Zaterdag 4 november Nand Gedicht “Kruisdraging”

KRUISDRAGING
Bij het doek door Jeroen Bosch

Het grijnzend grauw geniet waar gij zo moeizaam schrijdt,
verzonken in uw leed, de ogen moe geloken;
– gekroond met doornen, gij, en onder ’t kruis gebroken,
die lijdenden geneest en om een wereld lijdt!

Hoer giert U in ’t gelaat het liederlijk gespuis:
de deern, de boef, de beul, de gore Farizeeuwen;
gij hoort hun vuigen mond hun veilen laster schreeuwen,
en draagt, alleen, en stom, uw wonden en uw kruis.

o Man die ’t volk bevrijdt, zo snood door ’t volk versmaad,
God’s reine Zoon, bespuwd, gedreven langs de straat,
hoe boet gij voor uw troost in geile beulenhanden!

Zo vindt de godsgezant die louter liefde leert,
die zegent wie hem haat en zonder haat regeert,
drie nagels en een kruis alop den berg van schande.

Herinnering aan den herfstdag
toen wij stonden vóór het doek
te Gent.

(handschrift Sim in potlood: “gekregen reis naar Gent”)

Dinsdag 7 november Nand 34ste brief

Gistel, 7.11.50

Liefste,

De schone en intieme Maandag  in de Scheldestad die je mij hebt geschonken doet mij mijn vertrouwde omgeving enigszins vreemd aanvoelen. De groene specht (hij heeft een rood mutsje als jij ..) de roodborst en de ekster zoeken te vergeefs mijn aandacht te trekken. Mijn ogen volgen achteloos hun bewegingen ; het is nog Scheldelucht en vergezicht die om mij blijven hangen .. Kranen knarsen, ertsblokken knetteren in de spoorwagens .. Ik zie een scherp gesneden boeg, een bleek, uitheems gelaat aan een patrijspoort van een roestige kombuis.. Een kleurige schouw, een uit-geschuurde dek, een onrustig fladderende vlag .. hoe kan dat alles verlokken. Jij ook hebt het gevoeld, nietwaar? “Mon enfant, ma soeur .. songe à la douceur, d’aller la-bàs, vivre ensemble ..” Ik sluit hierbij in: een versje uit dezelfde drang geboren, het is in de gevangenis geschreven, maar het werd gericht aan haar die ik later “wellicht eens lief zou hebben”, dus aan jou, Liefste mijn ! Het zegt wat ik herhaaldelijk in het leven ondervond, en wat wij nu ook beleven : lijden maakt het geluk schoner en dieper .. Het is niet nodig naar verre vreemde kusten te stevenen om te weten wat geluk is: het ligt binnen ons bereik. Laten wij het grijpen. Laten wij leven naasteen, zoals wij schreden door de hoge stilte van de Boekenbeurs langs de vele kleurrijke boeken als langs zoveel opgetogen aangezichten. Boven ons Mozarts wiegelied, naast mij mijn geliefde, zacht meeneuriënd .. Liefste mijn, laten wij ons leven schrijven als een schoon nieuw boek: een zonderling ontroerend verhaal waaruit het laag bij de grondse gebannnen is, maar waarin toch gretig en bloedwarm leven klopt, dat alle hunkeringen in alle vervullingen  kent ! Het was mij een grote voldoening te zien hoe je geboeid was daar, en dus genoot van Cocteau’s hooggestemde (en soms haast burleske) film. Wij moeten ons bestaan afstemmen op fijne, zeldzame dingen, ons voeden met de gedachten en de verbeeldingen van hoog-begaafden, zij die meer mens zijn dan de anderen, d.w.z. meer “geest” zijn, die zijn tegenover de meesten wat een kamerorkest is tegenover een dorpsfanfare (ai, die Sint-Jansvrienden! Arme beuzelige Claes met zijn “succes”!) Hoe heb ik die paar uren in de bios naast je en van je genoten, mijn levende, warme, zijde-zachte lief ! Zo zie ik je, zo heb ik je sedert mijn jeugd gezien, dus sedert mijn geboorte (en ik schrijf met jou “van alle tijden”), als mijn “alles”, de levende belichaming van al het schone dat ik ooit puurde uit het bestaan, de honing uit de wonderbaarste bloemkelken die de bedwelmende mede der dichters is. Bedwelm mij, lief, altijd, laat mij aan jou drinken als aan een broos gesneden zomer. Laat mij hevig van deze aarde zijn en hevig de aarde ontstijgen. Laat mij elke zoete lijn van je lijf als een zachte deining in mij voelen bewegen, draag mij, verhef mij, maak mijn geest licht, bevrijd mij opdat ik blijve
jou Nand

Konden wij reizen, gij en ik,
o geliefde mijn,
verre van nood en pijn,
op een broos getuigde brik
of een blanke brigantijn,
dan zouden wij saam, wij beiden,
de bevende zeilen spreiden
en stevenen, vredig en vrij,
de deemstering voorbij.

Aan een morgenlijke kust
zouden wij ’t anker haken,
en zalig ontwaken
smarten onbewust.

Louter azuur en zon-verloomd,
een blauw blazoen met goud doorboomd
glanst hier de zee: de aarde
met ooft en sappen mild,
bloeit welig wild,
in rood-koralen gaarde
praalt de bedaarde
rijk geschubde vis.
De nachten geuren bloemenfris.

Maar ach, wat zou geliefde mijn,
zonder nood, zonder pijn,
onze liefde zijn?
(in ’47 voor jou geschreven)

Woensdagavond 8 november Sim 35ste brief

Woensdagavond 8/11/50.

Beste Nand,
Zopas binnengekomen met een blij geluksgevoel de ganse dag. Je brief zal ik morgenvroeg pas ontvangen; een tegenvaller dat hij niet met de avondpost toekwam. Je telefoon van gisterenavond verheugde me ! en, wat me nog meer verheugt is dat ik je bezoeken kom, zelf; wat zeg je ervan indien ik reeds vrijdagavond toekom ? Zaterdag is het toch 11 Nov. Ik kom dan rechtstreeks vanuit Antwerpen over Dendermonde toe. Misschien zal je me morgenavond nog opbellen om te weten waar en wanneer ik je ontmoeten zal, (telefoneer liefst na 8 uur ik moet ’n lange dag uitwerken morgen.)
Na al deze zakelijke mededelingen, wens ik je een goeie avond, Nand, daar waar ik je nader weet en waar ik reeds naar de rustige intimiteit van je studio verlang, bij je. Ik weet dat het er me meer huiselijk stemt dan hier in dit eigen huis waaraan je me zacht maar zeker onttrekt elke ontmoeting wat heviger en dieper. Ik legde een hele weg af sinds 5e augustus. Het is goed dat ik er eenzaam kan overschouwen en weten hoe “anders”  je me reeds leerde zien, ik ben er gelukkig om al weet je hoe moeilijk ik het je soms maak. Wat is het heerlijk door jou te worden geleid, en langs jou met jou deze nieuwe wereld te mogen betreden te ontdekken jouw eigen wereld! Ik dank je en vergeef me mijn al te trage intrede.
Ik schrijf je wel zeer onsamenhangend, niet waar, Nand? Maar mocht je steeds uit mijn luttele brieftekst dit altijdkerende gevoel waarnemen hoezeer ik naar je verlang immer intenser en verhevener beide.
Ik zoen je goeie nacht voel je het koortsige gloeien van mijn hoofd?

Je Liefste

Maandag 13 november Nand 36ste brief

Gistel den 13.11.50.

Liefste,

Ik ben gisteravond als het ware dooreengeschud thuisgekomen. Na de schone heenreis door het zonnige herfstlandschap, het intiem glaasje in Asse en het studentikoos afscheid, moest ik, zoals telkens, de gruwzame terugtocht te midden van luidruchtige zondagvierders ondergaan. Wee mij ! Ik was gelukkig hier uit te stappen en langs nacht-zwarte wegen in weer en wind het open land te bereiken, en het eilandje van intimiteit (heel wat minder intiem nu jij er niet meer was) te betreden. Buiten woedde stormwind in de hoge bomen, onverschillig en angstwekkend als de machten van het leven die ons zo vijandig bejegenen, en die wij zo onophoudend moeten bevechten .. Jij bent niet meer  hier .. Ook mijn huisgenoten voelen het gemis. Jij vermag – als je eraan denkt je vlagen van overspanning uit den weg te gaan – bijzonder lief te zijn, en warmte en aanhankelijkheid uit te stralen. Mijn moeder, eenzame vrouw tussen twee eenzame, gesloten mannen, was zeer geroerd door je drie zoentjes, en spreekt er gedurig over ! .. Ik heb zoeven je jongste brief herlezen. “Zakelijk” is hij van toon en toch heb ik hem wellicht het liefst. Hij getuigt voor bezinning en een zelfkennis die je anders zelden laat blijken. Deze woorden zijn oprecht – en dát weet ik te waarderen. Ik geef mij er goed rekenschap van dat de gevangenis jou heeft vervormd. Maar daar is toch altijd middel tegen. Ik blijf geloven dat je geen zwakkelinge bent, noch een oppervlakkige ijdeltuit. Elke ietwat begenadigde mens kan tot op zekere hoogte meester worden over zijn karakter : dat wij veel pijnlijks met enige inspanning kunnen wegwerken, daarvan ben ik overtuigd. Wij moeten elkaar daarin helpen. Je begint, denk ik, nu te beseffen wat ik je destijds schreef: dat er moed en wil nodig is om gelukkig te zijn. Het geluk ligt ons, door een zonderlinge teerlingworp van het lot, binnen bereik, zonder een gebaar van onzen kant zullen wij het echter niet verwerven : het leven geeft niets voor niet, geluk wil aangegrepen worden. Alles wordt eenvoudig, het is waar, voor wie lief heeft, maar dan nog dient gekampt. Liefde is afstand doen. Eergisteren, als ik je vergeefs vroeg mij wat te laten rusten, had je toevallig een handschrift van mij in handen, een novelle die juist dit uitzicht in de liefde bezingt. Eigenlijk ben ik van Paulus’ bekende tekst uitgegaan: “liefde is mild, verduldig, zij zoekt zichzelve niet” enz. Groot is, mijns erachtens, deze liefde die zonder omhaal van woorden, overal en ten allen tijde merkbaar is. Een grote liefde is te lezen uit kleine attenties. Dit is, ik weet het een ideale voorstelling, maar idealen voeden ons op tot grotere volkomenheid, en ik wenste dat onze liefde zo volkomen mogelijk zou zijn – anders is het de moeite niet waard. Doch zij gerust, ik maak er je geen verwijt van dat je te “traag” in mijn wereld “intreedt”. Dat is heel normaal, gezien ik zeer naar binnen gekeerd ben, en glimlach om het dwaas gedoe der mensen. De moeilijkheden spruiten uit de onvolkomenheden in je opvoeding, en de gevangenis heeft jou zeker zo gekneusd en ontwricht dat je gemakkelijk je evenwicht verliest. Maar daar is uit jou iets goeds, iets heel goeds te maken en ik geloof dat het de moeite loont het te voltooien. Help mij, ik zal jou helpen, en wij zullen ervaren, zoals niemand voor ons, wàt liefde is.

Je Nand