Sint-Kruis september 1944 Interneringscentrum Brugge

Opmerking: Het interneringskamp te Sint-Kruis (Brugge) – houten barakken die werden afgebroken – bevond zich op de plaats waar zich de huidige Marinebasis bevindt aan de Brieversweg:

“Tekening in één van de barakken”, Sint-Kruis:

Oorspronkelijk door de Duitsers gebouwd als krijgsgevangenkamp (houten barakken) en later als doorgangskamp voor de eigen soldaten, werd het kamp na de bevrijding gebruikt als interneringscentrum voor collaborateurs. Zie hiervoor: “Brugs Ommeland, Marinebasis Sint-Kruis“:

“Voordat ze hierheen werden gebracht zaten ze in de schoolgebouwen in de Boomgaardstraat in Brugge. Maar dit was al vlug te klein. Alle gevangenen werden opgeladen in open vrachtwagens en in colonne overgebracht naar Sint-Kruis. Onderweg werden ze beschimpt en soms werden er met stenen gegooid. De levensomstandigheden waren de eerste dagen echt erbarmelijk. En voedsel was er bijna niet. Men kreeg één stuk brood en wat soep waarvan men liever niet wist wat er in zat. Dit was het rantsoen voor een ganse dag. Alles was geïmproviseerd men wou deze zwarten zo vlug mogelijk opsluiten. Kort na de bevrijding waren er reeds 1500 mensen in het kamp ondergebracht. Tegen het einde van december waren er reeds 2372. Waarvan 2100 mannen en een 272 vrouwen met kinderen. Deze mensen werden vanuit de gans provincie hierheen gebracht. Er was ook veel corruptie onder de bewakers. Het eten en de dekens die de familie van de gevangene bracht kwam meestal niet bij de bestemmeling terecht.. (…) De situatie verbeterde toen de verzetslieden, die aanvankelijk voor de bewaking instonden, werden vervangen door gevangenisbewaarders.”

De verdere inhoud in dit artikel komt overeen met wat Nand beschrijft (o.a. de hitte en de gevangenisopstand).


S I N T – K R U I S

Prikkeldraad, wachttorens en barakken, een concentratiekamp: wij waren ter bestemming.  Met honderden en honderden werden wij daar ontscheept, mannen oud en jong, vrouwen en meisjes.  Er werd niet veel gesproken, maar elk dacht voor zich hetzelfde: was dàt het antwoord van het humanisme?  De vrije wereld beteugelde de concentrationaire euveldaden op een nogal onverwachte manier, nl. door het oprichten van … concentratiekampen.

Een bekend en hoogstaand advocaat en verzetsman zou het in ’t publiek verklaren dat de Belgische kampen van de Duitse niet veel te leren hadden – dat heeft in alle kranten gestaan, ik moet er hier niet verder op ingaan.  Het volstaat dat ik vluchtig de sfeer oproep waarin mijn leven zich afspeelde, en de weerslag daarvan op mijn denken en mijn literair werk.  Het volgende heb ik in elk geval meegemaakt: herhaaldelijk zou het kamp door verzetslieden worden bezocht – niet om te zien of wij menselijk werden behandeld, maar om na te gaan of wij het niet te goed hadden.

In de eerste dagen waren dergelijke bezoeken ten enen male overbodig.  Bij de aankomst moesten we elk een eetketeltje nemen – er lagen er een hele berg van alle mogelijke vormen, geblutste, beschimmelde en dies meer, alles op elkaar gehoopt als een piramide van blik.  We “moesten er maar de beste uitkiezen”.  De barakken waren klaargemaakt om ons te ontvangen.  Ik kwam in Barak U terecht.

Naast Barak U was een diepe greppel gegraven, aan de rand daarvan was een lange dennenstam op zithoogte aangebracht: de W.C. van het kamp.  Dàt onder de vensters hebben was een prettig vooruitzicht, vooral als de wind uit het westen zou waaien.  Wij zouden eerlang bemerken dat er nog andere ongemakken aan verbonden waren, toen de grote witte wormen bij honderden uit de kuil opstegen en over het kamp uitzwermden.  In de barakken bestond de W.C. uit grof in elkaar getimmer-de hokken boven open beerputten.  In de ziekenbarak, zoals ik eerlang zou ondervinden, zat men eveneens op een ruwhouten getimmerte boven een kuip.  Wie aan afloop leed …

De bedden-met-verdieping stonden twee aan twee opgesteld.  De doorgang tussen elke groep van vier bedden was nauwelijks een halve meter breed – wat een oorzaak was van voortdurende wrijvingen.  De middengang waar de tafels en banken stonden was ietwat breder, maar al bij al zaten wij nogal benepen.  ’s Morgens, spijt de open vensters hing er in de muffe barak een akelige stank.

In een paar barakken was de binnenarchitectuur anders opgevat.  Daar was op manshoogte aan weerszijden een verdieping getimmerd: op de planken lagen de strozakken naast elkander, daaronder, als onder een afdak, sliepen de anderen gelijkvloers.  Hier lagen de mensen tegen elkander, en tijdens de lange wintermaanden gaf dat wel een beetje warmte.  Maar er was ook een ongemak aan verbonden: de promiscuïteit.  Een vriend en collega van mij met wie ik wel eens “wandelde”, kreeg op die wijze een nogal onverwacht geschenk van zijn buurman.  Deze was niet al te zindelijk, en zat met luizen geplaagd, wat hem niet hinderde.  Het hinderde wel mijn vriend, die steeds weer genoopt was zich van zijn ongewenste bezoekers te bevrijden.  Een Sisyphus-arbeid om gek van te worden.

Er was nog een ander type van verblijf.  Deze waren ruimer, heel wat ruimer want eigenlijk waren het hangars, waar het eindeloos tochtte.  Een paardenkoopman zei ervan: sluit paarden hierin op, zij houden het geen week uit.

Een goede zijde van het kamp was de mogelijkheid om vrij over de betonbanen te kuieren, vanzelfsprekend op gezette uren, en in den beginne onder het waakzame oog van tot de tanden gewapende O.F.-mannen.  Hoe teneerdrukkend dat ook was, de wandeling ontsloot de barak, je kon vrienden gaan opzoeken, een peripatetisch gesprek voeren dat de moeite waard was.  Het deed je het troosteloze gezicht van die honderden aanschuivende opgeslotenen vergeten, of zoveel.

De bevolking was zeer gemengd.  Steenrijke economische collaborateurs, mannen met gemeen rechtelijk dossier, SS-mannen, politieke deliquenten uit alle standen van de maatschappij, dokters, seizoenarbeiders, een baron, een graaf, burgemeesters, schrijvers en schilders, professors, rechters en procureurs – een bont allegaartje waar de overspannen zenuwen plotse uitbarstingen tot gevolg hadden.

Het leven in een kamp of gevangenis stelt problemen waarvan de gezeten burger in zijn huiskring geen voorstelling heeft.  Je wordt daar op goed geluk af door elkaar geworpen en opgesloten.  Sommige typen kunnen zich aan zo’n bestaan aanpassen (een seizoenarbeider, bij voorbeeld, nam het geval, rustig op – hij moest geen zwaar werk verrichten), andere niet.  De ene mens kan drukte rondom zich verdragen – anderen niet.  Sommige karakters gaan goed samen, andere komen voortdurend in botsing.  Wij hebben het meegemaakt hoe in de gevangenis het gedwongen samenleven met al die menselijke ellende daaraan verbonden, zo op de psyche inwerkte, dat celgenoten ten slotte met opgeheven tafelmes op elkander losvlogen.

Mensen die buiten de gevangenis goede vrienden waren, eindigden met als vijanden uiteen te gaan.  Wie zal de steen werpen?  Je moet het hebben meegemaakt om het te begrijpen, en te vergeven.

Van meet af aan heb ik een poging gedaan om mij aan een dergelijk bestaan aan te passen: dat het mij moeite heeft gekost zal ik niet verhelen – het viel mij in de rumoerige barak niet mee.  Waren het alleen maar mensen uit de beweging geweest …  Maar hier was van alles met de grove bezem bijeengeveegd, en dan treedt het bekend verschijnsel op dat de Fransman kenmerkt als “le nivellement par le bas”.

Ik had tot dusver mijn leven volgens bepaalde maatstaven ingericht.  Ik had mijn tijd zo nuttig mogelijk besteed, een ingekeerde afzondering bestreefd, gewijd aan schoonheid en vruchtbare stilte; ik had innig met de natuur samen geleefd.  Kortom ik had gepoogd.  Hadewijchs gulden raad op te volgen: levet scone.  Nu was de ontwaking achter de prikkeldraad eerder ontnuchterend.  Mij had het lot van de activisten voor ogen gezweefd: politiek regime en dies meer.  Dit was wat anders: het leek wel een golf van terreur.  Er werd toegeslagen, en hoe …

Ontstellend was vooral het besef dat al wat tot nog toe de reden geweest was van ons bestaan, ineens en naar alle schijn reddeloos in elkaar stortte.  Ik zag dan mijn plaats daarin, en moest een gevoel van vertwijfeling bekennen dat veel van mijn literair werk onder het puin van de ineenstorting begraven lag.  “Mijn volk wordt groot “…  Wat was dat alles vreemd en ver.

Tijdens de eerste nachten op de hard britsen was er van slapen geen sprake.  Urenlang donderden de kanonnen over de barakken heen,  zodat de houten wanden en wijzelf op onze strozakken ervan sidderden.  Langzamerhand werden de laatste Duitsers naar hun grens teruggedreven, en het hol geluid van de nachtelijke losbrandingen was als een somber noodlotsthema – ook voor ons.

Het Avondland veranderde van meester – een nieuwe wereld, de Atlantische was in aantocht.  En de Russische Beer zakte naar het westen af.  Wat zou er van het traditionele Europa nog overblijven?  Ons, strijdende Vlamingen beloofde een kamp als Sint-Kruis niet veel goed – dat “kruis” zou zwaar wegen.

De kanonnen zwegen.  De plots intredende stilte liet als het ware een leegte na.  Nu wisten wij het: er was niets meer aan te veranderen.

In het kamp, evenmin als in de school te Brugge was er eten genoeg.  De “soep” van gedeshydreerde groenten had een bedenkelijke smaak, bijwijlen werd een vreemdsoortig toevoegsel uit de bidons met het vocht opgevist – sommigen beweerden zelfs dat het naar urine rook.  Dat lag misschien aan de “groenten”; de smaak in elk geval was alles behalve lekker, maar er was niets anders.

De economische collaborateurs (de grote snoeken) die met geld konden smijten, waren er het best aan toe.  Sommige bewaarders waren altijd bereid tegen een passende vergoeding een extra hapje binnen te smokkelen.  Zij bogen zogenaamd over het bed om iets mede te delen, intussen haalde betrokkene uit de jaszak van de ordebewaarder wat erin te vinden was.  Niemand had iets bemerkt.

Bij de meesten ging de vermageringskuur in versneld tempo haar gang.  Bepaalde mensen kregen een ander gezicht, de huid hing flets om de jukbeenderen, de kleren hingen slap om het lijf.

Je zag er waarachtig die tussen de afval op de vuilhopen gingen zoeken.  Ik herinner mij dat iemand mij gelukkig maakte toen ik de schil van een binnengetoverde appel mocht opeten.

Hoeveel mensen waren er in het kamp?  Het juiste cijfer weet ik niet meer – zeker toch een drieduizend.  Die eerste zondagmorgen in het kamp stond er in elk geval een hele massa opgeslotenen in de grote hangar bijeen, waar Dom van Assche op een verhoogd altaar de mis zou opdragen.  Die dàt meegemaakt heeft zal het niet licht vergeten.  Tot in de ziel aangegrepen, velen met tranen in de ogen, stonden onze mensen, onder wie ook ongelovigen zich hadden gemengd, tot onderaan het altaar.  Op het verhoog verscheen de abt in zijn groen misgewaad als de offeraar, die tot God sprak over het lijden van al die mannen en vrouwen, die voor het merendeel slechts hadden gecollaboreerd, omdat zij het beste voor hun volk hadden gewild, en er alles voor hadden gegeven.

“Laten wij bidden,” zei de Abt aan ‘t offertorium plots in het Nederlands, “voor hen die wij durven te noemen: onze vijanden …”

Een hoorbare stilte volgde op die woorden.  Er ging van de grote gestalte met het geschoren hoofd een onzegbare wijding uit, waaraan allen in de naakte hangar deelachtig werden.  Elk van ons droeg het leed der anderen, wij waren een levende en lijdende gemeenschap.  Dit was waarlijk een gesprek met God, van aangezicht tot aangezicht.  God was als het ware voelbaar aanwezig onder ons, opgejaagden in dit kamp zonder genade.  Tot Hem alleen konden wij ons richten.  En het gebed was een echo van Golgotha: “Heer, vergeef het hun …”

Dit misoffer viel niet in goede aarde.  Vader Abt werd uit het kamp weggehaald, naar het Pandreitje in Brugge overgebracht en in de cel opgesloten, waar hij, zoals bekend, een ellendige dood zou sterven.

Dergelijke ogenblikken van haast ondraaglijke spanning zoals die mis brachten mij aan het denken.  Ik dacht vooral aan een gesprek dat ik in de trein van Brussel naar Oostende had gevoerd, heel toevallig, met de voorzitster van de Vrouwenbeweging, Mevrouw Maréchal, nu overleden, en waarin ons beider zienswijze zo onverwacht eensluidend was geweest.

Het einde was nabij – dat was duidelijk.  Dan was ook de beteugeling ophanden.  Had de leiding daaraan gedacht?  Had niemand de mogelijkheid onder ogen genomen om maatregelen te treffen van die aard dat zij de reactie enigszins zouden milderen door bij voorbeeld het onderscheid te beklemtonen tussen politieke collaboratie, een opiniedelict, en de veile jacht op werkweigeraars?  Zij had de gedachte geopperd, zei ze, maar had aan dovemansdeur geklopt.  Wij zaten tegenover elkander in de schommelende trein, en spraken niet meer.  Maar zij richtte op mij een blik die als het ware al het leed voorzag dat onvermijdelijk komen moest.

Nu was de werkelijkheid erger dan wij toen konden vermoeden.  In de kampen zaten duizenden en duizenden mensen opeengehoopt: vaders van grote gezinnen, huismoeders door God weet wie aangeklaagd, jonge meisjes zaten tussen deernen opgesloten, de achtergebleven zagen zwarte sneeuw, kinderen aan hun lot over-gelaten.  En wat kon al die mensen ten laste worden gelegd dat eigenlijk misdadig was?   Ik heb in die dagen brieven geschreven voor wanhopige vaders die de vertwijfeling nabij waren – zelfs bisschoppen bleken machteloos.  Welke machten er aan ’t werk waren bleek uit het geval van de Abt.

Het gebrek aan eten, aan elementaire hygiënische voorzorgen geneesmiddelen, bij voorbeeld, had spoedig tot gevolg dat allerlei ziekten uitbraken.  Huidziekten, schurft, etterende wonden, maar ook epidemische infecties als tyfus – een genadige vorm, zo werd er gezegd, maar toch erg genoeg opdat de zieke bloed zou afgaan en aan een uitputtende koorts ten prooi vallen.  De ziekenbarak was propvol, en er lagen heel wat gevallen in de barakken, in de bedorven lucht, in de rook, op veelbeslapen strozakken, bedekt met dekens waar de vlooien op krielden. (Van tijd tot tijd werden razzia’s gehouden met D.D.T. – zij bleken onuitroeibaar.)

Op een morgen ontwaakte ik met koorts en buikkrampen: ik had de tyfus-bacil te pakken.  De dokters, allen opgeslotenen, ruimden voor mij een plaatsje in de ziekenzaal in – daar was de omgeving alleen al een opbeuring – je werd er verzorgd bovendien.  Op een brits liggend in een rumoerige barak had je een gevoel alsof je aan je lot overgelaten werd, en dat maakte je nog ellendiger.  Hier in de ziekenzaal deden verplegers, meisjes en jonge vrouwen het onmogelijke om al die zwaar zieken de nodige zorgen te verstrekken – hun toewijding was bewonderswaardig.  Maar medicamenten waren er praktisch niet.  Ik kreeg eenmaal een mondvol geraspte appel, verder was het gestampte houtskool door gewillige handen in het kamp zelf bereid.

Verscheidene dagen hielden de krampen aan, en kwam het bloed, toen trad langzaam beterschap in, zodat ik al eens kon opstaan.  Andere gevallen evolueerden minder gunstig, verscheidene goede vrienden moesten naar het gasthuis in Brugge worden overgebracht.  Stervenden waren in het kamp ongewenst.

Verder verzwakt, en nog niet heel vast op mijn benen, mocht ik naar de barak terug.  Daar was mijn brits door een ander bezet – dat was een van de ongemakken aan ziek-zijn verbonden.  Zo kwam ik naast een man te liggen, die, overdag de vredigste mens ter wereld, zich tijdens de nacht tot een baarlijke duivel ontpopte.  Hij wipte omhoog in zijn slaap, met armen en benen zwaaiend als een opstijgende helikopter.  Dan plofte hij neer en ontwaakte met een schok. Ik deed alsof ik sliep – wie zou onder dergelijke omstandigheden een oog kunnen dichtdoen? – maar hield hem tersluiks in de gaten.  Telkens als hij op zijn brits teruggevallen was, boog hij zich behoedzaam over mij neer, en bezag mij met wijd opengesperde blik.  Misschien was het alleen maar om na te gaan of hij met zijn nachtelijke zweeftocht had gewekt – maar op de duur werd het mij onbehaaglijk te moede – bij de eerste gelegenheid verhuisde ik naar rustiger oorden.  Het was een brits waarin ik niet rechtop kon zitten: ik moest er in liggende houding inschuiven: maar ik was van dat hinderlijke kunst-en-vliegwerk af.

Later zou ik opnieuw in de ziekenbarak worden opgenomen.  Deze keer was het een scherpe aanval van ischias, opgedaan in de vochtige barak zonder vuur, die het mij onmogelijk maakte te bewegen zonder mij, onder hevige pijnen aan iets vast te klampen.  Eigenlijk had ik mij niet als ziek opgegeven, maar een dokter die mij als een maanzieke langs de muur van de barak mijn lijf zag voorttrekken, ontfermde zich over mij, en liet mij opnemen.  Het was geen grapje.  Wie het ooit meegemaakt heeft, kan het weten: het is of je vlees gewoonweg met scherpe messen van je been wordt gereten.

Terwijl ik daarvan aan het herstellen was, bemerkte ik op een morgen bij het ontwaken, dat zich op mijn schedel grote bobbels gevormd hadden.  Zij puilden nu eens aan de een, dan weer aan de andere, mijn neus zwol op, dan mijn mond, ten slotte kreeg ik over het hele lijf een roodopgezwollen uitslag die een kwellende jeuk veroorzaakte.  Pijn kan je enigermate verduwen maar een nooit aflatende jeuk is niet uit te staan.  Ik rilde en huiverde dag en nacht.  Het was een soort vergiftiging – maar wat was de oorzaak?  Bedorven voedsel, een allergie voor een of ander medica-ment?  De kwaal was hardnekkig en vergde een reeks inspuitingen, calcium, strontium, met grote moeite bemachtigd voor een schoktherapie in de aders die alles behalve prettig aandeed.  Niet dat het de dokters aan toewijding mangelde: ik heb ze integendeel, zo een zo allen bewonder: zij lieten niets onverlet om het lot van de opgeslotenen ietwat draaglijker te maken.

Zij wisten het zelfs te bewerken dat ik naar het gasthuis in Brugge mocht gaan, om mijn been elektrisch te laten behandelen.  Daar werden wij echter niet bijzonder hartelijk bejegend.  De omstandigheden waren er ook niet naar: het was de tijd toen de weggevoerden uit de Duitse kampen werden gerepatrieerd.  Ik zat, met een paar andere zieken uit het kamp op mijn behandeling te wachten, wij werden door twee gendarmes bewaakt, en mochten geen woord spreken.  Om de tijd te korten had ik een boek uitgehaald, het was, als ik mij goed herinner The Golden Treasury, een bloemlezing Engelse verzen die ik aan de universiteit gebruikt had.  Dat was niet naar de zin van onze bewakers, want plots trad een van hen op mij toe: “Dat boek weg”, snauwde hij, “gevangenen mogen geen boeken hebben!”

Het boek was door de directie van het kamp toegelaten, maar ik stopte mijn bloemlezing berustend weg, en dacht er het mijne van.

Maar de gendarme zag mij doordringend aan, en wendde zich tot zijn gezel: “Dat is Ferdinand V., zei hij, op mij wijzend,” “van de IJzerbedevaart!”  Uit de norse blikken van de twee mannen kon ik afleiden dat zij dat als een vergrijp beschouwden.  De IJzerbedevaart: Indien er één organisme was waar de Duitsers op gebeten waren, dan was het wel de (pacifistische) IJzerbedevaart.  Ik was al sedert mijn studententijd lid van het comité, dat bleek nu ook al een misdaad …

Niet zonder galgenhumor bedacht ik dat wij, die hier op een rijtje zaten eigenlijk ook weggevoerden waren, en dan nog wel in eigen land.  Ik kwam hierheen om een behandeling te ondergaan voor een kwaal achter de prikkeldraad opgedaan.

Maar van die behandeling zou ook niet veel meer in huis komen.  Ik mocht in het kamp blijven.

Dat kamp – daar was besmetting schering en inslag.  Oorspronkelijk tot enkele verspreide gevallen beperkt, bleek onverwacht schurft een vrij algemeen ver-schijnsel.  Met een schok en een onuitsprekelijk gevoel van walg stelde ik vast dat ik op mijn beurt de onmiskenbare kentekens vertoonde.

Was de huidziekte op zichzelf ontmoedigend, de behandeling was evenmin alles behalve aantrekkelijk.  Het gebeurde in een klein besloten hok, waar het alles behalve netjes was, en waar alles in een onbeschrijfelijke promiscuïteit door elkaar lag.  De behandelde moest opletten dat hij het besmette ondergoed van zijn nog te behandelen gebuur niet bij vergissing aantrok.  Er is zelfs eens een “grappiger” vergissing gebeurd waarover in de barakken nog lang werd gelachen, en niet zonder leedvermaak.  Een vermogende vriend was er eens in geslaagd een stortbad te bekomen.  Die lagen in het hokje daarnaast, en waren voorbehouden voor vrouwen, sommige zieken, enz.  Na het bad kwam onze vriend terug in het andere lokaaltje waar enkele slachtoffers van de schurft zich aan ’t reinigen waren.  Daar heerste, zoals gemeld, de grootste verwarring op gebied van ondergoed, en niet zonder ontsteltenis bemerkte de gelukkige bader dat hij de vuile onderbroek van een schurft-leider aan ’t aanschieten was …

Over de behandeling zelf zal ik maar een paar woorden reppen.  Een moedertje uit de vrouwenbarak offerde zich in deze hel op, om de jongens te helpen.  Spiernaakt, werden zij met een brandend vocht ingesmeerd, waarvan de stank wekenlang in hun kleren bleef zitten.  Ik gis dat het goed creoline was, een vocht waarmee de stallen ontsmet worden en de grote troepenkamers in de kazerne; het was in de letterlijke zin des woords adembenemend.  En nog spaar ik een paar onverkwikkelijke bijzonderheden die niet “geselfschaftsfähig” zijn.

Op een andere keer ging een besmetting van heel wat tragischer aard door de opgepropte barakken.  Waren er gevallen van kroep vastgesteld?  Het is nooit uitgelekt, wel moesten alle opgeslotenen zich tegen de gevreesde ziekte laten inenten.  De dokters stonden niet weinig te kijken toen honderden mensen met hoge koorts op hun brits gingen liggen: ikzelf, verzwakt als ik was door de ondervoeding, was bij de eerste slachtoffers – en weer was het de ziekenbarak.  Toen de oorzaak van de ziekte deskundig werd onderzocht, bleek dat de betrokken diensten een besmet serum hadden bezorgd.

Daar ik heel wat dagen en nachten in de ziekenzaal heb gesleten, mocht ik er niet weinig pijnlijke tonelen meemaken.  Eens bracht men een oudere man binnen, die men zo onbarmhartig geslagen had, dat hij op een berrie moest vervoerd worden.  Het nieuws ging als een vuurtje door het kamp, en wekte grote ergernis.  Aangrijpender nog was het geval van een jongen die men hier ook had afgeleverd met het bericht dat hij “gedoemd” was.  Of hij ook slagen gekregen had kan ik mij vandaag niet meer herinneren, hoe dan ook niet zonder verslagenheid vernamen wij dat de dokters hem hadden opgegeven: hersenkoorts.

Het was hard, en al wie het kon, trachtte de jongen met een lekker hapje of wat ook een genoegen te doen.  Maar zijn toestand verergerde zienderogen en plots ging hij luidop praten, zodat de jonge stem met het geluid van een luidspreker door de barak dreunde.  Hij scheen de inhoud van een brief op te zeggen, het ging in elk geval over een pakket, en telkens weer werd het zielige bericht herhaald: “een pakket van vijf kilo ..”  Wij lagen machteloos en tegen wil en dank te luisteren.  Liefst hadden wij de vingeren in de oren gestopt, maar wij moesten wel het hele verloop van de kwaal meemaken.  Dan bracht men hem naar het gasthuis … om te sterven.  Hij was bitter jong, amper twintig jaar.  Nog altijd hoor ik de hoge eentonige stem.

Soms bleken inderdaad de ziekenbarak en medicamenten machteloos.  Een kwaal waaraan ik evenmin was ontsnapt was het verschijnsel dat in alle concentratiekampen … normaal is, het tandvlees zwelt op, de tanden komen los en vallen uit.  Ten slotte kun je niet meer kauwen, niet meer eten.  Terwijl ik op mijn brits de schrale kampkost moeizaam aan het verorberen was, heb ik dikwijls zitten denken aan een Pool die ik eens tijdens de oorlog toevallig ontmoette.  Hij had in een Russissch concentratiekamp gezeten, maar was dan toch in vrijheid gesteld geweest.  Toen ik hem vroeg hoe hij het daar gemaakt had, antwoordde hij niet.  Hij zag mij strak aan, en trok met welsprekend gebaar het kunstgebit uit zijn mond.  Met zijn invallende wangen zag hij er plots als een doodshoofd uit, op de felle ogen na die mij strak en heftig bewegen aanstaarden.  Hij zei niets meer, het was ook niet nodig.  Nu zoveel jaren later, zou het mij en zoveel anderen vergaan – en dat gebeurde hier, niet in Siberisch Rusland, maar in eigen land, op enkele uren van onze geliefden.

De meewarige reeks van ongemakken kon nog worden aangevuld, maar met Multatuli zou ik moeten verontschuldigen: mijn verhaal is eentonig, lezer.  Ik laat dan maar het een en ander ongezegd.  Alleen dit nog, omdat het “ongemak” zich later doorzette.  Het is begrijpelijk dat de materiële en morele nood waarin opgesloten achter prikkeldraad dag aan dag leven, zijn weerslag heeft op een reeks verzwakt gestel.  Af en toe werd ik overvallen door krampen en brakingen – ze leken van galachtige oorsprong – die ik dan maar zonder ziekenzaal te boven kwam door een paar dagen … vasten.

Kan het anders dan dat je in dergelijke omstandigheden denkt aan een ongunstige afloop, dat je gekweld wordt door de vrees dat je het er niet levend afbrengt, dat de aftakeling het zal halen?  Wie zal het de dichter euvel duiden dat hem gedachten worden ingegeven als “Najaar”, waarin hij zich, in kosmische verbondenheid met de herfst, naar het duister van het dode jaargetijde voelt afglijden?

Maar in het westen, scherp tegen het avondrood afgetekend, waren de torens van Brugge.   Ik  heb  dikwijls,  door  de  prikkeldraad  heen  in  die  richting  staan  turen.

Stenen getuigenissen van oude roem en weerbaarheid, stonden zij onbewogen in het vergezicht – ook als het volk hun betekenis niet meer begreep.  Wij zouden trouw blijven als de toren, groter dan de hoon ons aangedaan, levend van de liefde tot ons volk dat onze daad eens beter zou begrijpen.  Wij hadden voor dit volk niets minder dan het beste gewild.

“Wij blijven, gij en ik, in onze stilte groot …”

In die dagen van gemeenschappelijk gedragen leed heb ik het in poëziealbums dikwijls neergeschreven: “liefde verwint de haat”.  Ook een vers uit Ragnarok heb ik herhaaldelijk aangehaald; waar sprake is van dood en ondergang, maar ook van een gelouterd herboren worden, van geloof aan de uiteindelijke wedergeboorte van ons volk tot een ontvoogd bestaan.

Om het kapittel “ziekenbarak” af te ronden ben ik op de gebeurtenissen ietwat vooruitgelopen.

Wat bij de algemene verzwakking eigenlijk vanzelfsprekend hoorde te zijn, was intussen toegelaten: eten van buiten te ontvangen.  Dat maakte het bestaan al enigszins dragelijk.  Eens kon ik tot bij de prikkeldraad sluipen en een glimp krijgen van mijn oude vader die geduldig in de rij stond te wachten met een pakket, en mij met een schok herkende.  Dat was het eerste weerzien sinds de dag dat ik op een vracht-wagen uit Gistel werd weggevoerd.  Een weerzien met de prikkeldraad tussen ons beiden van één kort ogenblik.  Hij zag er vermoeid uit en lachte ontroerd, maar oude zeebonk die hij was, kende hij geen versagen.  Heel de tijd van mijn opsluiting zou de man mij om de veertien dagen dat pakket komen brengen.  Meer dan eens heb ik aangedrongen dat hij om de maand zou komen.  Hij is er nooit willen op ingaan.

Het was erg dat hij telkens die lange weg moest afleggen, maar het pakje bracht iets meer mee dan eten of linnen: het betekende een band met thuis, en voor de oudjes was het ook een troost.

Het extra hapje brood was broodnodig.  Over de honger die ik, met mijn grote gestalte, daar geleden heb, zal ik maar liever niet uitweiden.  Vrienden die mij wilden helpen hadden mij een tijdlang een baantje bezorgd in het magazijn.  Ik moest ’s morgens het brood helpen uitdelen, als er dan hier of daar een overschotje was, kon ik aldus een hapje meer krijgen.

Na de allereerste weken verbeterde het eten.  Niet dat het zo bijzonder voedzaam geworden was.  Eens kreeg het kamp het bezoek van verzetslieden die kwamen zien wat wij te eten kregen.  Ze keken nogal stuurs toen zij een vat rode kool zagen staan, gereed om uitgedeeld te worden.  Zo gezien zag het er nogal stevige kost uit.  Hun werd evenwel medegedeeld dat van dat ene vat een avondmaal werd bereid voor een drieduizend gevangenen, en wel door het toevoegen van de nodige vaten water.

Tijdens mijn werk in het magazijn was ik getuige van een toneeltje dat in een vaudeville niet misplaatst zou zijn ware het in de grond niet zo tragisch geweest.  De officiële dokter van het kamp, een van de zeldzame mensen met een hart blijkbaar, verscheen eens in het lokaal waar de schrale reserves van het kamp waren opgeslagen.  Hij ging staan voor de bak waarvan de bodem met een hoopje erwten was bedekt, en riep tot de econoom: “Dat alles moet vanavond in het eten!”  En hij maakte daarbij een breed gebaar om zijn gezegde kracht bij te zetten.

Nauwelijks was hij buiten of de econoom schudde grijnzend het hoofd: daar kwam niets van.  En de erwten bleven in de bak.  Ik gis omdat zoiets een goede indruk gaf als het Rode Kruis ooit een kijkje zou komen nemen.

Aan mijn baantje in het magazijn kwam onverwacht een einde.  Op zekere morgen stapte ik de poort binnen om de broden te helpen uitdelen.  Daar stond in mijn plaats iemand anders, die, met gesloten gezicht, de broodjes aan de dragers uitdeelde.  Het was een goede “vriend” en bekend romancier, die op zijn humane en sociale gezindheid gaarne groot ging, en die mij nu, zonder boe of bah te zeggen had onderkropen.  Ik heb mij, zonder één woord te uiten afgewend.  Ik ga er thans ook liever stilzwijgend aan voorbij.  Hij is intussen overleden, werd door zijn dorp postuum gehuldigd.  Nihil nisi bene.

Een grote factor van kwelling viel weg, toen het de opgeslotenen toegelaten bezoek te ontvangen (brieven schrijven werd al vroeger toegestaan).  Wel had de directie een veiligheidssysteem uitgedacht dat, in het begin althans, het bezoek zelf tot een aanfluiting maakte.  Verbeeld u: twee wanden van kippegaas met een tussenruimte van anderhalve meter.  Door gaten in het gaas lopen buizen met aan elk eind een trechter.  Door die trechter moest je spreken – aan de andere trechter werd dan geluisterd; voor het antwoord moest je zelf het oor tegen de trechter houden.  Een bezoek onder zo’n omstandigheden was dan weer een bron van ergernis, die je voor de gelegenheid moest verduwen om niet alles te bederven.

Zelfs de directie van het kamp zag in dat zij zich door deze uitvinding geen dienst bewees, en dan werden de spreekbuizen afgeschaft, de wanden van kippengaas dichter bijeen gebracht, tot op zowat een halve meter – dan kon je tenminste met de mensen die je kwamen bezoeken een gesprek voeren in waardigheid.

Nooit vergeet ik dat eerste bezoek, als vader en moeder mij van achter dat kippengaas dapper toelachten.  Voor mijn moeder, wier gezondheid tegen de verplaatsing en de emotie niet bestand was, vergde zo’n bezoek te veel van haar krachten.  Voor haar is het dan ook bij dat eerste bezoek gebleven.  Zelf kwam ik gefolterd en opstandig in de barak terug; het besef volkomen machteloos te zijn, alles lijdelijk te moeten ondergaan, wie weet voor hoelang, was verpletterend.  En ik had nog geen gezin, niemand wie ik de mond moest openhouden.  Meer dan één huisvader zat na een bezoek grauw en stom te staren: thuis was er een vader nodig, om te werken, maar ook om te waken over de kinderen, de jongens, de aankomende meisjes.  Velen kwamen uiteindelijk ook in een of ander inrichting terecht.  Wat uit deze jonge mensen gegroeid is hebben wij in latere jaren kunnen vaststellen.

De eerste berichten over het Von Runstedt-offensief brachten een hele ommekeer teweeg.  De meesten konden opnieuw glimlachen, en met stralende ogen werden de jongste berichten doorgegeven.  Nu zou het wel gauw afgelopen zijn …  Dat er iets op til was, kon men ook van de houding van de bewakers aflezen.  Zij werden opeens heel wat toeschietelijker, en gingen onbevangen en vriendelijk met de opgeslotenen om.

Ikzelf nam het nieuws met … gemengde gevoelens op.  Ik stak het onder stoelen noch banken: ik had van één Duitse bezetting meer dan genoeg.  Daarvan was ons Vlamingen niets te verwachten – ook al was er sprake van een “Vlaamse” regering.  Timeo Danaos!  Wij hadden uit de mond van de hoogste leiders van het IIIde Rijk, van Himmler zelf, de bedoelingen van de Nazi’s horen formuleren.  Het was zelfs de vraag of wij, die als “separatisten” bekend stonden niet een zelfde lot zouden ondergaan als hier in Sint-Kruis, mogelijk in … Sint-Kruis zelf!  De leider van het V.N.V.  hadden  ze  toch  ook  achter  de  prikkeldraad  vastgezet – overigens  in  het gezelschap van … Von Falkenhausen.

Ons lijden, en dat van de onze was zwaar, maar opnieuw bezet te worden, de vrijheid als volk te verliezen, een nieuwe golf van terreur te beleven dat was het laatste.  Ik kon de naïeve vreugde van veel gevangenen niet delen.

