Hemiksem Abdij Herfst 1945 Interneringscentrum

Huidige toestand, rechts de Schelde (Google)

Sint-Bernardusabdij (Hemiksem):  “…Het gebouw werd vanaf 1811 gebruikt als maritiem hospitaal. In 1821 verbouwde de Antwerpse architect Pierre Bruno Bourla de abdij tot een correctionele gevangenis met grote slaapzalen. Er verbleven 1554 mannen, 457 vrouwen en vele kinderen. Vanaf 1867, toen slaapzalen uit de mode waren en werden vervangen door aparte cellen, werd het complex gebruikt als militair depot. Vlak na de Tweede Wereldoorlog werd het gebruikt als interneringskamp voor collaborateurs. Van 1948 tot 1977 werd het opnieuw door het leger gebruikt. Sinds 1977 stond het leeg.
Sinds 1973 is het gebouw beschermd, en werd door de gemeente aangekocht in 1988. Na een restauratie van de west- en oostvleugel bevinden er zich nu een administratief centrum en serviceflats. In de noordvleugel bevindt zich het heemkundig museum.
Op de terreinen naast de abdij vond van 2004 tot 2013 jaarlijks in augustus het gratis vierdaagse festival Casa Blanca plaats.”

Toestand der gebouwen voor restauratie in 1988:

Meer foto’s van voor de restauratie via “Inventaris Onroerend Erfgoed


H E M I K S E M

Vermoeid zoals ik het nog nooit in mijn leven geweest was, doodop is niet te veel gezegd, werd ik op het auditoraat in Antwerpen afgeleverd.  Daar moest ik uren zonder eten of drinken zitten wachten – het deerde mij niet meer, ik was als verdoofd.  Gevangenen werden in en uit geleid.  Wij keken elkander stom en begrijpend aan: er waren geen woorden voor wat wij doormaakten.

Toen stapte daar plots een oude bekende binnen, een vriend van de universiteit, een dokter, van wie een professor eens gezegd had: “une intelligence supérieure”.  Hij was hier ook in deze mensenmolen terechtgekomen.  “Optimist tot in de kist!” zei hij …  Dat was ook bijna het geval, jaren zou hij zitten met de doodstraf boven het hoofd – hij kreeg dan het zeldzaam voorrecht het bezoek van zijn vrouw en zijn kinderen in een kamer te ontvangen.  Maar elk bezoek kon ook het laatste zijn.  Dat moet elk afscheid onmenselijk wreed hebben gemaakt.  Hij had nochtans een steekkaart bij de S.D. met de vermelding: “politisch unzuverläszlich”.

Met troostend gebaar voorspelde hij mijn straf: “Tien jaar krijg jij, zei hij zakelijk, “dat is voor zoiets het tarief.”   Tien jaar – het was lang genoeg.

Tegen de avond werd ik voor een auditeur gevoerd, die mij voor de vorm een paar vragen stelde.  Hij pakte uit met gedichten van voor de oorlog in “Kulturdienst” opgenomen – zou ik moeten boeten voor alle gedichten in een of ander tijdschrift overgedrukt?  Het leek wel of het op zoiets zou uitdraaien – telkens werd ik als “medewerker” voorgesteld.  “Gij hebt U ver gewaagd,” zie de auditeur met harde stem.  Hij wist niet hoe waar dat was: de Duitsers hadden mij met de Feldgericht bedreigd, zo ver had ik mij gewaagd om Vlaanderen zaak te dienen.  Maar ik antwoorde niet.  Ik mocht gaan.

Er stond een vrachtwagen klaar voor Hemiksem, met een groep anderen werd ik opgeladen, en wij reden weg door de schemering.

Ik had niet het minste idee wat Hemiksem was.  Ik zou het vandaag nog weten.  Een groot en somber gebouw, dat niets had van een abdij, en alles van een vesting, die uit de avond spookachtig opdoemde.  De gebouwen stonden huizenhoog rondom een binnenplein, en daar zag je vierkantig afgetekend een stuk van de hemel.  Een tijd lang als kazerne gebruikt, droeg het de sporen van de ijzerbeslagen soldaten-laarzen.  Nu had het killige gebouw een ander bestemming gekregen: het huis van gebed was een oord van kwelling geworden.

