Dinsdag 17 oktober Nand 25ste brief

Gistel den 17.10.50

Liefste,
Stilte rondom mij .. De vulhaard was uitgegaan, het is hier koud. Het duurt weer een paar dagen eer ik mij in deze nochtans zó vertrouwde omgeving op mijn plaats gevoel – zo werd ik door schoon beleven eruit gerukt. En – zeldzame en kwellende verrassing! – op dit ogenblik is er een heldere en hartstochtelijke sopraan in London, die mij Grieg’s “Ich liebe dich” doet horen (1). Ik luister en mijn herinnering zingt mee: ich liebe dich, ich liebe dich .. Liefste mijn laat mij je altijd vuriger, altijd dieper, altijd schoner liefhebben. Ik weet dat ik het kan: maak jij dat het zo worde, dring in mij door: jij hebt alle sleutels in handen. Open de meest verborgen kamers, de heimelijkste gangen waar nog de stilte heerst van voortijdelijke en onbetreden grotten, ontsluit er de luiken: daar zijn brandvensters, hunkerend naar licht, die zullen gloeien met den hartstocht van het avondrood, voor jou en jou alleen .. En uit de stilten zullen stemmen opgaan die haken om te zingen, de schoonste zangen die de aarde ooit hoorde, voor jou en voor jou alleen. Daar zijn vreugden die ik nog moet uitspreken, hunkeringen die als vormeloze materie in mij te wachten liggen. Eén woord, één gebaar, één oogopslag kan deze sluimerende krachten opwekken tot verheerlijkt leven voor allen tijd. Jij kúnt dat – ofwel, wat God verhoede, ze voor immer doen zwijgen, want jou heb ik lief met een gave, volkomen liefde. Reeds heb je veel donkerte in mij tot licht gemaakt. Ik dank je om al wat je mij gedurende dit week-end hebt gegeven en dat nu in mij als levend bezit blijft nazinderen .. In Brugge liep ik verleden week rond, met het heimwee naar onze eerste ontmoeting – broze, innige uren met geluk doortogen. Ik was ontgoocheld, vertwijfelde: er hoeft niet veel om het doorzichtige porselein van het geluk tot scherven te slaan .. Ten slotte heb ik mezelf overtuigd dat je in een ogenblik van radeloosheid had gehandeld, en zeker niet de bedoeling had één wig te drijven in onze liefde – wat ons noodzakelijkerwijze van elkaar zou vervreemden. Het week-end dat wij thans te samen beleefden heeft mij in deze overtuiging bevestigd. Ik dank je om deze schone en innige uren die ons weer dicht bij elkaar brachten. Heb je gevoeld hoe vast ik je in mijn arm vasthield ginds te St Amands vóór het graf van Verhaeren? (2) Daar lag nu de dode dichter, beroemd de wereld door: een koud, stenen metselwerk, vuil van ebbe-slijk, verlaten en troosteloos vóór een modderig vergezicht .. Wat is de arme dichter in zijn tombe van beton en ijzer te beklagen! Ik heb mij afgewend, jou arm in de mijne … Laten wij leven, Liefste, schoon leven eer het te laat is. Blijf voor mij wat je was in de herfstige dreef, toen je de bruine bladeren tot een ruiker bijeenbracht: een rijpe, rijke vrouw die niets bedingt, wier gave het is met verrukking weg te schenken. Nog ligt de opperste communie niet in ons bereik, maar reeds de belofte bedwelmt, zoals ook rode wijn met zijn geur bedwelmt, vóór den zaligen dronk. Laten wij verbonden blijven (zoals een dichteres weleens schreef ..) door een gevoel waaraan “geen grenzen groeien” (3). Jij moet mij terzijde staan in het grote gevecht voor mijn “goddelijke verbeeldingen” tegen de dorperen en de dommen, de ijlhoofden en botte genieters. Jij bent ook een getekende en geroepene, een uitverkorene. Jij hebt de ijlheid en de voosheid van de luidruchtige kudde gepeild: wij zijn bestemd, wij beiden, tot groter dingen. Om het bezoek aan Antwerpen ben ik je dankbaar: schepen en havendrukte dat is voor mij eten en drank. En nog bedwelmt mij de lauwe geur van roerloze dennebossen .. Liefste mijn, ik zoen je, zoals op de heide, zacht in je lieve hals.
Nand.


(1)   “Ich liebe dich…”:  Edward Grieg, (1843-1907):

Ich liebe dich (Jeg elsker dig)

Music by Edvard Grieg (1843-1907)
Original Lyrics by Hans Christian Andersen (1805-1875)
German lyrics by Friedrich von Holstein (1937-1909)

“Du mein Gedanke, du mein Sein und Werden!
Du meines Herzens erste Seligkeit!
Ich liebe dich wie nichts auf dieser Erden,
Ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit!
Ich denke dein, kann stets nur deine denken,
Nur deinem Glück ist dieses Herz geweiht,
Wie Gott auch mag des Lebens Schicksal lenken,
Ich liebe dich in Zeit und Ewigkeit!”

(2) “Emile Verhaeren”: zie ook 20ste brief van Sim

(3) “waaraan geen grenzen groeien”: Nand verwijst naar het gedicht van Sim uit haar brief van 13 september.

Dinsdagavond 17 oktober Sim 26ste brief

17/10/50.

Ask mijn !

Het is dinsdagavond. Je verwachte brief hou ik in mijn handen. De ganse dag verlangde ik naar dit avondlijke nieuws – of kan ik dit gevoelen nog verlangen noemen en is het al reeds niet een bereikt bezit? Een bezit steeds groeiend en vollediger, Nand, sinds onze laatste ontmoeting ben ik veel rustiger geworden is het omdat de vrees stilaan wijkt van me en plaats maakt voor een jubelende overmoed om jou. Ik mocht je ontmoeten bij je thuis! Weet je hoe helkaar ik je nagaan kan een hele dag lang in je werkkamer voor het raam, in je huiskring, op het land. Het was goed dit week-end. Ik ben niet hier, ik ben bij je vanavond. En werd onze ontmoeting hier afgebroken – ik weet hoe een heel leven nog te vullen met een werkelijk tastbare droom van al het schone wat we saam mochten beleven: die zeldzame broze uren die de onze waren waarrond ik niets meer wensen kan. Ik schrijf je en om mijn  wijsvinger schittert de ring ontroerend schoon, ik weet niet hoe ik je danken moet en je ouders om die dagen bij hen doorgebracht. Zeg hun hoe gelukkig ik er om ben. Hoe blij en fier dat ze mij hebben aanvaard, en dat het mij gegund werd in hun leven te treden naast jou, Nand, ook hun kind te mogen zijn. Ik dank hen. Je ingoede vader en je vroom moederke.
“Dit alles is nog maar een begin.”, zeg je. Ik huiver, Nand, om die eigen vreemde wereld die losbreekt in me soms, zeer heftig soms, maar je bent er met je rustige woord. Ja, leer me jouw wereld gans ontdekken de eindeloze tocht naar jou gebied, mijn tijdeloze! Al weet ik me soms zó klein naast je vooral sinds zoveel nieuwe facetten van je werkvermogen me nog dieper hebben ontroerd. Hoe heeft de Heer mij begenadigd dat ik jou ontmoeten  mocht en je “mijn” noemen! Jij brengt mij alles wat ik ooit kon verlangen. Jij hebt elke droom verpersoonlijkt in jou. Hoe zal ik je steeds liefhebben in een algevend gebaar van alles wat ik heb en alles wat ik ben, toch weet ik dat je nooit alleen mij zult behoren, er is het dwingende gebeid van de kunst die je mint, ook dit gebied zal ik begrijpen als jou “weerbeeld” en het aanvaarden in de glas van jou schepping!

Woensdagavond

Het was een zeer zware dag gisteren en ik kon mijn brief vóór de morgenpost niet klaar krijgen. De eerste ritten met de nieuwe wagen zijn niet prettig. Ik ben met vader, Finneke gaan bezoeken op het dorp. Vandaag was ik te Lier en Antwerpen waarom ligt Gistel zó ver!.. Zondag moet ik terug naar dat eenzaam dorp ! dus van dit week-end is weinig zonkant te bespeuren. Ik rits in de week naar Gent. ‘k Verwittig je tijdig ! Morgenavond mijn “zwanezangoptreden” of hoe noemt men zo’n laatste optreden… Denk je aan mij? Groet je lieve ouders zeer hartelijk van me ook van mijn nestje hier ! Vergeet het bezorgde nichtje Simonne niet. (voor de beloofde chocolade zorg ik!) Je photo’s omringen me (er ligt er eentje in de wagen bij me!!) dat is minder eenzaam – ik zie je glimlachen – Ja, die glimlach van je ! Ik was zeer blij verrast met het telefoontje van je. Ik rij vlug naar de grote post om deze velletjes te verzenden. Kon ik je zeggen of verwoorden althans hoe zielsgraag ik bij je was, misschien zou ik je niets dan bekijken gans stil en sprakeloos. Zou je begrijpen, Ask mijn
Je kleine Embla