1940-1944 Dagblad “Volk en Staat” en diverse publicaties

Tussen juni 1940 en juni 1944 verschenen er 21 publicaties van Nand in het dagblad “Volk en Staat”., waarvan 4 gedichten (“Mijn volk wordt groot”, Ordewoord”, “De Man” en “Doodenklank”).

Het vonnis in beroep vermeldt o.a. deze artikels als bezwarend:

+ “Onze volksche oorspronkelijkheid” 26 november 1942:

+ “Letterkunde en nationaalsocialisme” 8 januari 1942:

“Wij beleven een wereld-omwoelend tijdsgewricht.
De menschen maatschappij wordt naar volksche beginselen heringericht; de volkeren vinden zichzelf, in het nationaalsocialisme ontdekken zij hun eeuwige bestemmingen weerom. Naar buiten wordt het levensrecht der volkeren naar organische rangorde herzien; naar binnen herleeft het waarachtig besef der persoonlijkheid, die in de vruchtdragende spanning tusschen enkeling en gemeenschap haar begrenzing en haar vrijheid onderkent. Het heele gebied van het leven wordt door deze wedergeboorte bestreken. Sociale verhoudingen, ekonomie, alles wordt door de politieke levensbeschouwing die nationaalsocialisme heet hervormd – ook de kunst, de letterkunde.
Hoe nu ook de litteraire strafrechters, die in allerlei bladen en blaadjes zetelen, erover oordeelen: het nieuwe Europa is een feit, daaraan zullen zij niets veranderen. De nationaalsocialistische beweging, gedragen door het V.N.V. baant voor Zuid-Nederland den weg naar een vervulling waaraan alle volkeren van het Avondland deelachtig worden. Het legt wezenlijk de grondvesten der toekomst.. Wanneer er dan in het kampblad van het V.N.V. een lans gebroken wordt voor een kunst die volledig levensbeschouwing uitbeeldt waarvan het Verbond het kampgelid vormt, dan is dit vanzelfsprekend. Even vanzelfsprekend is het, dat menschen, die in het verleden immer tegen het V.N.V. hebben gestookt en hun partij vooroordeelen niet kunnen ter zijde stellen, nu nog, spijts de duidelijke taal der feiten, volharden in hun kleinsteedsche verbittering en de groote omwoelingen van dezen tijd niet willen erkennen. Zij leggen aldus de afmetingen van hun persoonlijkheid bloot: een treurige middelmaat. Het is kenmerkend voor den middelmatigen mensch, dat hij zich angstvallig aan de verworvenheden van het verleden vastkampt, en alle nieuwe geluiden, alle voorvechters, met kleinmoedigen argwaan bejegent. Het V.N.V., stoottroep der volksche ridderschap in Zuid-Nederland, heeft niet omgezien. Dragers der toekomst weten dat zij op gefluit der middelmatigen worden onthaald. Het heeft geen belang : baanbrekers zijn meesters over den tijd.
Op het gebied der letterkunde ontwaren wij gelijkaardige verschijnselen. Kritici met gevestigde faam bestreden in naam der kunst (in werkelijkheid in naam van hun politieke overtuiging) het volkschpolitiek gedicht; zij betoogden dat langs den weg van het volksch nationalisme geen vernieuwing van de kunst mogelijk was. Er waren < grenzen > aan de poëzie. Het strijdend volksch geluid viel buiten deze grenzen. De kunst ten onzent, de literatuur vooraan, oordeelde nog geheel naar liberalistische begrippen, en brandmerkte als verval wat in wezen de kunst van het avondland voor ontaarding zou redden.
De tijdsomstandigheden deden echter hun invloed gelden. Onder den drang van den nationaalsocialistischen wereldkamp, werden de maatstaven der kritiek eenigszins verlegd. Zij werd tegenover volkschstrijdende kunst heel wat milder gestemd, zij zwoer tegen alle vaststellingen in, dat zij het nooit anders bedoeld had. Het volksche gedicht werd mode. En thans zien wij zelfs in bloemlezingen gedichten opgenomen, waarover, jaren geleden, de kritiek met een opvallend gebaar, haar handen waschte. Zij stelt weliswaar nog zekere eischen, bevestigt dat er nog grenzen zijn, een bepaalde politieke levenshouding mag in een