Terugdenkend aan Hemiksem, zie ik een troosteloos binnenplein waar de opgeslotenen, twee aan twee en in stilte altijd in dezelfde kring ronddraaien. Boven het gebouw hangt een loodgrauwe lucht, als het gebouw zelf niet vervaagt in een ijzige mist.  Uit de schoorstenen slaat bij elke windstoot de weeïge geur van brandende spriet naar beneden, je wandelt er letterlijk in de rook.  Deze rook draag je  mee naar  binnen in je kleren,  je eet ervan,  je drinkt  ervan,  je wordt  er misselijk van.  De “behandeling” begint al vroeg – bij het opstaan.  In ijltempo word je naar een donkere gang gefloten: daar staan grote tinnen schotels op de vloer.  Je moet je vlug, vlug, vlug wassen, (voor het voetenwassen was dit de enige gelegenheid …) en dan vlug, vlug, vlug, plaatsmaken voor een volgende ploeg, die dan vlug, vlug, vlug kwam aangelopen, zich vlug, vlug, vlug waste … en zo verder.

Als ik aan Hemiksem terugdenk, zie ik vooral het bezoekhok.  Dat was net groot genoeg om erin te staan.  Aan een zijde was een opening van 30 bij 20 centimeter met kippegaas afgesloten; als je daardoor keek dan bemerkte je iets verder nog zo’n opening eveneens met kippegaas dichtgespijkerd.  Daarin zag je dan in een schemerlicht, het aangezicht van de bezoeker.  Hoelang duurde dat bezoek?  Een paar banale vragen en antwoorden, de gezondheid en zo, de groeten van die en die, een paar nieuwsjes, van beide zijden en vleugje geveinsd optimisme, en het was over – een kwartier, misschien twintig minuten.  En daarvoor moest mijn oude vader van Gistel over Oostende, Brussel en Antwerpen naar Hemiksem komen.  Nee, er was niet veel opbeurends aan zo’n bezoek – eerder een kwelling te meer.

Dat alles moest ik nog ervaren.  Die eerste avond was als indruk ruim genoeg.  Het was: wachten, gezicht naar de muur.  Na enige verwarring – een plaats in dit overbevolkte gebouw leek moeilijk te vinden, werd ik naar een grote en sombere zaal gelijkvloers gebracht.  Daar stonden twee groepen lange tafels met een gang ertussenin.  Aan de tafels, op lange banken zaten duistere gestalten: de opgeslo-tenen.  Mij werd op een van die banken een plaats aangewezen, de anderen schoven nors op, en machinaal kroop ik in de vrijgekomen ruimte.  Met mijn breed lijf en lange benen  was het alles behalve  prettig zitten,  te meer daar je hele hebben en houwen onder de tafel moest staan, wat telkens weer een grabbelen en tasten naar je  spullen meebracht.  Ik had een boek uitgehaald, maar zelfs van lezen kwam niets in huis, de letters bleven dode tekens – met een verstompte geest en afgematte leden zat ik als versuft tussen mijn geburen.  “Je moet het gewoon worden,” fluis-terde mijn gebuur, “dan was het niet zo erg meer.”

Het gewoon worden …  Het was er altijd donker, het rook naar vochtigheid en schimmel, een echte kelderlucht.  Een kennis van me, een paar dagen later eveneens voor het proces Volk en Staat was overgebracht, zou het ook moeten “gewoon” worden.  Zonder “één woord te kunnen uiten, met de tranen in de ogen, staarde hij wrang voor zich uit; hij was beschaafd en fijnvoelend man, en eerder een opgewekte natuur …

Wij waren de enigen van Volk en Staat in deze sombere middeleeuwse refter.  De anderen zaten bijeen op de verdieping, waar overdag tenminste wat zon kon binnendringen.  Daar heerste, naar ik later hoorde ook een andere geest.  In onze zaal bleken vooral “werkers” te zitten, en dit betekende dat ’s morgens, en na het middagmaal een heel deel van de bewoners voor allerlei corvees in de keuken en elders geruisloos verdwenen.  Een bezigheid was hier dus een zegen – sommigen geraakten met hun ploeg tot buiten de muren, dat waren de “gelukkigen”.  Voor diegenen die in de zaal bleven was dat ook een hele opluchting, zij kregen meer armslag, konden al eens aan een ander tafel gaan zitten, wat ook een zekere afzondering en dus een schijn van intimiteit meebracht.

Echte intimiteit was er nergens, zelfs niet op het W.C.  Het privaat was het tegendeel van … privaat.  Van de zaal was een kleine ruimte afgescheiden, daar had men enkele bidons gezet, van het formaat voor vuilnisbakken gebruikelijk.  Daar moest je, gezellig onder elkander op gaan zitten, liefst met pijp of sigaret om opvallende redenen.  Algemeen waren de voorste het meeste in trek, want wie achteraan moest plaats nemen kreeg een panorama van achtersten te zien en, om Shakespeare te citeren, “the demesnes that there adjacent lie”.  Sommigen schenen dat “gewoon” te worden, anderen niet.  Ik hoorde tot deze laatsten.  Menselijke waardigheid was wat anders.

Verzwakt en ondermijnd als mijn gestel was (het eten kon ik niet naar binnen krijgen) bracht ik er zwarte dagen en ellendige slapeloze nachten door.  Ik kreeg slaappillen voorgeschreven, maar dat hielp weinig of niets en maakte mij nog misselijk op de koop.  Het waren dagen van wrange eenzaamheid te midden van gesloten en wrokkige mensen, ten slotte even eenzaam als ikzelf.  Het is de tijd waarin de eerste regelen van “Het Schegbeeld” worden neergeschreven – literatuur?  De oningewijde heeft misschien die indruk, in werkelijkheid is het intens beleefde tragiek, met beeld-spraak verwoord weliswaar, maar toch hartebloed.  Zou dit bestaan dat wij nu al een jaar hadden doorworsteld, zich in de eerstvolgende jaren even smartelijk, even uitzichtloos aandienen?  Ook het gedicht eindigt op een vraag – er is geen antwoord, alleen de stilte van de angst.

Aldus gaargestoofd moest ik, met de vrienden van “Volk en Staat” naar Antwerpen om verhoord te worden.  Het kostte mij een gehoorde inspanning om mijn gedachten bijeen te houden, daar de invloed van de slaappillen zich bij voorkeur … overdag deed voelen.  Het overbrengen op zichzelf was niet bijzonder opwekkend.  Het ging in een bestelwagen, waarin je noch staan noch zitten kon.  Je moest er ruggelings in stappen  met  voorover gebogen  bovenlijf,  en zo werden  dan de anderen eveneens ruggelings naar binnen geschoven, de een in de schoot van de andere.  Het was merkwaardig wat een volk op die manier kon vervoerd worden – maar je werd het moeilijk “gewoon”.  Ons moest blijkbaar geen enkele vernedering worden bespaard.  Uit dat karretje kwam je half vertikt tevoorschijn, voor mij die bijna de twee meter haalde, was de rit een kruisweg – al deed je maar of je het geval met humor opvatte.

Mijn dossier was een lijvig pak geworden.  Alle liederboeken en tijdschriften die verzen van mijn hand hadden opgenomen waren er vertegenwoordigd; verder brieven en kaartjes links en rechts gevonden, uitzendingen van de Zender Brussel, door de collega’s-verzetslieden van de Zender zorgvuldig weggemoffeld om ons te kunnen treffen, een handvol artikels van “Volk en Staat”.  Over dat alles werd ik tot in den treure “ondervraagd”.  Ik had gepoogd mijn houding te verklaren als een daad van Vlaams verweer, het werd onverschilligweg opgenomen, het was duidelijk dat als een smoesje beschouwd werd ik heb dan maar verder aan dat verhoor niet veel belang gehecht.

Niet zonder verbazing stelde ik vast dat k voor een soort van directeur gehouden werd.  Aan de teksten waren echter nog de administratieve stroken gehecht – het kostte mij geen moeite om te bewijzen dat ik helemaal onderaan de indrukwekkende hiërarchie stond, als gewoon referent.  Het bedrag van mijn maandloon was al welsprekend genoeg: 3750 fr.!  En toch was deze activiteit mijn eigenlijke broodwin-ning – voor “Volk en Staat” had ik slechts een paar artikels per maand geschreven, en dan nog veelal in de kunstrubriek.  Daarbij was ik er in ’42 uitgetrokken omdat een werk van mij, “Ask en Embla”, op een ergerlijk oppervlakkige manier was “besproken”.  Dat  maakt  dat  ik  hoogstens  een  paar  jaar  aan  het blad had medegewerkt.  Men had mij bij het proces “Volk en Staat” betrokken omdat er naar een zekere verscheidenheid gestreefd werd, en ik had een bekende naam.  Het viel niet mee dat ik bij de Zender evenmin als bij “Volk en Staat” iets in de melk te brokken had.

Na de ondervraging wenste ik van mijn verklaringen kennis te nemen, maar dat scheen niet in goede aarde te vallen, en het zou dadelijk blijken waarom.  Tot mijn niet geringe verbazing vond ik een verklaring helemaal anders opgetekend dan ik ze afgelegd had, en wel zo dat ze tégen mij getuigde.  Had de griffier mij verkeerd ver-staan?  Wie zou verklaringen afleggen die op een zelfbeschuldiging neerkwamen?  Ik heb dan maar niet meer aangedrongen, ik achtte het beneden mij.  Later zou ik mij nog over andere “vergissingen” verbazen, zoals eerling zal blijken, maar dan was er geen twijfel mogelijk.

Het had mij reeds getroffen dat het bezorgen van de Fotoalbums mij als een verwerpelijk misdrijf werd ten laste gelegd.  Het gold hier toch een belijdenis van Vlaams zelfbewustzijn in een tijdsgewricht dat alles op losse schroeven stond, een daad van nationale fierheid in bezettingstijd.

Hoe dan ook, ik hoopte voor de krijgsraad mijn houding in een gunstiger daglicht te kunnen stellen – uiteraard zou ik mij daar grondiger kunnen verantwoorden.  Ik was al blij dat dit verhoor afgelopen was: op het matje te worden geroepen is voor niemand een pretje.  Geschriften te moeten verklaren uit een heel andere conjunc-tuur, die nu per definitie als misdadig aangerekend worden, dat is onbegonnen werk.  De vormen voor de censuur in acht genomen, om andere, wezenlijker dingen te kunnen  zeggen,  gelden  vanzelf  al  als  bezwarend  materiaal.  Er  hing in dit muffe lokaaltje met de weeïge zoeterige walm van Engelse sigaretten, een geladen atmosfeer.  Misschien was dat te wijten aan het feit dat een auditeur niet alleen onderzoekend magistraat is, maar tegelijk als openbaar ministerie optreedt – twee functies die bij een normale strafprocedure gescheiden blijven.

Dat ik juist tijdens dit verhoor in die sombere “abdij” ondergebracht was, maakte de zaak niet prettiger.  En dan was daar dat reisje heen en terug met dat gezellig bestel-wagentje, dat, indien mogelijk, de hel van Hemiksem nog akeliger maakte.

Wat zal de goede heilige Bernardus, met zijn kinderlijke godsvrucht tot de Moeder Gods, de bezielde prediker van de tweede kruistocht en doctor mellifluus, gedacht hebben als hij uit de hemel bemerkte dat dit huis van stilte, naar hem genoemd, een oord van verschrikking geworden was …  In het christelijke Westen is er blijkbaar plaats voor verrassende uitersten.  De zoetgevooisde leraar vergeve ons de weinig vleiende epitheta die wij ons in verband met die licht- en luchtloze zalen veroor-loofden, waar wij op onze harde britsen zoveel slapeloze nachten doorbrachten.

Een bericht had mij verheugd: dat het gebouw dicht bij de Schelde lag.  Met de Schelde was altijd een stuk Vlaamse romantiek verbonden geweest.  Als ik maar nu en dan op de bovenverdieping kon geraken, en een blik op de stroom werpen, zou dat het een en ander goedmaken, zo dacht ik …  Tot ik eindelijk op een grijze, nevelige dag eindelijk voor de Schelde stond.  Het was laag tij.  Tussen twee glimmende modderbermen kronkelde een waterader, vuil als de modder zelf.  De “machtige, prachtige vloed gaf hier een beeld van wat ons leven geworden was: modder en nevel, daar tussenin was het laag tij, schoof al wat overbleef van een opgetogen droom.  En het ergste moest nog komen.  Doodstraffen waren goedkoop, de knal van de vuurpelotons ging telkens als een schok door al die overbevolkte kampen en gevangenissen, gelukkig hij die er met een jarenlange opsluiting afkwam.

Maar precies in die donkere dagen beleefde ik een moment dat ik tot de zeldzaamste in mijn leven reken.  Na een afstompend lange dag in het auditoraat werden wij in de “abdij” ontscheept.  Op het binnenplein was het al avond, maar hoog boven ons hoofd, vierkantig door de zwarte daken van het gebouw afgetekend, straalde een sterrenhemel zoals ik er nooit een gezien had.  De hemel was niet zwart, maar violet-blauw.  De sterrenbeelden schitterden met een luister en een kracht dat hun licht op ons afstraalde.  Het was een ontzagwekkend gezicht.  Wat had ons lijden, onze hoop te betekenen onder de afglans van de grote onverschillige eeuwigheid?  In deze dagen van verguizing vooral, nu wij hier als uitgestotenen samengedraven waren, Vlaamse onaanrekbaren voor wie niemand nog een vinger uitstak – en wie niets anders te wachten stond dan jaren lijden?

Als verpletterend nam ik mijn plaats aan de tafel in.  “Zwaaigen!”  Ik was thuis.  Maar de aanblik van die sterrenhemel had mij over alle leed heen weer in voeling gebracht met een wereld die boven kwellingen, auditeurs, krijgsraden en tutti quanti uitrees.  Ik was zeer jong, een student, en uit de verten van die argeloze jeugdjaren hoorde ik een stem, de opgetogen kreet van Ernest Psichari: “Qu’il est beau le ciel, vu du rivage de la terre.  J’ai la permission formidable d’être un homme!”  Het deed goed die stem te horen.

Meer dan één jaar was ik opgesloten.  Tot dusver hadden wij van de mens niet veel goeds ervaren.  Maar de mens, dat was toch iets anders dan een on-menselijke repressie, dan gevangenissen en vuurpelotons, dan bloed en tranen.  Dàt was één zijde, de minst verkwikkelijke, het had meer van de wolf dan van de mens; aldùs mens te zijn was wel geen groot voorrecht.  Werkelijk mèns zijn dat was naar de sterren op te zien, en met dat licht bestraald, tot de evenmens te gaan in goedheid en schoonheid.  Zo te leven, was in mijn studententijd mijn diepste verlangen geweest, dit verlangen zou weldra uitgroeien tot het grote gedicht Rama Yantra, nu gebundeld in “De Gouden Helm”.


nvdr: voor het gedicht “Rama Yantra”, zie de pagina “Celjaren. Aantekeningen in de marge – gevoelens“.


Hier, in het sombere Hemiksem, was het nog ongeboren, wel had ik het een en ander in die zin geschreven, wellicht zou het blijven getuigen ook al zou ik dit verworpelingen-bestaan niet overleven.  Eén van die werken “Ask en Embla”, het episch gedicht, destijds in de Leopoldskazerne te Gent aangevangen, dat vijfentwin-tig jaar onopgemerkt bleef, werd inderdaad dezer dagen in de uitzending “Anthologie” van de B.R.T. besproken.  Had ik dat toen kunnen voorzien, het zou een grote vreugde geweest zijn – maar het was niet te voorzien.  Hoogstens kon ik vertrouwen in Hölderlins hoopgevend woord: “was bleib stiften die Dichter”.

Mijn oude vader moest bijna de hele dag op trein en bus doorbrengen om mij hier te komen bezoeken en vers linnen te brengen.  Hij bracht niet alleen dat pakket, eens bij het afscheid sprak hij een kort en kranig woord: “Je moet je niet laten in de hoek duwen!”  Hij had het niet over de zware reis, over de vermoeinis: hij maande mij aan voet bij stuk te houden.  Het was een schoon woord.  De man had zelf ondervonden wat  het  was  Vlaming  te  zijn.  Het was in de Eerste Wereldoorlog, toen wij in Engeland verbleven.  Belgisch patriot als geen, hield hij er niet meer uit, en zege ons, zijn gezin, vaarwel om als oorlogsvrijwilliger zijn land te gaan dienen.  Hij kwam terecht in het beruchte kamp van Auvours, waar de primitiefste toestanden heersten, waar niets anders dan Frans werd gesproken.  Na zijn opleiding werd hij naar Kales over-geplaatst, waar hij, een geboren zeeman, de plaats moest ruimen voor heel wat minder bekwame fils-à-papa’s, die toevallig franssprekenden waren.  Hij is er nooit overheen geraakt – hij had ervaren wat het was Vlaming te zijn.  Nu moedigde hij mij aan; hij had in zich nog de vlam, het ontroerde mij.  Maar hij mocht gerust zijn.  Ik wist dat ik iets te redden had: al hetgeen ik nog niet gezegd had, en onvoldragen in mij voelde gisten.

Het was het ogenblik om de raad te gedenken die de gewezen procureur mij in Brugge gegeven had: “U moet U goèd verdedigen!”  Al stond ik kritisch tegenover de gevoerde politiek, ik zou mijn woord niet eten, mijn geschriften waren zoveel getui-genissen, zij zouden voor mij spreken.  Onze bedoelingen waren zuiver geweest, wij hadden werkelijk gestreden voor ons volk en zijn taal, openlijk, en tegen de richtlijnen van de bezetter in.

Eind november mocht ik, met de vrienden van “Volk en Staat” Hemiksem vaarwel zeggen.  Ik had mij erover verheugd, maar het was om naar een ander oord van kwelling overgebracht te worden, de slecht befaamde celgevangenis van de Begijnenstraat in Antwerpen.  Het proces “Volk en Staat” zou eerlang voorkomen.