Leeswijzer

Niets houdt de lezer tegen om meteen te beginnen aan de briefwisseling (menu “Een liefdesjaar in brieven”), de kern van dit verhaal. Ook zij die onze protagonisten van ver of nabij kenden zullen zich misschien daartoe laten verleiden. Liefdesbrieven hebben die aantrekkingskracht. En deze brieven zijn sterk genoeg om ze te lezen zonder duiding. De liefde laat zich immers niet binden aan plaats noch tijd: zij is eeuwig, onveranderlijk.

Toch wil ik hier een pleidooi houden die nieuwsgierigheid te bedwingen en een zachte aanloop te nemen, en de brieven pas aan te snijden als ze klaar zijn om met dezelfde hartstocht gelezen te worden als waarmee ze geschreven zijn. Want het kader waarin ze het licht zagen voegt een belangrijke en diepere dimensie toe aan het begrip ervan: ontrafelen waar die hartstocht en vastberadenheid om de reis samen verder te gaan vandaan kwam, alsof het een voorbestemdheid betrof waar niet aan te ontsnappen viel. De overweldigende rol die het tijdskader speelt en de voorgeschiedenis van beiden dragen daar zeker toe bij. Zie daarvoor het hoofdmenu “Voorgeschiedenis

Ook de rol die kunst in het algemeen, en literatuur en muziek in het bijzonder in deze brieven speelt is een niet te onderschatten factor die de lezer uitnodigt om zelf te gaan grasduinen in alle geciteerde werk en op ontdekkingsreis te gaan.

De brieven getuigen ook van een zekere etiquette die ons in deze tijd bevreemdend voorkomt, maar past in de leefwereld van de hoofdrolspelers (waar de vrouwelijke geliefde het wel eens moeilijk mee heeft).

Het is ook een leraar/leerling verhaal: zij kijkt op een bijna aandoenlijk onderdanige en bewonderende manier op naar haar grote beminde, zij gaat in de leer, onderwerpt zich, stribbelt dan weer tegen, het klinkt en botst soms, haar ontboezemingen, in tegenstelling tot de zijne, zijn soms heel emotioneel, een fragment (uit haar brief van 17 oktober):

“Ik huiver om die eigen vreemde wereld die losbreekt in me soms, zeer heftig soms, maar je bent er met je rustige woord. Ja, leer me jouw wereld gans ontdekken de eindeloze tocht naar jou gebied, mijn tijdeloze! Al weet ik me soms zó klein naast je vooral sinds zoveel nieuwe facetten van je werkvermogen me nog dieper hebben ontroerd. Hoe heeft de Heer mij begenadigd dat ik jou ontmoeten mocht en je “mijn” noemen mag! Jij brengt mij alles wat ik ooit kon verlangen. Jij hebt elke droom verpersoonlijkt in jou. Hoe zal ik je steeds liefhebben in een algevend gebaar van alles wat ik heb en alles wat ik ben, toch weet ik dat je nooit alleen mij zult behoren, er is het dwingende gebied van de kunst die je mint, ook dit gebied zal ik begrijpen als jou “weerbeeld” en het aanvaarden in het glas van jou schepping!”

Wat we ook niet mogen vergeten is dat wij, in deze tijd van hoogtechnologische communicatie en de snelheid ervan, ons nog moeilijk kunnen voorstellen hoe het voelt een brief (en zeker een liefdesbrief!) te schrijven op papier, zorgvuldig die brief te plooien en in een enveloppe te bergen (soms met een heerlijk begeleidend parfum…), die brief te gaan posten, enkele dagen te wachten en verlangend uit te kijken naar het antwoord dat de postbode hopelijk snel in de brievenbus zal deponeren: om de haverklap naar die brievenbus buiten lopen en het deurtje openen… zal er een brief zijn van haar/hem? Wij zijn het geduld dat verlangen voedt verleerd, wij kennen de smaak er niet meer van. Maar wat we niet verleerd zijn is de hartstocht, die kennen we, die herkennen we, die voelen we nog steeds. (1)

Tenslotte, zoals vermeld in de “Prelude”: ik werd uit deze liefde geboren. Wat ik over deze brieven schrijf is dus noodzakelijk subjectief en gekleurd. Het gaat om mijn vader, het gaat om mijn moeder. Het weze mij vergeven wanneer hier en daar mijn emoties het overnemen. Toch heb ik zoveel mogelijk geprobeerd een zekere afstand te bewaren, ik schrijf over hen als “Nand” en “Sim”, laat ik mezelf dan een “betrokken” toeschouwer noemen.
Deze brieven boden mij de gelegenheid mijn ouders op een nieuwe manier te leren kennen. De hartstocht die uit de brieven spreekt heeft mij verrast. Ik ervaarde tijdens mijn tijd met hen wel een diepe en warme vriendschap tussen beiden, een verbond dat vooral uitgedrukt werd in woorden (en soms rake humor en ironie): moeder die bij het voorbijgaan vader, zittend aan tafel, zachtjes bij de schouders nam, waarop hij dan, wat melancholisch (of was het nostalgisch?) voor zich uitstarend telkens Shakespeare citeerde: “to me, fair friend, you never can be old, for as you were when first your eye I ey’d, such seems your beauty still” (2), soms droegen beiden, bewust dramatisch declamerend, het in koor voor, om dan in lachen uit te barsten.
Maar de passie, zeker ook de lichamelijke, die in deze brieven ademt heb ik bij hen zelden ervaren.  Of toch niet openlijk. Dat past ook wel bij hoe vooral mijn vader daarover dacht: intimiteit en zeker seksualiteit horen thuis in de privésfeer en zijn ondergeschikt aan “ware liefde” die zich uit in zelfbeheersing:

“Liefde is niet een zaak van het gevoel alleen, geen gemoedsbeweging die aan geslachtelijke verkeer genoeg heeft (voor de meesten is het echter zo)… Ware liefde is veeleisend. Zij vergt tucht, inspanning, zelfbedwang”, schrijft hij in zijn brief van 4 december.

Na verloop van jaren sliepen mijn ouders trouwens apart. Vader trok zich dan terug in zijn atelier en had er een slaapbank (zijn “divan”). Hij was een onrustige (luidruchtige!) slaper, gekweld door “de stemmen in zijn hoofd”, en veel van zijn literaire arbeid vond plaats tijdens de nachtelijke uren.
Pas als hij op het einde van zijn leven bedlegerig wordt zal Sim twee éénpersoonsbedden naast elkaar plaatsen in de woonkamer gelijkvloers, zodat ze, na zoveel jaren gescheiden slapen, opnieuw de nachten delen.

Los daarvan is er dan nog het verleden van mijn beide ouders voor ze elkaar leerden kennen.

In de literatuur over de culturele collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt mijn vader in dit verband “een boegbeeld” genoemd, vaak met het epitheton “verbrand”. Het is één van de grillige eigenaardigheden van het lot dat hij ook daadwerkelijk ‘verbrand’ is, in letterlijke zin dan: mijn moeder liet hem na zijn overlijden cremeren, wat allerminst zijn wens was. Maar ze stelde dit ondergeschikt aan een nog grotere wens van mijn vader, nl.: begraven te worden op het kerkhof bij het Onze-Lieve-Vrouw Ter Duinen kerkje bij de zee te Mariakerke, waar ook James Ensor begraven ligt, een plaats die mijn vader zeer dierbaar was (hij kende Ensor trouwens persoonlijk ) (3).
Op haar vraag antwoordde de gemeente Oostende echter dat deze omgeving beschermd was, en dat er dus geen nieuwe graven konden gedolven worden. Daarom koos zij voor een tussenoplossing door hem te laten bijzetten in het familiegraf op het  ‘Paster Pype Kerkhof’ te Oostende, bij zijn ouders en oudste zus én bij de zee. Dit kerkhof grenst aan de Wellingtonrenbaan, en je voelt er het waaien van de zeewind. Vele graven staan gerijd in lange gangen, deels boven-, deels ondergronds. Maar ook hier rees een obstakel: omdat daar geen plaats meer was voor een grote kist (zijn vader was als laatste bovengronds bijgezet), bleef als ultieme optie dus een urne over die nog net kon geplaatst worden vóór zijn vaders kist, vandaar dus die crematie…
Mijn vader rust dus aan de voeten van zijn vader.

Het was niet mijn bedoeling een wetenschappelijk werk te schrijven over mijn ouders, dat laat ik over aan specialisten. Evenmin wou ik hen benaderen vanuit hun gepubliceerde werk (poëzie, proza, schilderkunst). Wat mijn vader betreft is daar trouwens al heel wat over terug te vinden (Wikipedia, Schrijversgewijs, BelgiumWWII, etc.). Ik wou vooral een beeld schetsen over de mensen achter de historische feiten. Daarom laat ik vooral henzelf aan het woord, in brieven, dagboeken, tekeningen, foto’s en herinneringen die vaak meer dan 70 jaar geen daglicht zagen. Misschien kan deze benadering een aanvulling betekenen voor eventueel toekomstige studies.

Om al deze redenen herhaal ik mijn pleidooi voor ‘een zachte aanloop’ naar de brieven, met het geduld, inzicht en doorzettingsvermogen dat zo eigen is aan hun ontstaan. Om de toestand van de protagonisten te begrijpen op het moment van de eerste ontmoeting is er daarom een erg uitgebreid hoofdstuk “Voorgeschiedenis”.

Inzicht in het menu van deze site:

De hoofdpagina van dit blog “Home” geeft een overzicht van de inhoud, die je nog eens terugvindt in de menubalk. Door op de items in de menubalk te klikken wordt het gekozen thema afzonderlijk weergegeven.

Het menu “Over” leidt je naar de schrijver over deze levens, mezelf dus, en hoe je kan reageren.

Het menu “Leeswijzer” (waar je nu bent aanbeland) is een inleidende beschouwing over hoe en waarom ik dit verhaal naar de lezer breng.

Het menu “Voorgeschiedenis” is zeer uitgebreid en behandelt de levensperiode van beide protagonisten vooraleer zij elkaar leerden kennen, van bij hun geboorte (Nand in 1906, Sim in 1919) tot de kennismaking op 5 augustus 1950, het moment waar beide levenslijnen definitief samenvallen. Het is opgesplitst in twee nieuwe menu’s: het submenu “Nand” en het submenu “Sim”, die op hun beurt verder leiden naar verdere hoofdstukken. Daarin komen beiden zelf aan het woord via brieven, dagboeken, herinneringen en/of memoires over deze periode.
Interessant is bijvoorbeeld het Celdagboek van Sim dat ze dagelijks bijhield en dus dicht bij haar emoties en aanvoelen staat in deze tijd.  Ook Nand kijkt op dezelfde periode van gevangenschap terug (“Ridder Dood en Duivel”), maar doet dat pas 20 jaar later: een tijdsdeken dat de rauwe emoties wat verzacht. De schrijver draagt nu de bril van iemand die meer weet dan toen, hij wikt, weegt, kiest en omkadert de feiten die hij wil verantwoorden.

Het is dus belangrijk dat je tijdens het lezen aandachtig bent wanneer een bepaald document over een specifieke periode geschreven is: hoe meer afstand daartussen hoe minder nog geraakt kan worden aan de oorspronkelijke emotie. Zo verschilt bijvoorbeeld Sims weergave op latere leeftijd over haar gevangenschap van de gevoelens die uit haar dagboek van toen blijken.

Veel van de ideeën, kunstvoorkeuren, opvattingen en (maatschappelijke) standpunten uit deze periode kan men later ook terugvinden in de Liefdesbrieven.

Het Menu “De Zingende Ziel der Dingen” is het centrale menu, met daarin verschillende submenu’s:

Het submenu “Voorspel: Het Tuinfeest” gaat nader in op die bewuste zaterdag 5 augustus 1950, dag van de eerste ontmoeting.

Het submenu “Een Liefdesjaar in Brieven” is het tweede belangrijke menu. Alle liefdesbrieven  (de kern van dit verhaal) zijn hier verzameld in de volgorde waarin ze geschreven zijn, dus de oudste eerst. Bij de afzonderlijke brieven moet je dus de knopjes ‘vorige’ en ‘volgende’ omgekeerd interpreteren, daar kan je ook bij elke brief reageren. Na iedere brief schrijf ik onder het kopje “Commentaar” verduidelijking bij aangehaalde citaten (literatuur, poëzie, muziek, kunst in het algemeen) of bij persoonlijke biografische achtergronden. Dit menu heeft ook nog de apart blokjes “Inleidende Beschouwingen” (een “smaakmakertje” , “Overzicht alle liefdesbrieven“, de 100 brieven chronologisch geordend en “Annotaties” waar je een beknopt overzicht vindt van alle commentaren bij elke brief afzonderlijk.

Het submenu “Huwelijksleven” beschrijft algemeen hoe het verder liep met de geliefden. Nand bouwde verder aan zijn kunstenaarschap, Sim begon enkele jaren voor het overlijden van Nand aan een autobiografische roman, toen Nand verzwakte werd dat een dagboek, en na zijn overlijden schreef ze honderden brieven aan haar overleden geliefde.

In het submenu “De diepere ziel der dingen” probeer ik de persoonlijkheid van de hoofdrolspelers te doorgronden zoals die naar voren komt in hun briefwisseling Tevens sta ik stil bij mijn eigen verhouding tegenover mijn ouders die, voor ik hier aan begon, toch wat dubbelzinnig was ( is dat nog steeds zo?). Tenslotte beschrijf ik het ontstaansproces van dit project, het hoe en waarom, de moeilijkheden en de twijfels, de hulp die ik hierbij kreeg.

Het menu “Sitemap” geeft een aanklikbaar overzicht van de site op één pagina waar alles gegroepeerd staat mocht je de weg kwijt geraken

Het menu “Gastenboek” onderaan spreekt voor zichzelf. Reacties, suggesties, verbeteringen, etc. welkom.

Nog een woordje over de spelling waarin Nand en Sim schrijven: ik heb er bewust voor gekozen daar niets aan te veranderen om de authenticiteit van hun brieven en herinneringen te bewaren. In Vlaanderen werd in 1946 een spellingshervorming doorgevoerd (meest opvallend was het weglaten van de dubbele medeklinker en de uitgang “-sch”, zoals bv in “mensch” of “zooals”). Met de spellingshervorming van 1956 werden ook de naamvallen afgevoerd (bv: “den romantischen nacht”) en werd het “Groene Boekje” de maatstaf. De latere hervormingen (1995, 2006) zijn hier niet van toepassing, behalve natuurlijk waar het brieven en documenten betreft van latere datum (bv hun memoires). Ook heb ik de ‘eigenaardigheden’ in hun taalgebruik zoveel mogelijk bewaard (bv: neologismen, aaneenschrijven, plaats en uitzicht van leestekens, etc.)

Tenslotte: het zal de lezer opvallen dat ik (soms overmatig) beroep doe op de Wikipedia bibliotheek. In de eerste plaats doe ik dat vanuit een zekere gemakzucht: het is een eenvoudige verwijzing die me telkens een lange uitleg bespaart. Maar ik besef ter dege dat deze digitale wereldbibliotheek geen ‘evangelie’ is dat de waarheid in pacht heeft. “Quot homines, tot sententiae”…

Zoals ik hierboven al schreef: het is niet mijn bedoeling een wetenschappelijk, academisch werk te schrijven met diep uitgespitte bronnen. Wat niet betekent dat ik de bronnen waarnaar ik verwijs niet op hun betrouwbaarheid nakijk. Ik ga er vanuit dat de geïnteresseerde lezer wel voor zichzelf kan uitmaken waar leugen begint en waarheid eindigt (of vice versa). Ik sta open voor suggesties, verbeteringen (taalfouten…), nieuwe bronnen, enz.

Om naar de hoofdpagina van de website “Antillia” te gaan (= mijn schoolproject in opbouwfase) klik hieronder op het karveel:

(1) Een gedicht dat dit mooi verwoordt is “Eerste Liefdesbrief”  van Armand Van Assche (1940-1990)

“De brieven slapen nog
met hun lippen verzegeld
maar ik lig allang wakker
als de postbode komt
de kleppen van zijn tas opslaat
en gevleugelde woorden loslaat.
Op mijn tenen loop ik naar de bus
en leg mijn oor dicht tegen haar aan.
Ik hoor leven bewegen
tussen de regels,
gewriemel, hartkloppingen;
ik hoor een klapzoen
en een klein hart
in een lichtblauwe omslag.
Voorzichtig betast ik
de halfopen lippen van de brief
en word even rood
zo rood als een postbus
en plooi dan open,
helemaal in de wolken
zwevend op mijn verliefde vleugels.”

(2) William Shakespeare, Sonnet 104:

To me, fair friend, you never can be old, 
For as you were when first your eye I eyed, 
Such seems your beauty still. Three winters cold 
Have from the forests shook three summers’ pride, 
Three beauteous springs to yellow autumn turned 
In process of the seasons have I seen, 
Three April perfumes in three hot Junes burned, 
Since first I saw you fresh, which yet are green. 
Ah, yet doth beauty, like a dial-hand, 
Steal from his figure, and no pace perceived; 
So your sweet hue, which methinks still doth stand, 
Hath motion, and mine eye may be deceived: 
For fear of which, hear this, thou age unbred: 

Ere you were born was beauty’s summer dead.

(3) Tijdens de wandelingen van vader die hem naar de dijk te Oostende voerden, ontmoette hij soms James Ensor. De begroeting verliep steeds op dezelfde manier:
Ensor: “Goedendag meneer de dichter” (waarop Ensor zijn hoed afnam en beleefd een kleine buiging maakte, leunend op zijn wandelstok). Mijn vader antwoordde even beleefd met een hoofdknik: “Goedendag meneer de schilder”, waarop zich dan meestal een hartelijk gesprek ontwikkelde over koetjes en kalfjes.
Nand zou hem later gedenken met het gedicht “Bij het graf van James Ensor”, hij ligt nl. begraven te Mariakerke naast het kerkje van “Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Duinen”, een plek waar hij in zijn jeugd vaak ging wandelen (zie ook zijn “Jeugdherinneringen”). Hij betreurde de restauratie van de omgeving:

(deze scan uit de verzamelbundel “Deltaland”, Vlaamse Pockets, Poëtisch Erfdeel der Nederlanden P79, Uitgeverij Heideland-Orbis, Hasselt, 1973, oorspronkelijk verscheen het gedicht in de bundel “Land aan het Zwin” uit 1961)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *