij zeggen, hadden gemoord?  Het werd door meer gezaghebbende figuren erkend dat er in de strafmaat een schromelijke ongelijkheid te bespeuren was.  De een kwam er tot de algemene verbazing met vijf jaar af, de andere bedachten ze met twintig jaar of meer, voor feiten die met het gemene rechts niets uit te staan hadden, waarmee niet eens z.g. verklikkingen waren gemoeid.  Deze ongelijkheid was in de grond nog een zeker houvast: er was een kans dat de krijgsraad de auditeur niet zou volgen.

Ik heb wel eens gevangenen erop horen pochten dat zij een auditeur hadden “omgekocht”.  Ik bleef tamelijk sceptisch bij het vernemen van dergelijke berichten.

Toch is ons later het zeldzaam schouwspel te beurt gevallen een auditeur die zich werkelijk de handen had laten volstoppen, onder de “boeven” te zien opstappen, d.w.z. de gestraften van het gemene recht.

Het is een feit, wie over geld, veel geld beschikte, kon veel bereiken wat ons, gewone stervelingen, de kleine man, ontzegd bleef.  Voordelen allerhande, maar ook nog meer.  Wij kregen eens geheel onverwacht een economische collaborateur in de cel binnen gegooid; dat betekende een vierde man, en dat was niet bijzonder prettig, maar wij werden daardoor een ervaring rijker.  Hij moest letterlijk met geld, met kolen, met fijne sigaren verliezend onderweg, nou, je begrijpt hoè …  Hij kreeg ook wel eens een stevige fles binnen gesmokkeld, hoe weet ik niet – maar ik heb wel een paar stukken van het dossier uit het Duits voor hem vertaald.  Daarin las ik tekstueel: “Wir sind bereit im weitesten Sinne des Wortes mit zu arbeiten …”  Hij werkte door zijn levering rechtstreeks aan de oorlogvoering mee.  Hij is vrij uitgegaan.

Het gebeurde tijdens de wandeling dat een bekend figuur onder de lotgenoten meer te zien was.  De eerste keer dat ik zulks bemerkte, en naar hem vroeg, werd mij kort geantwoorde: hij is gefusilleerd.  Er ging een akelige beklemming van dat woord uit.  Als ik later opnieuw een afwezigheid gewaar werd, heb ik niets meer gevraagd: daarover werd best gezwegen.

Het was begrijpelijk: de straf was op zichzelf al afschuwwekkend genoeg.  Wat als een misdaad wordt geschandvlekt als het een individuele daad geldt – een moord- wordt hier door de overheid als ……………

Maar daar was ook de uitvoering.  Het optreden van het executiepeloton werd door een bepaald publiek als een openbare vermakelijkheid opgevat.  Men ging erheen per autobus, en het gezicht van de ter dood veroordeelde en zijn laatste stuiptrek-kingen als hij bloederig neerzakt, lokte allerlei luidruchtige reacties uit.  Een aalmoe-zenier, een jezuïet, en naar het scheen zèlf een verzetsman, die de biecht van een der gefusilleerden had gehoord, en hem aan de paal had bijgestaan, schreef tegen dit vertoon een ophefmakend artikel, waarvoor de opgeslotenen en hun familie hem zegenden.  Dàt was humane, ja, christelijke taal.

De Spaanse schilder Goya was ooit eens getuige van een fusillade.  Het brutale geval had hem zodanig aangegrepen, dat hij het in een bekend gebleven schilderij moest uitbeelden.  Deze van menselijke rechtsbedeling steekt inderdaad nogal schril af tegen de goddelijke gerechtigheid, die zelfs de goede moordenaar een plaats gunt in het hiernamaals.

Ik heb een tijdlang in dezelfde cel gezeten als een jonge kerel die ter dood veroor-deeld was.  Alle middelen van verhaal waren uitgeput: hij kon elke dag gefusilleerd worden.  De ontzettende morele marteling waaraan die jongen ten prooi was deed soms mijn hart ineenkrimpen.  Ik had hem willen troosten, opbeuren – wat kon ik doen?  Hij zat daar soms te zuchten, plots ging er een huivering door heel zijn gestel: hij rilde als had hij koorts.  Ik trachtte hem te overreden, af te leiden, zette hem aan wat te eten, te hopen.  Wat waren woorden?

Een bewaarder heeft mij eens in een ogenblik van vertrouwelijkheid medegedeeld dat hij een nacht bij een gevangene heeft moeten waken die bij dageraad zou gefusilleerd  worden.  Met  een  paar  familielieden,  zijn moeder was erbij,  zat hij het fatale uur in de morgenschemering af te wachten.  De bewaarder bekende dat hij haast zo erg leed als de veroordeelde zelf, en dat hij nooit meer iets dergelijks zou willen meemaken.  Sedert dat gesprek heb ik de man met ander ogen bezien.

Is het te verwonderen dat de dichter, wie de doodstraf boven het hoofd hangt, ook wel eens door het spookbeeld van de paal wordt geobsedeerd?   Dat die donkere ogenblikken een vers als de Dom van Sebastiaan hebben ingegeven, kan ik, op die tijd terugblikkend best begrijpen.  Literatuur? …  Neen, de man die dat schreef, geloof mij, heeft in zijn gedachte niet ééns, maar steeds weer aan die paal gehangen, en de “pijlen” zijn vlees voelen doorboren.  En dat waarom?  Omdat hij gemeend had dat hij in het uur van de nood, in het uur van het gevaar, zijn volk niet aan zijn lot mocht overlaten.

Hij begreep als geen de nood van hen allen die hier, in deze overbevolkte cellen met hun vieren en vijven opgepropt, bij de mensen geen uitkomst meer zagen tenzij een gewelddadige dood.  Hij verkeerde nu zelf in hun toestand  Was het dan verwon-derlijk dat hij zich richtte tot degene die zijn rouwmoedige gezel aan het kruis zijn genade niet weigerde?   De woorden kwamen niet onmiddellijk, maar het gedicht was klaar: hij wist hoe het zou luiden, het ritme was vanzelf gaan zingen, hij heeft het lang onuitgesproken in zich omgedragen.  Het was één kreet om erbarming die dan vlak voor de behandeling van de zaak in beroep, als alles zou worden beslist, smartelijk tot woord geworden, uit de diepte van het onzegbare opwelde.  Het werd geen gedicht, zo had hij het altijd aangevoeld, het zou een hymne worden, een zang met wijding doortogen, een gebed.  En hij bad.

“Erbarming, Heer, met hen die bloedig sterven,
Verstard en wreed in een te vroege dood …”

Het veertiendaags bezoek met het vooruitzicht op een doodstraf was geen verkwikkelijk halfuur.  Te meer omdat mijn oude vader het onmogelijke deed om mij  gerust te stelen.  Nu was dat eigenlijk niet zo nodig, er was immers nog geen uitspraak gevallen, en ik geloofde niet dat de krijgsraad op de eis van de auditeur zou ingaan.  Er waren geen “verklikkingen”,; ik had met de Duitsers last gehad; k had mij in 1943 teruggetrokken: dat waren feiten.  Ik hield hem het woord van Kant voor ogen: “als de gerechtigheid verdwijnt, dan is er niets meer dat aan het leven der mensen waarde verlenen kan”.  Dat was een mooie spreuk, zij veranderde niet veel aan de werkelijkheid, maar ze hielp leven.  Ten slotte konden beiden ietwat opgekikkerd scheiden.  Dit dient erbij gevoegd: het bezoek in de Begijnenstraat had niet het benepene van Hemiksem.  Je stond in een tamelijke ruime kooi van glas, achter het glas, stond ook de bezoeker, en de klank van behoorlijk.

Meer dan eens heb ik op bezoekdagen hier en daar zo’n ruimte met mensen en mensjes gevuld gezien, moeders, jongens en meisjes, een tros gretige gezichten, opkijkend naar vader in zijn glazen kooi.

Niet alle gevangenen kregen een dergelijk bezoek.  Eens ging ik terug naar de cel met een lotgenoot, die er danig troosteloos uitzag.  Zijn gezicht was grauw, de mond was één meewarige grijns.  Ik vroeg hem of hij geen goed bezoek gehad had – slecht nieuws?  Hij bezag mij niet.  “Mijn vrouw”, zei hij kort, “is mij komen bezoeken.  Ze had een bontmantel aan …”  Ik begreep waar hij heen wilde, en liet het gesprek vallen.  Een van de vele tragedies waarmee de opgeslotenen af te rekenen hadden, was de nood van de alleenstaande vrouw, die vaak voor onoplosbare problemen stond.  De meesten bleven trouw door dik en dun, maar het gebeurde ook dat de echtgenote, die bemerkte dat het jaren duren zou eer de broodwinner weer thuis was, doodgewoon haar gang ging, of erger nog, hem aan zijn lot overliet.  Veel kinderen van z.g. incivieken zijn aldus verkeerd gelopen.

Na een drietal weken met het zwaard van Damocles boven mijn hoofd, werden wij opnieuw in de dievenkar opgeladen voor de uitspraak.  Rechtstaande moesten wij het lang aanhoren – de toon was zeer streng.  In een breedvoerige inleiding werd beklemtoond dat hier in naam van het humanisme werd rechtgedaan, tegen mensen die zich aan de humanistische traditie van het Westen hadden vergrepen.  Dan volgden de straffen: verscheidene doodstraffen, verder tientallen jaren gevangenis, kwistig uitgedeeld – als een lawine stortte de noodlottige vloed van straffen door de doodse stilte  van de  grote  assisenzaal.  Voor een reeks  medewerkers werden verzachtende omstandigheden aangenomen.  Een sportredacteur had veel mensen geholpen, de redactiesecretaris had dienst genomen in een ontmijningsbataljon, enz.  In mijn geval had de krijgsraad tot verzachtende omstandigheden besloten “wegens zijn opstand tegen de verknechting van ons volk aan het nazi-imperialisme”.  Ik kreeg twaalf jaar.  Bij het horen van het cijfer had ik een gevoel van onuitspreekbare opluch-ting: ik moest diep ademen en mezelf met alle macht in bedwang houden.  De sportredacteur aan mijn zijde gaf een ruk van sympathie aan mijn mouw, maar ik kon niet naar hem omkijken: ik was precies in glas veranderd, dat bij de minste beweging zou breken.

Bij het naar huis gaan (thuis bij manier van spreken) waren de gevoelens zeer “gemengd”.  Bepaalde jongens waren te zwaar getroffen, dat leed geen twijfel.  Ik, met mijn twaalf jaar, voelde mij wat onwennig – ik wist wat het was het was met de doodstraf te zitten en het vooruitzicht op het executiepeloton, de paal en de grinnikende menigte.  Ik woonde nu al een tijd in die “straat”.  Eén van de zwaar getroffenen wreef mij, nauwelijks verbloemd de ongelijkheid van de strafmaat aan – alsof ik zelf het vonnis had geveld!  Er was altijd een uitkomst: het krijgshof, wij hoorden inderdaad dat de auditeur in hoger beroep zou gaan, de hele zaak zou dus opnieuw te gronde worden behandeld.  Was ik te licht gestraft, dan zou de straf weer verzwaard worden, de mensen die zich te zwaar gestraft achtten, kregen in beroep nog een kans.  Maar eer de zaak in hoger beroep zou voorkomen zou het nog twee lange jaren duren, twee zomers en twee grauwe winters in de overbevolkte cellen van dat doods gebouw.

De straf was een opluchting, maar er volgde nog een epiloog.   Ik had een vriend uit Leuven als raadsman aangesproken.  Waarom?  Ik meende dat het een voordeel was, veroordeeld te worden door iemand die mij ook als studentenleider gekend had, een bijkomende reden was het vertrouwen dat mij geen aderlating zou betekenen.  Ik wachtte dus op de rekening.  Maar hij sprak mij helemaal niet van een ereloon, en dat begon ik vreemd te vinden.  Ter gelegenheid van een bezoek raakte ik het geval aan: toen vernam ik een nieuwsje dat mij trof als een slag in mijn gezicht.  Mijn raadsman was al betaald … Betaald?  Hoeveel?  “25.000 fr.  Wij hebben wat geld moeten lenen, maar nu is toch alles afbetaald.”  Ik, zie nog altijd het doorgroefd gezicht van mijn vader, dat plots asgrauw geworden was; ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel, en kon geen woord meer uitbrengen.

Twintig jaar geleden was dat een groot bedrag; vooral voor mensen die dan toch al getroffen waren.  Ik was trouwens zelf een ingeschreven advocaat, en in dergelijke gevallen, houdt de raadsman daarmee rekening.  Een lotgenoot, een ingeschreven advocaat zoals ik, heeft aan zijn verdediger, nooit één cent moeten betalen.  Het eigenaardige van het geval was, dat de rekening niet naar mij was gestuurd.

Hoe dan ook, als er ooit over de repressie in een geschiedkundige perspectief wordt geschreven, dan zal de historicus een hartig kapittel kunnen wijden aan het optreden van de advocaten voor wie deze jaren van menselijke nood een flinke bron van inkomsten hebben betekend.  Er waren lofwaardige uitzonderingen, maar niet weinigen wisten flink toe te tasten.

Het was een onderwerp te meer om tijdens de lange uren van achter slot en grondel uit te diepen.

In die jaren, wachtend op de eindbeslissing die niemand kon voorspellen, heb ik de betekenis van Nietzsches woord aan den lijve ondervonden: “Schaffen das ist die grosse Erlösing vom Leiden, und des Lebens leichtwerden”.  Ik heb in die benauwde cellen als een bezetene gewerkt.  Het hielp mij over alles heen: lichamelijke ongemakken waarover je liefst niet schrijft, wrijvingen in de cel (wij zijn allen mensen – alleen het voortdurend tegen elkander stoten in die beperkte ruimte is een zware proef voor de zenuwen), vlagen van moedeloosheid, pijn om het lijden van de familie daarbuiten, de eindeloze nachten met niets tussen U en de stenen vloer dan een klammige strozak …  Verzwakt als ik was, kon ik de inspanning van het schrijven soms niet meer dragen – tussendoor schilderde ik met waterverf om het even wat, ik maakt “verluchting” bij de gedichten die ik schreef, een spel met kleurtjes, een afleiding ten slotte.  En dan waren er de ontwerpen voor drama’s allerhande die zich in versneld tempo aandienden, “Ouders van Rubens”, “Columbus geboeid”, “Achnaton” en nog andere die bij een ontwerp en een droom gebleven zijn.  Alleen “Ouders van Rubens” werd enigermate voltooid, en (later) tot een filmscenario uitgebouwd.

In cel 231, de wijk van de ter dood veroordeelden, heb ik het episch gedicht “De Klokhofstee”, waarvan nog maar een paar paneeltjes gereed gekomen waren, tot een geheel van een twintigtal zangen uitgewerkt.  Het gegeven voerde mij terug naar Het Schorre, de open vlakte bij Gistel, waar ik op het einde van de oorlog nog enkele maanden van ingekeerdheid gekend heb, en waar mijn ouders nog leefden.  Ik bracht er jeugdherinneringen te pas – het kapelletje bij voorbeeld waar wij in bedevaart  heentogen om te  bidden voor allen  die bestendig hun leven waagden op zee – een paar ooms van mij liggen trouwens in zee begraven.  De jonge held is een matroos op het schoolschip – zoals mijn vader in zijn jeugd ooit was geweest, en het meisje Aleidis, woonde op  een klokhofstee – ik had namelijk thuis vaak gehoord dat mijn moeders moeder op een dergelijke hoeve ergens bij Zandvoorde verwanten had.  Zo drongen zich onweerstaanbaar allerlei beelden uit mijn vroeger bestaan aan mij op, het hele verhaal wortelde in dat stukje polderland rondom Oostende, de zee-haven waar ik geboren was.  Instinctmatig klampte ik mij vast aan wat mijn wezenlijk bestaan was, tegenover een ongewisse toekomst was het een doeltreffend zelfverweer.

Het gedicht is nog altijd onuitgegeven – een uitgever zou ik er wel niet voor vinden.  Epiek is niet meer van onze tijd hoorde ik eens een radio-criticus zeggen (hoewel de blinde Homeros het nog altijd doet!).

Twintig jaar later kijk ik op die tijd als een belangstellend toeschouwer terug – als toeschouwer, en toch niet zonder opnieuw door het doorleefde leed aangegrepen te worden.  Mensen die nooit het binnenste van een gevangenis hebben gezien, en klaarblijkelijk van het scheppingsproces weinig of geen benul hebben, hebben mij er een verwijt van gemaakt dat ik “niet in striemende strofen al dat onrecht” heb aange-klaagd.  Alsof een dichter schrijft wat hij zou willen schrijven!  Zoveel van wat hij wou schrijven, blijft ongeschreven; zoveel dringt zich aan hem op, dat hij vaak in pijn en duisternis schrijven moèt.

Zo heb ik dan opgetekend wat zich in woorden aan mij opdrong – ik kon niet anders.  En dat alles herlezend, ontdek ik in die poëzie iets meer dan een protest op het nationaal  vlak: er  wordt  hier  over ervaringen gesproken die zich tot om ’t even welk mens richten, en zelfs, zo lijkt het mij, tot het wereldgeweten.

Daar schier alle gedichten gedagtekend werden, verschijnen zij nu als een curve, die de psychische spanningen aangeeft van een mens in de greep van een nooit aflatend lijden.  Nu eerst geef ik er mij rekenschap van wat daarvan af te lezen valt.  Na de eerste kennismaking met de cel (in de slechtst mogelijke omstandigheden, dat mag worden gezegd) komt, in een andere omgeving, en na de uitgesproken straf, het woord ongehinderd los.  Het is geen dagboek, feiten worden niet aangestipt, tenzij hier en daar in de vorm van een randbemerking “bezoekdag” of wat ook; wel zijn het spontaan opgewelde en in morele pijn neergeschreven reacties.

In cel 231 – in de wijk van ter dood veroordeelden – begint het met een paar macabere visioenen, kennelijk ontladingen van onderbewuste angst.  Het eerste, van de half maart 1946 is “Joa da Nova” waarin een bootsman de maats een beeld ophangt van het eiland der verdoemden, waar de zielen der gekwelde doden voort-dolen in de tijd; het andere “Scheepspraat aan wal”, het demonisch verhaal over de gestorven matroos, in zee begraven, die geen rust vond omdat men hem van zijn laarzen had beroofd eer hij overboord ging.

Humor, zwàrte humor, maar ze bevrijdt.  De obsessie van de dood in “Joa da Nova” als een angstdroom beleefd, is in “Scheepspraat” zoveel als overwonnen.  Een veertiental dagen later is de demonie van de obsessie tot berusting bezonken.  De winter is “vergangen”, het is mei – tijdens de wandeling word je het zoete jaargetijde gewaar, in de cel is er meer licht: de opgeslotene herademt, en in de maand der bloesems bloeit  ooit nieuwe hoop.  In “Diepzee”  worden de donkere zeestromingen opgeroepen waar nooit licht doordringt.  Daar heerst eeuwige nacht.  Maar door het ondoorgrondelijke duister flitsen als op een schilderij van Jeroen Bosch de vreemdste wezens door elkander, schietende sterren van rood en blauw, en op de ongeziene zeebodem zelf straalt de zeldzame Isis, een schitterend onderzee vuurwerk van kleurige schichten …  Vreemd mysterie van die verborgen gronden: hoe donkerder het diep, hoe heerlijker ook het onderzeese leven.  Zo ligt ook de onthechte vreugde in de uitzichtloze smart verborgen.

Eerst door het lijden, en soms in de dood, wordt de lotsbestemming van de mens vervuld.  De strijder, die sneeft in het gevecht, bereikt de volheid van de levensver-vulling in dienst van de gerechtigheid.  De titel van het vers “Hidalgo” werd eerst bij het bundelen gegeven, en hoeft niet bepaald in dàt historisch perspectief gezien.

Einde mei is de onthechting al in zo’n mate werkelijkheid geworden, dat er van een “Loutering” sprake is, een loutering die niet alleen een statische verworvenheid behelst, maar tot een lied uitgroeit: “Dieper verblijden Dan schoon verdriet Zingend te belijden Is er niet”.

En dat lied baant de weg voor de humor – nu niet meer een macaber gegrinnik, maar een open lach waarin wel spot doorklinkt, maar geen boosheid.  “De Bucentaur” is een ballade waarin ook het breed orgelend vers de pracht en praal poogt op te roepen van de plechtige verloving van Venetië met de zee.  Het is een schitterend feest, maar de inrichters hebben buiten de waard gerekend, die waard is hier … de zee.  Op het ogenblik zelf dat de Doge de gouden ring in het water werpt, breekt de bui die al een tijdlang  aan de hemel dreigde,  en jaagt het  plechtstatig gezelschap in ontstelde verwarring naar het Groot Kanaal terug.  Goedlachse humor, niet eens karikatuur, maar een schalks spel der verbeelding – een goedige glimlach van leed-vermaak om het ijdel en grootsprakerig gedoe der mensen.

Tot einde augustus loopt de leidgedachte door “Dodenschip”, “Moederogen”, om een orgelpunt te bereiken in het Mozartiaans bedoende “Menuet”.

Dan treedt er een stilte in.  De laatste zomermaand verbloeit en het wordt herfst: de luchten wegen zwaar, de dagen worden korter – en met de herfst komen de donkere gedachten.

In de cel wordt de enge ruimte nog enger: de vier muren lijken wel de wanden van een graf waarin de opgeslotene de doem ondergaat van het stervende jaar.  Ja, de cel is een graf, en hij, een levende dode.  Verbeten vecht hij tegen de machten van de ondergang, buiten hem, binnen hem, die het op zijn ziek gemunt hebben: het is de sombere noodkreet van “Wade”.

Is dàt het laatste woord: hier jaar na jaar te moeten … verrotten?  Die en die van zijn lotgenoten zijn al naar een werkelijk graf overgebracht, en de gevangene die achter-blijft, vraagt zich af: zal hij het halen?  Hij voelt hoe langzaam maar zeker het cel-leven aan zijn krachten vreet; de opsluiting spant de getergde zenuwen tot het uiter-ste, de gevangeniskost doet het binnenste verstenen, het lichaam zwelt onnatuurlijk op: hoe zal het eindigen?

Een typisch toneeltje duikt uit de herinnering op.  Mijn ouders hebben de gevangenis- dokter geschreven: of hij mij niet een dieetpak kon toekennen, wat dringend nodige fruit, bij voorbeeld?   Hij is gekomen,  aan de deur van de cel.   In het schemerduister van de gang heeft hij mij even met een sceptisch lachje bekeken, hij heeft mij de pols genomen, en mij dan met hetzelfde sceptische glimlachje weer in de cel gelaten.  De deur knarste achter mij dicht – het onderzoek was afgelopen.  Afgewezen.

“Wade” is een uiterste; maar het diepste gemoed zakt als vanzelf naar een even-wichtstoestand.  De angst en de eenzaamheid klinken na in “Allerzielen” – het ont-stond ook tijdens de middagwandeling op Allerzielen zelf, toen het schril geluid van doodsklokken ons, stom voortstappende gevangenen, begeleidde.  Maar in “De laatste blom” is de angst overwonnen.


Opmerking: Zoals reeds gezegd: hier houden de memoires op, net wanneer Nand schrijft: “Maar in ‘De laatste blom’ is de angst overwonnen”:

“Hier ‘memoires’ afgebroken. Het ‘ging niet meer’ – ‘angst’ keerde terug!”.

Hij zou nooit meer zijn memoires afmaken…