Opstellen / Rapport 1935-1940

“Stellen” behoorde tot de beste vakken van Sims tijdens haar regentaatsjaren. Ook voor Latijn en Tekenen behaalde ze hoge punten.
Het archief van de school bezorgde mij haar rapport uit 1938, Aspirant Regentessen “Letterkundige afdeeling”.
In totaal verzamelde Sim 593,5/730 punten (= 81,3%), op een haar na eerste van de klas (de “O” betekent “Onderscheiding”). 

Sims opstelschrif (21x17cm), met erg “beduimelde” rand:

Sim maakte zelf een inhoudstafel van alle opstellen die ze schreef tussen 1936 (17 jaar oud) tot 1940 (regentaat, 20 jaar oud), het zijn er 37. Bovenaan links schrijft ze: “Houzee!”, als titel: “Opstellen [Voor ‘t geestelijk en ‘t Dietsch ideaal!]”. De datum ’40 in potlood geschreven verwijst waarschijnlijk naar drie latere titels die zijn bijgevoegd onder nummer 37 en niet meer op school werden geschreven of niet werden ingediend.
In de marges in potlood (verticaal) zijn sommige opstellen geordend:
links: 1 tem 13: “17j. Voorber. Regentaat ’36-’37″/ 14 tem 15: “18j.”.
Ook de beoordeling wordt vermeld met “ZG” (Zeer Goed”), “ZD” (Zeer Degelijk?), “ZGD” (Zeer Goed en Degelijk?).
De nummers 9, 13 en 33 zijn examenopstellen. Alle opstellen werden geschreven aan het Heilig-Hartinstituut te Heverlee. Commentaren en verbeteringen door de zuster-leerkracht. Hieruit blijkt dat Sims ontluikende talent onderkend, gewaardeerd en gestimuleerd werd.

(Ook uit 1935 zijn er enkele opstellen, deze zijn niet opgenomen in deze inhoudstafel)

Opstellen (genummerd naar inhoudstafel):

32. 1 juni 1939. Sim schrijft hier onder de titel: “Laatste Opstel!”, ze bedoelt hiermee: laatste opstel van dit schooljaar (1938-1939). De titel is een citaat uit het gelijknamige gedicht van René De Clercq (1877-1932).

Heverlee St Franciskus – den 1sten Juni 1939

Daar is maar eén land, dat mijn land kan zijn

– Avondmijmering –
laatste Opstel!–

Heer, deze dag is gegaan zoo heel anders dan de vorige dagen –

Gij weet hoe nu in vele menschenharten een late rust geboren wordt een stijgend zuiver gevoel dat ons machtig-teer overweldigt en ons ietwat weemoedig maakt, lijk bij elk verwachten naar een groot geluk –

Een dag onder Uw hemel doodgewenteld; laat me staan nog, een wijle, en denken, en droomen; want deze avond is heilig als begrijpt hij het offerend afscheid aan momenten, van innigen peis; die nooit zullen keeren –

(marge commentaar: “‘k Had liever ‘gevouwen'” / “Waarom neemt U ze niet in tegenovergestelde orde?” / “‘k Hoorde hier al zoo graag S. zelf, ‘t zou stellig even hartelijk en daarbij heel wat poëtischer klinken!” – De leerkracht bedoelt met de laatste opmerking dat ze het poëtisch talent van Sim hoger schat dan het aangehaalde citaat)

We hebben vreugde en leed gekend;
en werden begrepen of sarrend gehoond.
We hebben gelachen en geschreid,
en krampachtig de handen gewrongen;
of stil ze vereend in kalme berusting –
We zouden Uw wil doen Heer; ook dan als we nukkig niet bidden wilden, en lachten met oude verlangens.
Heer – we hebben veel vreugde maar ook leed gekend –

We werkten in het land waar Gij ons liet geboren worden; In een belofteland aan een droomende zee – door vreemde handen zijn we losgescheurd van onzen broederstam en – we beminnen hem, Heer!
We beminnen hen; en in de morgenhymne ruischt ons gebed naast den roep van den opgang:
“Geen armoe in den staat,
Maar arbeid in de staat,
Komt broeders, vecht voor onze staat
De wereld zal het hooren.”

