Maandag 13 november Nand 36ste brief

Gistel den 13.11.50.

Liefste,

Ik ben gisteravond als het ware dooreengeschud thuisgekomen. Na de schone heenreis door het zonnige herfstlandschap, het intiem glaasje in Asse en het studentikoos afscheid, moest ik, zoals telkens, de gruwzame terugtocht te midden van luidruchtige zondagvierders ondergaan. Wee mij ! Ik was gelukkig hier uit te stappen en langs nacht-zwarte wegen in weer en wind het open land te bereiken, en het eilandje van intimiteit (heel wat minder intiem nu jij er niet meer was) te betreden. Buiten woedde stormwind in de hoge bomen, onverschillig en angstwekkend als de machten van het leven die ons zo vijandig bejegenen, en die wij zo onophoudend moeten bevechten .. Jij bent niet meer  hier .. Ook mijn huisgenoten voelen het gemis. Jij vermag – als je eraan denkt je vlagen van overspanning uit den weg te gaan – bijzonder lief te zijn, en warmte en aanhankelijkheid uit te stralen. Mijn moeder, eenzame vrouw tussen twee eenzame, gesloten mannen, was zeer geroerd door je drie zoentjes, en spreekt er gedurig over ! .. Ik heb zoeven je jongste brief herlezen. “Zakelijk” is hij van toon en toch heb ik hem wellicht het liefst. Hij getuigt voor bezinning en een zelfkennis die je anders zelden laat blijken. Deze woorden zijn oprecht – en dát weet ik te waarderen. Ik geef mij er goed rekenschap van dat de gevangenis jou heeft vervormd. Maar daar is toch altijd middel tegen. Ik blijf geloven dat je geen zwakkelinge bent, noch een oppervlakkige ijdeltuit. Elke ietwat begenadigde mens kan tot op zekere hoogte meester worden over zijn karakter : dat wij veel pijnlijks met enige inspanning kunnen wegwerken, daarvan ben ik overtuigd. Wij moeten elkaar daarin helpen. Je begint, denk ik, nu te beseffen wat ik je destijds schreef: dat er moed en wil nodig is om gelukkig te zijn. Het geluk ligt ons, door een zonderlinge teerlingworp van het lot, binnen bereik, zonder een gebaar van onzen kant zullen wij het echter niet verwerven : het leven geeft niets voor niet, geluk wil aangegrepen worden. Alles wordt eenvoudig, het is waar, voor wie lief heeft, maar dan nog dient gekampt. Liefde is afstand doen. Eergisteren, als ik je vergeefs vroeg mij wat te laten rusten, had je toevallig een handschrift van mij in handen, een novelle die juist dit uitzicht in de liefde bezingt. Eigenlijk ben ik van Paulus’ bekende tekst uitgegaan: “liefde is mild, verduldig, zij zoekt zichzelve niet” enz. (1) Groot is, mijns erachtens (2) , deze liefde die zonder omhaal van woorden, overal en ten allen tijde merkbaar is. Een grote liefde is te lezen uit kleine attenties. Dit is, ik weet het een ideale voorstelling, maar idealen voeden ons op tot grotere volkomenheid, en ik wenste dat onze liefde zo volkomen mogelijk zou zijn – anders is het de moeite niet waard. Doch zij gerust, ik maak er je geen verwijt van dat je te “traag” in mijn wereld “intreedt”. Dat is heel normaal, gezien ik zeer naar binnen gekeerd ben, en glimlach om het dwaas gedoe der mensen. De moeilijkheden spruiten uit de onvolkomenheden in je opvoeding, en de gevangenis heeft jou zeker zo gekneusd en ontwricht dat je gemakkelijk je evenwicht verliest. Maar daar is uit jou iets goeds, iets heel goeds te maken en ik geloof dat het de moeite loont het te voltooien. Help mij, ik zal jou helpen, en wij zullen ervaren, zoals niemand voor ons, wàt liefde is.

Je Nand


(1) “Paulus’ bekende tekst”: Uit de eerste brief van de apostel Paulus aan de Korinthiërs: “De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in. Zij geeft niet om de schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan.” (1Kor. 13, 1-13)

(2) “mijns erachtens”: “naar mijn mening”