gedicht niet worden aangeroerd. Het volksche gedicht door de kritiek der objektieve middelmaat aanvaard, moet zoo algemeen, zoo <onpolitisch > van inhoud zijn… dat ook niet-nationaalsocialisten er geen aanstoot aan nemen. Een uitgesproken nationaalsocialistische belijdenis kan nog immer niet tot het gebied der kunst worden gerekend. (Mochten de Engelschen immers eens terugkeeren !) Ten bewijze wordt ergens een gelegenheidsvers, zonder kunstbedoeling geschreven, op de ontleedtafel geworpen, een paar uitlatingen worden buiten hun verband gerukt en bespottelijk voorgesteld, en het oordeel is voor alle tijden geveld. Merkwaardig zijn trouwens de verscheidenheid der uitspraken en de soms volkomen tegenstrijdigheid der objektieve vaststellingen! Om propagandistische slagwoorden gaat het nu eenmaal niet. Van vaderlandsch gerijmel ben ik persoonlijk immer een tegenstander geweest. Met muffe romantiek en de slenter van versleten leuzen moet worden opgedoekt. Deze tijd vergt een vorm die zijn fanatieken levenswil, ja, doch ook zijn koene en gebalde zakelijkheid verwoordt. Om een kunst en een kunstvorm is het te doen, die het geheele gebied van het letterkundig scheppen aangrijpt. Dat is immer vooropgesteld geweest. Wel heeft het geen zin de geboorte van het onafwendbaar komende te willen dwingen: het zal immers natuurlijk ontstaan, zooals alles wat leeft; doch het staat evenzeer vast dat de bodem moet worden bewerkt, het zaad moet worden gestrooid. Er dient gezocht, er dient afgebroken: een nieuw geslacht moet worden opgevoed. Hier is een taak weggelegd voor een kritikus die het liberalistisch aestheticisme achter zich gelaten heeft en de beteekenis van dezen tijd bevroedt.
Zijn het soms geen verheffende en bezielende, geen scheppende waarheden die het nationaalsocialisme herontdekt? Zijn zij niet zwaar van spanningen en tragiek en duur verworven geluk – grondstof bij uitstek voor wezenlijke groote kunst? En op den achtergrond verschijnt een wereld zoo onafzienbaar, zoo diep in de tijden openstralend, de Germaansche voortijd, dat wij erin de voorspelling van een beschaving lezen, waarvan de volle beteekenis niet is te overzien.
Dat hiermee de louter persoonlijke geluiden niet worden uitgeschakeld, hoeft voor den onbevooroordeelden lezer geen betoog. Levend in diepe verbondenheid met de machten die alle leven beheerschen, zal de enkeling akkoorden vinden, met het boventijdlijk gehalte dier machten doortogen. Zijn kunst zal er niets bij verliezen. De nationaalsocialistische levensbeschouwing is volledig. Ik weet het, onze letterkundigen zijn, algemeen gesproken, immer wezenstrouw geweest. Zij bleven dicht bij de aarde van hun land. Zij schreven boeren- en dorpsnovellen, verhalen met zoete, kleinsteedsche bekoorlijkheid. Er zijn bij de Vlaamsche schrijvers geen verraders. Zijn zij echter daarom allen volksch gericht? Het is minder een geval van trouw dan van overerving en omstandigheden. Zij schreven over hun land, omdat de gezichteinder in dit land tamelijk beperkt was. Er was daartoe zeker geen moed noodig. Zij hebben voor hun kunst niets prijs gegeven, niets geofferd. De meesten keken de regeerders, die hun volk ver- drukten, gezapig naar de oogen. Volksch? Er is een heel wat vollediger volksch-zijn. Het was destijds niet geraadzaam, in bedoelden zin volksch te zijn, als mensch en als kunstenaar, strijdend volksch, tegen de machthebbers in!
Want dit is het kenmerk van geheel-volksche kunst, dat zij aan de zijde staat van het volk door haar verheerlijkt, tot het uiterste. Een boom of een boer is een dankbaar motief voor een fraai gedicht, het geeft aan een bundel een bijsmaaktje, en plicht tot niets. Gevaarlijk is het niet. Doch de nationaalsocialistische kunst der toekomst wordt geboren uit geheel-volksche trouw.”

Tussen mei 1943 en april 1944 verscheen er niets van zijn hand in deze krant: Nand nam ontslag bij de krant in mei/juni 1943.

Op 13 juni 1944 verscheen in “Volk en Staat”, het laatste artikel van Nand. Op dat ogenblik waren de geallieerden al geland in Normandië (6 juni 1944).
Op de voorpagina links bovenaan het artikel van Nand: “Onze tijd en de erfenis van 1830”, rechts daarvan: “Bruggenhoofden van Orne, Vire en Cotentin vereenigd – Amerikaansche pantserdivisies rukken Cotentin binnen”. Rechts onderaan het artikel “Invasie-Kaleidoscoop”, waarin nog sprake is van ‘een invasiepoging’, en besluit met “Een eigenlijk geschikt opmarsch-gebied om een massalen geallieerden aanval naar het Zuiden te beginnen is er nog niet en in hoever de Duitssche veldheren von Rundstedt en Rommel het invasieplan van Montgomeryschaakmat zullen zetten, zullen de komende dagen moeten uitwijzen”.

Voorpagina:

In april 1943 had Nand ontslag genomen bij “Volk en Staat”, maar toch zou hij daarna nog enkele artikels aanleveren. Het laatste verscheen dus op 13 juni 1944.  Tijdens het verhoor bij de krijgsauditeur worden Nand hieruit volgende zinnen voorgelegd: “‘Er bestaat geen Belgisch volk – om dit vast te stellen moet men geen groot rassenkundige zijn’, en als slot: ‘Oorlogsnoodzaak moet worden aanvaard doch eenmaal de wapens opgeborgen, zal het geslacht dat op alle fronten offerde, de volheid van zijn Germaansche en volksche bestemming verwachten en verwerven’”. Nand verklaart dat het gericht was tegen de verfransing van Brussel.

Opvallend is deze racistische uithaal naar de Angelsaksisch-Amerikaanse cultuur: “Arme massa! Voor negermuziek en brousse-gelal staat zij in vervoering : op al wat streeft naar eigen grootheid en eeuwigheid ziet het opgeblazen neer.” Ook Tino Rossi en Charles Trenet moeten het ontgelden…

Volledige tekst:

Onze tijd en de erfenis van 1830

Volk en Staat 13 juni 1944

We hebben het ongeluk te leven in een diplomatenstaat van Engelsch maaksel, van meet af aan cultureel door Frankrijk ingelijfd. Met overwegingen van volkschen aard had de Stichting van het liberale België geen uitaans. Dit beteekent niet dat de muiters van 1830 van de tweeledige samenstelling der bevolking geen benul hadden: zij waren zich terdege van Germaanschen aard der Vlamingen bewust, en erkenden deze werkelijkheid volmondig. Maar zij deden het slechts om te verkondigen, dat deze wezensaard als staatsgevaarlijk moest beschouwd worden en door stelselmatige politiek uitgeroeid. Hun stond de uiteindelijke versmelting met « la grande patrie », met het groote vaderland, voor oogen.
Naar 1830 zijn vele van de kwalen terug te voeren, waardoor thans, in 1944, het openbaar leven in deze gewesten wordt vergiftigd.
Tot in 1940 was België in beginsel zijn oorspronkelijke doelstelling getrouw gebleven. Wie eerlijk zijn Nederlandsche herkomst, met alle gevolden daaraan verbonden, beleed, werd als “boche” gebrandmerkt. De aktivistenvervolging van 1918 spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Wie het aandurfde tegenover Duitschland een vriendelijke gezindheid aan den dag te leggen, werd onherroepelijk als «traître» (nietwaar, Dr Borms ?) gehoond, volksche samenwerking met het Germaansche Noord-Nederland werd als “staatsvijandig” hardhandig onderdrukt. De beginselvaste houding van den Staat bewijst duidelijk genoeg, dat partij-overwinningen, alle parlementaire veroveringen ten spijt, de geest pan 1830 nog altijd België’s politiek beheerschte.
Zoo was de toestand in 1940. En deze toestand leidde tot veel van de tegenwoordige verwarring en verdeeldheid.
Er bestaat geen « Belgisch volk » om dit vast te stellen moet men geen groot rassenkundige zijn. Er leeft in dezen Staat een meerderheid Nederlanders van Noordsche afstamming : in den schoot van de gemeenschap bleef het besef van Germaansche en volksche verbondenheid alle staatsche onderdrukking overleven. De houding van de Vlaamsche bevolking tegenover de bezettende macht heeft dat in de jongste jaren doende bewezen.
De heftigste ordestoorders, de onderkruipers van hun eigen volkswelzijn vindt men ook niet in deze kringen. Onder de echte « Belgen » moet men zoeken: onder de kunstmatige kweekelingen van den Engelschen diplomatenstaat België, de Germanen-haters die voor Frankrijk den knieval doen, en nu nog van overzee alle heil verwachten. (En intusschen – sommigen zelfs hun ééuwig heil – verkregen hebben!).
Stelselmatige en heimelijk betaalde propaganda hield dit broeikas-patriottisme, met al zijn hysterische uitwassen, in leven. Tusschen België en Frankrijk bestond er kultureel geen grens meer. Door de luidruchtige voorvechters van de latijnsche « culture » werd Brussel als vanzelfsprekend ingenomen. Al het gedrukte vuil uit de Parijsche onderwereld werd over onze hoofdstad uitgeschud, en aldus werd er een volk tot in zijn kern vergiftigd en ontnoordscht.
Den ontwortelden Brusselaar was dit alles vaderlandsliefde… De oorlogstoestand heeft deze drijverijen niet lamgelegd – integendeel! Nog zet hij voor den latijnschen broeder, voor heel den ontaardenden invloed van «la grande patrie », de poort wijd open. Doch nu staan de vormen van deze toenadering geheel in het teeken van den tijd.
Bekijk de reuzige aanplakbrieven op de blinde muren te Brussel. Indien Brussel u nog verbazen kan, zult gij verbaasd staan. Dwaas lachende tronies, kwikstaarten van den dansvloer, bleeke watelaars uit nachtkroegen, fleurig geschilderde maskers van schoonen-bij-lamplicht: het is een galerij van schijn-schoone onbenulligheden. Rossi, Trenet (en wat weet ik) heeten de helden waarmede het Brusselsch vaderlandslievend publiek en zijn patriottisch nageslacht gelieven te dwepen. En dat in de edele stede van Jan Ruusbroec… Arme massa! Voor negermuziek en brousse-gelal staat zij in vervoering : op al wat streeft naar eigen grootheid en eeuwigheid ziet het opgeblazen neer.
Zeker : de echte kultuur wordt niet vergeten. Indien de vaderlandsche zaak er mede gediend is, richt « Brussel» orkesten op met klinkende patriottische beschermnamen… De strijkstok wordt gehanteerd… door zwendelaars met millioenen !
Er wordt in dit oogenblik een bloedige reuzenkamp uitgevochten. Jeugd van ons volk, de besten onder de besten, strijdt en sneeft. Deze kamp zal beslissen of er voor ons nog een toekomst is. Doch, bij geheel ons roemrijk voorgeslacht! de toekomst waarvoor wij strijden ziet er anders uit !
Wij zien ons volk meester op eigen bodem, vrij om zijn leven, evenals in het verleden, naar groote en geniale maatstaven in te richten. Het staat vast geworteld in dezen oerouden Germaanschen bodem, schouder aan schouder, met al wie wezensvast op dezen bodem leeft, Noordsch met al wat Noordsch is, en niet het minst met het volks- en taalverbonden Noord-Nederland, van hetwelk het liberale België ons in alle eeuwen wou scheiden.
Vereenigd met, doch ook beveiligd door Germanje, zoo zien wij ons volk, d.w.z. omwald met een stevige grens tegen het Westersche imperialisme dat sedert eeuwen vooruitrukt naar den Rijn opdat ons volk eindelijk den laatsten kuisch kan aanpakken, en den weg naar zijn wezen vrij maken.
Oorlogsnoodzaak moet worden aanvaard, doch eenmaal de wapens opgeborgen, zal het geslacht dat op alle fronten offerde, de volheid van zijn Germaansche en volksche bestemming verwachten en verwerven.