Het liep dan toch niet op een “bevrijding” uit.  Voor allen was het opnieuw: prikkeldraad, opgesloten zitten, koude barakken, vlooien, luizen, witte wormen, besmettingen van alle aard, de kwellingen zonder einde waarvan hij alleen kan meespreken die zo’n “tierische Zustand” heeft meegemaakt.  Het was tragisch het kamp van Sint-Kruis boven de doorbraak van de Nazi’s te moeten verkiezen, maar wij moesten verder zien.  Een Duitse overwinning zou voor ons als volk het einde betekend hebben.

Het gedwongen samenleven met anderen is een bron van voortdurende ongemakken.  Als ’s middags de deuren voor de avond en de nacht werden gesloten, begon het bestaan in de barak.

Wat intimiteit is leer je hier beseffen, waar je nooit één ogenblik alleen bent, waar je je nooit aan een gezelschap kunt onttrekken dat je soms op zo’n manier hindert dat je erbij vertwijfelt.  Ik stelde vast dat velen niet eens aan een moment van eenzame inkeer behoefte hebben, welk integendeel zulke ogenblikken schuwen, en zich liever in plompe luidruchtigheid uitleven.  Hoevelen konden zich bezighouden, al was het maar met een boek?  Ikzelf had mijn letterkundig werk waarvoor er tijd te kort was: ik had namelijk een toneelspel op het getouw gezet, waarvoor ik de stof al vroeger gevonden had, over de ouders van Rubens  –  het zou tot een uitgebreid filmscenario uitgroeien.  Af en toe diende zich een gedicht aan.  Het kon niet anders of het was een reactie op het onwaardig bestaan achter de prikkeldraad, een teruggrijpen naar zonnige dagen, naar intieme ogenblikken, het gedenken van te vroeg verloren geliefden, zoals in “Gedachten aan een overleden zuster”.

Mijn jongere zuster was mij naar de geest zeer nabij, en dat gevoel was een band van stilte en van schroom, onuitgesproken, maar wezenlijk en diep.  Het was in deze omgeving als een kostbaar bezit.


nvdr: Poëtisch dagboek, manuscript uit Sint-Kruis:

Gedachtenis aan een overleden zuster

Zo zat ik bij haar bed, en leed dewijl ik lachte,
ik lachte wijs en stil dewijl ik spraakloos leed ;
zo zat ik bij haar bed, als een die zwijgend weet,
die huivrend voor het eind, zit op het eind te wachten

o Dat zij sterven moest en toch niet wilde sterven,
en stierf, gelijk de zon in smartlijk avondrood…
Zo moest haar moe gelaat, gesloten in den dood,
bij ’t uiterste vaarwel, der doden vrede derven.

Want zij was eenzaam hier, zo mild, zo onvoldaan,
zij zag op kleinheid neer, en vond een klein bestaan,
alleen met haar gevoel in eng gedrang vernepen.

Hoe liet zij mij verweesd toen zij haar kroost ontviel,
zij meer dan moeder mij, volkomen zusterziel…
o Rover Dood, gij zwijgt, en ik ga onbegrepen !


De meeste mensen rondom mij wiste niet hoe hun tijd dood te krijgen, en dan werden feestavonden georganiseerd.  Soms werden door moedige voordrachtgevers behoorlijke avonden op touw gezet – misschien was dit voor hen zelf een middel om aan dit bestaan een zin te geven.  Meestal gaven gelegenheidszangers een cabaret- en café-chantant-programma ten beste.  Het meest gegeerd waren de rumoerige show-avonden waar de roerigste elementen aan het woord kwamen.  Een bepaalde kerel had er een specialiteit op gevonden: naakt, op een soort bananengordel na, voerde hij een keus van jungledansen uit, begeleid door het opgetogen gebrul van de aanwezigen.  In de Oudejaarsnacht werd er te middernacht een soort van spoken-stoet gehouden: het was of het gehele gezelschap in een staat van primitiviteit  was teruggevallen, en door een aanval van collectieve razernij was aangegrepen.  De stoet ging door de barak, er werd van alles meegedragen: eetketels, pannen, blikken bussen, en bij het uitstoten van dierlijke kreten, werd erop getrommeld dat horen en zien verging.  Bij dergelijke gelegenheden zocht ik met enkele anderen een hoekje van de barak op om de tijd op waardiger wijze te gebruiken.

Mij werd eens gevraagd of ik er niets voor voelde eens in de barakken “op te treden”.  Ik kon het met mezelf niet eens worden.  Verzen voorlezen voor een beperkt en ontvankelijk gehoor was één zaak – intieme poëzie te doen aanvoelen in een propvolle barak met zo’n gemengd publiek was er een andere – dat zou mij, zelfs voor een uitgelezen publiek niet toelachen. Nu waren de verzen die mij hier werden ingegeven eerder somber en smartelijk van toon – dat was dus zeker geen spijs voor opgeslotenen.  En om de slagzinnen uit te galmen uit de periode van strijd, dat zij en zeker de anderen vals in de oren klinken.  Ik zou tegen mijn hart moeten spreken,  en dat kon ik niet: eerst moest ik met mezelf in het reine komen, en dat vergde tijd.  Voor het ogenblik was ik te zeer ervan doordrongen dat tegenover de hardhandige bestraffing die ons ten deel viel, de opgewekte bezweringen uit hoopvolle jaren eerder romantisch en naïef zouden klinken.

Het was het begin van een evolutie in mijn denken die in de eerstvolgende jaren mijn opvattingen enigermate zou beïnvloeden.

Dat sommigen mij mijn kritische houding zouden kwalijk nemen, was voor mij geen reden om niet door te denken.  Wij moesten het hoofd koel houden.  De ineenstorting die wij beleefden was te tragisch: wij mochten niet nalaten er een les uit te trekken.  Wie zich niet door de tegenslagen laat beleren, begaat altijd weer dezelfde vergissingen.

Laat ik beginnen met voorop te zetten dat ik er hoegenaamd niet aan dacht iets prijs te geven van de stellingen die wij hadden bezet en verdedigd, wel was het mij erom te doen deze uit te bouwen en zelfs – om in deze krijgskundige beeldspraak te blijven – tot de aanval over te gaan.  Het leek mij door de feiten bewezen dat wij ons door een politiek hadden laten leiden die zich thans tegen ons keerde.  De oud-strijders die van het front waren teruggekeerd, hadden ons de haat van de staat en zijn organen, en niet het minst van het leger, ingeprent.  Wij hadden het aldus aan onze tegenstrevers overgelaten de gezagsposten te bezetten, en ze hadden het zonder slag of stoot kunnen doen.  Uit antimilitarisme hadden wij de mogelijkheid om officier te worden afgewezen – tijdens de mobilisatie had ik gepoogd die vergissing te herstellen, doch vruchteloos.  Voor de magistratuur trokken wij de schouders op: het was een fransdolle boel – nu stelden wij vast dat wij in de rechtszalen voor vijanden stonden.  Het hele staatsapparaat sloeg met al zijn machtsmiddelen toe.

Wij hadden het hun ook gemakkelijk gemaakt.  Met weinig vooruitziende argeloosheid had men ledenlijsten gepubliceerd, de adressen lagen voor het grijpen.  Wat is er niet bij allerlei mensen gevonden – bezwarende stukken die men had kunnen vernietigen, bewijsmateriaal zonder einde.  Met de invasie boven ons hoofd organiseerden wij bijeenkomsten, feestvieringen die geen zin meer hadden, en waar men van op straat vlijtig namen van aanwezigen konden gememoreerd worden.  Nu was het mogelijk massa’s mensen op te drijven: wij moesten dat alles machteloos ondergaan – een volk dat bloedde, en bloed vloeide er inderdaad.

Indien er ooit nog aan Vlaams-nationale politiek zou worden gedaan, zo oordeelde ik, dan moest men beginnen met minder belang te hechten aan vertoon, en meer in stilte, naar de diepte te werken.  Wij dienden positief aan de opbouw van de staat te denken, om de staatsorganen niet verder door volksvreemden te laten bezetten.  De verhouding van  magistraten  met  een Frans diploma is thans tot verbijsterende verhoudingen gestegen.  Razen tegen de staat, roepen “Voor ’t Belgiekske?  Nikske!” bracht ons geen stap vooruit: daaraan had ik altijd een hekel gehad.  De positieve politiek tijdens de bezetting ingeluid moest worden voortgezet.  De aankomende generatie had een belangrijker taak dan op straat te betogen: ijdel vertoon dat de vesting zelf onaangeroerd liet; de posten dienden bezet, zich daarop voor te bereiden was een dwingende plicht.  Zo vormden we de werkelijkheid naar onze wens – het was meteen een tactiek van welbegrepen zelfverweer.  In het zog van de voor- oorlogse strijd mocht niet meer worden gevaren.

Maar deze gedachte vond in de ontredderde gemoederen van de opgeslotenen geen weerklank: alleen voor een gevoelspolitiek van weerwraak waren zij toegankelijk.  Het kwellend besef van hun onmacht woedde een norse woede die onverwacht in daden omsloeg.

Er braken opstanden uit.  Wild weg uitgebroken, hardhandig onderdrukt – een wanhoopsdaad.  Die duizenden opgesloten mannen en vrouwen sloegen aan ’t muiten: zij verdroegen het niet meer.  Het ging hard tegen hard: zonder genade werd erop los geslagen.  Een der leden van de directie moest zijn hand laten verzorgen – zo had hij met de matrak gewerkt.  De rijkswacht kwam erbij te pas.  Degenen die als raddraaiers werden beschouwd kregen een speciale behandeling in de cel, toegediend door een tiental gendarmes.  Toevallig lag ik in die dagen in de ziekenbarak, en ik zag ze binnenbrengen, de jongens die de speciale behandeling hadden ondergaan.  Ik zie, nog altijd het vaal-groene gezicht van een jonge kerel die als T.B.-lijder stond aangeschreven.

Tijdens de periode dat ik in het magazijn werkzaam was, had het er zo gestoven, dat de mensen in een wilde golf van opstandigheid naar de prikkeldraadversperringen waren gevlogen, en de poorten hadden opengebroken.  Ze waren naar buiten gestormd, niemand had het kunnen beletten.

Ik keerde uit het magazijn naar de barak terug en zag de directie van het kamp, in het gezelschap van de gevangenisdirecteur van het Pandreitje, in groot uniform met veel gouden galons, die in een groepje de verwoestingen aanstaarden.  Had ik gewild, ik had rustig naar buiten kunnen stappen – de poort stond wagenwijd open  Maar waarheen kon je gaan?  Als een opgejaagde thuis verschijnen – als je zo ver geraakte?  Ik voelde daar niets voor, het lost niets op.  Meer dan eens had ik ontvluchten zien terugbrengen in het kamp: sommigen, na dagen en nachten in greppels, bosjes of achterbuurten, grauw van de honger, bont en blauw geslagen, zagen er nog nauwelijks als mensen uit.  Zij waren ten slotte blij dat ze weer in het kamp waren, hoe erg het er ook was.

Een advocaat die zich inspande om mensen vrij te krijgen, had eens, zo vertelde hij mij, een gesprek met de burgemeester van een Westvlaamse gemeente.  Het ging onder meer over Sint-Kruis, en de advocaat, die het weten kon, hij was ter plaatse geweest, vertelde terloops hoe er door al die mensen in het kamp werd geleden.  De katholieke voorman antwoordde: “Ze kun’ in Sinte-Kruis nie genoeg ofzien.”

Dat was de taal van de tijd.  Mijn goede moeder die haar nood ging klagen bij een pastoor-deken, moest het eveneens ervaren, en werd er met een weinig hoofse bejegening afgescheept bovendien.  Wij die “aan de zelfkant” leefden hebben het in die jaren ervaren hoe onverschillig de mens staat tegenover het lijden van de even-mens, wat zeg ik, hoe hij er zich in verlustigt anderen te zien lijden, of hij zich christelijk noemt of niet.  Je zou menen dat hij, die de ervaring van het lijden heeft opgedaan, eerder geneigd zou zijn de anderen dat leed te besparen.

Dat was, zo ongeveer, de gedragslijn die wij volgden als wij over onze belevenissen naar huis schreven: het gold bij allen als een ongeschreven wet dat er geen klaagtoon mocht aangeslagen worden, veeleer spanden wij ons in om een optimistische noot te laten doorklinken.  Een brief moest een blije gebeurtenis zijn, daarom was de gelegenheid om hoopgevende geruchten door te geven, de zogenaamde kwakkels inbegrepen.  Je geloofde daar zelf niet al te veel aan, maar je moest er soms om glimlachen.  Sommige mensen legden op dat gebied een virtuositeit aan de dag die verbluffend was, bepaalde berichten hadden de klank van de echtheid, en geen vogel vloog ooit zo snel als een “kwakkel”.  Het was dwaas, maar het had een humane zijde: het was een afleiding.  Intussen was dat “liegen om bestwil” in de brieven een corvee.  Het ging niet altijd van harte, maar het was voor de mensen thuis een hart onder de riem.

In 1945 werden, zoals hierboven gemeld, de schroeven plots aangedraaid.  Duitsland was bevrijd, de gevluchte Vlamingen werden uit hun schuilhoeken opgejaagd en naar België teruggebracht.  Ook de kampen waren ontdekt.  Wie de Duitse terreur had overleefd, bracht verhalen mee van massamoorden, gaskamers en andere gruwelen, waarvan ikzelf en de mensen in mijn omgeving nooit hadden horen spreken.  Het was een zijde van de bezetting die wij nu eerst in haar volle tragiek leerden kennen.

Dat de berechting in die dagen niet bijzonder sereen was, hoeft wel niet mee beklemtoond.  Een Belgisch minister van state, gewaagde van “un justice de rois nègres”.  Het instellen van uitzonderingsrechtbanken was al niet helemaal in de geest van de  grondwet;  het vonnissen krachtens  retroactieve  wetten was een aanslag op het grondbeginsel van alle strafrecht: nulla sine lege.  Was het maar daarbij gebleven … Het publiek in de rechtszaal eiste soms zelf de straf, en het was: de dood.  Zulks gebeurde tijdens het proces tegen mijn uitgever, de Vlaamse idealist, die niet langer dan ‘41 had gecollaboreerd, een zuiver politiek geval, een typisch “intellectueel” misdrijf.

De rechters spraken de doodstraf uit, zij konden niet anders.  Maar de straf was te zwaar in verhouding tot de feiten, ze werd dan ook spoedig omgezet.  De directie liet hem roepen om hem mede te delen dat hij begenadigd was – het was toevallig (?) het uur waarop men de veroordeelden komt zeggen dat de doodstraf uitgevoerd wordt.  Had hij het aldus uitgelegd?  Hij zakte levenloos ineen – het publiek had dan toch zijn doodstraf gekregen … Met diepe verslagenheid ontvingen wij het bericht – ikzelf was door het voorval zeer geschokt.  De naam van de schrijver was bekend, moest men hem dan mijn geschriften ten laste leggen?

Over mijn eigen geval hoorde ik maandenlang niets, toen kwam geheel onverwacht een nogal onbehouwen heerschap mij verhoren.  Ik moest vertellen wat ik aan letterkundig werk geschreven had, zelfs jaren voor de oorlog – dat scheen allemaal strafbaar.  Bij de ondervraging over zekere teksten, die ze links of rechts gevonden hadden, bemerkte ik dat hij het verkeerd ophad, maar liet niets merken.  Dàt kon nog hèt verhoor niet zijn.

Maar nu moest eerstdaags mijn zaak toch in behandeling genomen worden, dat voelde ik aan.  In die dagen van wachten geef ik er mij rekenschap van dat de belevenis in aantocht is die over mijn leven zal beslissen.  Het wordt gevangenis, dat is zeker.   Hoelang?  Kwellende vraag …  Als ik het niet overleef, heb ik iets van mijn leven terechtgebracht?  In “Hippalus”, geschreven op 28 september, wordt de vraag beantwoord, en vreemd genoeg, het is mij of dat antwoord mij door iemand anders toegefluisterd wordt, of is het de stem van het duistere onderbewuste dat meer weet dan ikzelf?

Waarom Hippalus?  Weet ik het?  Je zoekt niet naar een onderwerp, het dringt zich aan je op.  Het gegeven is helemaal de inkleding van een diepe ontroering, van een intuïtief gegrepen-zijn.  Een stuurman bestaat het, hij de eerste, met de Moesson te vechten: hij steekt in zee, men waant hem verloren: hij verdwijnt ook in het storm-weer.  Maar het vers eindigt op een akkoord van hoop en vertrouwen: zijn strijd, zijn zwoegen worden beloond: hij bereikt de Indus.

Het was het troostende bewustzijn dat op deze donkere tijden de gedroomde verten zouden opengaan – dit lijden was niet uitzichtloos, het was een daad.


nvdr: uit de bundel “Antilia”, 1951 met enkel gevangenispoëzie, “Hippalus” (aangepast voor heruitgave in 1971):


Het goede seizoen was voorbijgegaan; het zonnige weer had de opgeslotenen, na die eerste lange winter in de koude barakken goed gedaan, hier en daar was er nog iemand die met ongeneeslijke reuma geplaagd zat, ikzelf was gelukkig van mijn ischias afgeraakt.  De stok waarop ik bij het lopen gesteund had, mocht ik opbergen.  Dat was ook weer voorbij.  Maar nu hing de herfst in de lucht.  De scherpe geuren van het najaar kondigden het stervend jaargetij aan: dorre bladeren ritselden rondom de barakken.  Zou ik hier een tweede winter moeten doorbrengen?

Er stond geschreven dat het anders zou aflopen.  Er werd mij namelijk medegedeeld dat ik naar Hemiksem zou worden overgebracht.  Hemiksem …  Dat was nog verder dan Antwerpen: met het oog op het bezoek was dat een ramp: het betekende driemaal overstappen, een onmogelijk zware reis.  Waarom zo ver van mijn streek?  Daar waar de bevels gegeven werden, was dat van geen belang.

Wat Hemiksem zelf betreft, het was, zo hoorde ik een oude abdij die als concentratiekamp was ingericht – abdij en … concentratiekamp, het waren twee vreemde uitersten, maar het begrip abdij had geen zo’n ongunstige klank, en ik kon mij eniger-mate in mijn lot schikken.  Een abdij was in elk geval te verkiezen boven barakken.  Dat was, voorlopig, een troost.  Ik nam afscheid van mijn vrienden in het kamp met wie ik zoveel maanden, soms in de grootste menselijke nood, had doorworsteld.  Het leed is een sterke band, en heel wat lotgenoten kwamen mij ontroerd de hand drukken.

Ik mocht die laatste nacht in de barak niet meer slapen – wel in een apart hol, waar ik begrijpelijkerwijze niet veel sliep.  De volgende morgen, met de pols aan een ander gevangene geketend, werd ik onder de hoede van drie gendarmen – één voorop, en één aan elke zijde – met de dievenkar naar het station van Brugge gevoerd.  Ik zat daar ook in het gezelschap van een aantal boeven, over hun hoofd droegen zij een soort kaproen met twee gaten in voor de ogen.  Een passend decor.

Met moeite raakte ik, een zwaar valies slepend, de trappen van perron op.  Mijn armen waren slap en krachteloos.  Ik die destijds bij het leger twee man op de schou-ders droeg, kon nu met moeite mijn valies dragen, ik sleurde er dan maar aan zo goed als het ging.

Brugge!  Hoe dikwijls was ik hier met een opgetogen gevoel uitgestapt om langs e reien te gaan zwerven, om een uurtje met de Memlincs in het St.-Jansgasthuis door te brengen, om bij het graf van Karel de Stoute te gaan dromen wat ons volk had kunnen zijn, had het lot er anders over beschikt. Nu stond ik hier, verzwakt en vervallen, aan een onbekende geketend – ik, die voor de erfenis van deze stad in de bres had gestaan.

Terwijl ik daar tussen mijn bewakers te pronk stond, bemerkte ik dat een paar mensen mij heimelijk toewenkten: zij hadden mij herkend. Maar ik was te zeer onder de indruk om blijken van leven te geven.  Lodewijk Dosfel heeft ooit voor zijn rechters verklaard dat hij het als een eer beschouwde voor Vlaanderen geboeid te zijn.  Dat was een prachtig woord, maar dat ik het als een eer beschouwde hier met een keten aan de pols te staan, kan ik niet bevestigen.  De trein reed binnen.  Wij moesten in een propvol rijtuig opstappen, en geketend tussen de mensen gaan zitten.  De mede-reizigers schonken ons, merkwaardig genoeg, niet veel aandacht.  Misschien was het de angst die meesprak, een van de gendarmen droeg een mitraillette, en dat riep al dadelijk een atmosfeer van burgeroorlog op.  En dan mannen die met een keten aan elkander geklonken waren, ja dat moesten zeker gevaarlijke boeven zijn, gestapo’s misschien, of, wie weet, moordenaars.

In Brussel moesten wij overstappen.  Toen ik aangemaand werd om op te schieten, kon ik niet anders dan zeggen dat het niet ging.  Die drukte, dat lawaai, ik duizelde ervan: ik kreeg mijn zware koffer niet meer van de grond.  Na één jaar Sint-Kruis, weigerden mijn spieren alle dienst.   Eén van de gendarmen bemerkte toen mijn naamkaartje dat aan het valies gehecht was: daar stond nog op (een overblijfsel uit vroeger dagen): F. V., advocaat …  Hij fluisterde iets tot zijn chef, waarop deze zich naar mij wendde: “Ik maak U los, maar probeert ge te vluchten, ik schiet!”  Ik glimlachte berustend – vluchten?  Ik hield mij nauwelijks op mijn benen recht.  Ten slotte moest mijn begeleider toch nog zelf de koffer dragen.