(marge opmerkingen: “Dan pas zien we klaar niet? ‘Over alle werelden en over alle menschen wenkt me, God!'” / “Waarom worden het geen paarden?” / “Ook dàt is Schoonheid van God!” / )

en toch is deze avond zoo wonderbaar gekomen – ik heb de wereld overschouwd: het land van God – ik herken geen land meer en geen rassen; geen zeeën en geen naties, maar al de menschen broeders, en allen bannelingen –
– O God, die boven elk verlangen van ons harte ziet en ons allen begrijpt –
– Gij die weet, hoe in ons strijd en offer steigeren als vurig-jonge krachten.
– Gij die weet, dat we bezwijken in den strijd en schreien bij het offer; en dat we alleen maar bidden kunnen in oogenblikken vol ongekende weelde.
Ik wil dat in den avond nu ieder mensch gelukkig zijn zou, dat al de oogen dezer nacht de sterren vinden zouden – dat handen zich vouwen in een behoeftige bêe
Ik wil dat elke pijn verdwijnen zou door den vrêe der berusting.
Laat me nog eénmaal verbeiden het groote verlangen, want morgen wordt de herinnering geboren.

Laat me nog eénmaal zingen het groote eeuwige lied, dat zoovelen voór mij reeds zongen, want de avond is zacht en ‘k hoor het ruischen van witte waden; ik voel de koelte van zuiver zegenende handen op mijn oogen – op mijn deinende gedachten.
Laat nog eénmaal mijn begeerte stroomen, gulpen, als een wijd-bedwelmenden vloed, door de avondvlakte van wachtende zielen. Vloed van de liefde die alles geeft aan allen –
Ik wil de vlammende jacht uit me heen drijven, ‘k wil dat de nacht zindere van wondere beloften – Annunciatie van ene nieuw geluk aan ieder mensch.
Ieder mensch keerend naar zijn land.
Het land van liefde!

en ‘K hoor stemmen stijgen uit de avondlijke lucht en… glijdend langs de nachtcoulisse gaan gedaanten over ’t wereldtoneel… hun lippen bloeiend in de liefde.
De zeeman met den fellen zeewind om zich heen en in zijn diepe oogen den verren eeuwigheidsdrang, als droeg hij immer met zich mee de ruime vergezichten van de eindelooze zeeën. De zee; zijn land en zijn bruid, in haar ziet hij de einders weerspiegeld van het land van God –
en –
Den landman met den geur der oktoberaarde langs zijn hooge koningsgestalte, met op het bruin gelaat een blonden zonnelach.

– en –
Den zendeling wit in de witte zon en heel zijn groote offerziel, bloeiend in de avondwijding.

– en
voort schuift de stoet, en de stemmen stijgen – –
De menschen hebben elkaar ontmoet in den nacht en uit den sterrenhemel zindert den liefdegloed van God, uit het land; dat alleen het land kan zijn van ieder mensch: Het land van de liefde! –

Heer deze dag is gegaan, zoo heel anders dan de vorige dagen, onder Uw bescherming en de veilige richting van Uw stuwende hand.
Laat me staan nog een wijle en denken – droomen en bidden want deze avond is heilig als een offerend afscheid aan innige momenten
Ik zie alleen nog op Uw witte handen parolen geplant – en fel zindert nog eenmaal, het vurig verlangen voor twee idealen van mijn hart:
Voor het land van mijn volk aan een droomende zee.
Voor het land van Uw wenkende einders
Leer me gaan naar het land van Uw liefde Heer!
Leer me gaan naar het eeuwige Dietschland!
Leer me gaan, nog dragend en verlangend door al mijn dagentochten heen, de twee idealen van mijn hart –
– De avond is heilig als een offerande –
‘K zal gaan naar Uw land! –
mijn land – –

Sim – donderdagavond –

(slotcommentaar: “‘k Hoop dat mijn voorzegging zal verwezenlijkt worden, S.; en moge God dan genieten bij het nagaan van uw levens-werken, lijk ik heb genoten bij het nakijken van uw opstellen!
Heverlee, den 10den Juni, 1939”)


17. 29/01/1938 Sim zal in Celdagboek 1 verwijzen naar de opmerking in de marge van Zr Geraldine: “Geluk, Geluk… een teeder ding / Veel brozer dan herinnering!”

Heverlee, den 29sten Januari 1938

„De hoop op God wandelt door den nacht”

Ik zou je iets willen vertellen, maar de schoone verhalen zijn zóó oud, dat hun teerheid breken zou, in den twintigeeuwsche doeining… Het is een sprookje misschien, het heeft een waas over zich van bruine boekengeur, want ik weet dat je houdt van “alles wat héél ver is en héél schoon”.
– Een sprookje is een ijl verlangen.
– Dit sprookje is een verlangen!
Het is oud, zeg ik, want ik vond het in een lijvig boek met sloten, de bladen waren dun en geel, de groote letters verbleekten, als verschrikt in ’t klare daglicht.
De pernten erin waren die van oude mannen met lange witte haren en zachte kinderoogen.
Het sprookje is oud… en toch heel nieuw… modern!
Je wilt niet meer verder, want je houdt niet van zulke sprookjes en… toch hen ik het voor je gaan zoeken, klein menschenkind…
…………………………..
In een heel ver land woonde een Koning Helig. Hij was een goede vorst en zijn onderdanen leefden gelukkig. Maar geluk is zóó broos, en het onheil sterk…
Het gebeurde dat die machtige koning zijn zoon Hardwig moest wegsturen naar den vijand, wiens wereld lag achter de wouden en zeeën van zijn land, en de hoop hem nog eens terug te zien was gering, want de vijand was sluw en stout…
De kleine Hardwig werd wakker aan een boschkant, de zon ging onder in purperrood, – ei, dat had hij nooit gezien, in zijn land ging de zon nooit onder, hoe veel schooner zou dit land zijn! – Kijk hoe vlug die roode kaatsbal verdween, hij zonk ginds ver in den stroom, en het water werd, rozigblauw, goud en groen. Hardwig stak zijn kinderhand er in… en ’t vloeide tusschen zijn smalle vingertjes weg; dat bedroefde hem… allengs schoten de kleuren sluiers van den stroom weg, de lucht werd eenparig grauw… de avond viel, in het duistere bosch begon de nachtelijke gang.
– Wat was dit alles vreemd. Hardwig voelde de kille zwartheid op hem neerkomen. – Maar zie boven in de zwartheid kwamen er schitterende gaatjes. Ze pinkelden, lachten, al zonnetjes en tusschen hen allen blekt er een grooter nog, net een koperen zonnetje, dacht Hardwig. Hij zag niet de holheid en de zwarte spokende gestalten welke het maanlicht al blekkende schiep in ’t groote woud…- zie een zwarte sluier trok over de sterrenhemel. Hardwig ontnuchterde en voelde het groote heimwee naar zijn land van licht; en plots over de stroom zeeg een klaarte neer, een innige berusting kwam over hem, hij voelde het ruischen van zijde, als een koelte over zijn hoofd.. dát moest iets zijn van zijn land…
…………………………………………..
De dagen gingen den tragen gang van verlangen en Hardwig zwierf rond in het vreemde land. Hij liep langs de straten, ontmoette de vreemde koude gezichten der menschen, de kinderen jouwden hem uit, vrouwen keken achterdochtig naar zijn haveloos plunje en zijn  magere gestalte.
Hij bedelde langs vermolmde deuren en langs die waar een hooghartig bediende hem met een snauw doorzond… maar ’s avonds, in het bosch, wachtte hem de lichtend groene gestalte, het was zijn troost, een herinnering aan een ver dromenland.
Eens, toen hij moe van zijn dagelijkschen tocht, neerzat bij den boschkant, hoorde hij gedempte stemmen van naderende menschen, hij luistert naar ’t ijselijk plan der twee boosdoeners… kasteel… feest… moord… even is er strijd geweest in Hardwigs hart ginds verre die liefdeloozen, ze verdienen ‘t.
Weg sluip hij langs de heesters het bosch door, het landgoed ligt er in den nacht met zijn feestvirende bewoners, langs de hooge ramen schettert de roode vreugde in den avond. Hardwig staat een oogenblik later met hijgende stem in de feestzaal, niemand gelooft aan zijn woord. Hij ziet de weelde, de bedwelming van ’t genieten. Hij ziet de wellust in hun oogen. Ze vragen hem om mee te doen, want hij staat er schoon, met zijn fonkelen oog in ’t bleeke gelaat,… daar schuift opeens de groene zgening langs zijn klamme voorhoofd, en als de schijn voorbij is, staat Hardwig reeds in den nacht, gelukkig en blij als een spelend kind…
…………………………………….
Hardwig is vroeg oud geworden, zijn leven was een strijd, maar telkens die het hevigst werd is het heldere licht hem voorbij getogen, en heeft hij sterk gestaan in het land van den vijand.
En op een zachten najaarsmorgen, als de bruin-gele bladeren walsten over den boschdreef, toen is het heerlijke gebeuren gekomen; uit de nevelige morgensluiers over den stillen stroom, trilde de groene gestalte, en Hardwig is met haar meegegaan, naar het schoone groote land. Daar stond zijn Vader met reikende armen, en de groene schim verdween…
En toen Hardwig zijn werdervaren vertelde, en het wonder van iederen nacht, heeft hij in zijn vader de reddende kracht erkend.
………………………………………
Hier eindigde het sprookje dat al zóó oud is en toch zóó jong.
De hoop op God gaat immer met je mee, Godskind, door je strijd en je vreugd.
Hoop op Hem alleen!
Die alleen Hoop is.


 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *