Dinsdag 7 november Nand 34ste brief

Gistel, 7.11.50

Liefste,

De schone en intieme Maandag  in de Scheldestad die je mij hebt geschonken doet mij mijn vertrouwde omgeving enigszins vreemd aanvoelen. De groene specht (hij heeft een rood mutsje als jij ..) de roodborst en de ekster zoeken te vergeefs mijn aandacht te trekken. Mijn ogen volgen achteloos hun bewegingen ; het is nog Scheldelucht en vergzicht die om mij blijven hangen .. Kranen knarsen, ertsblokken knetteren inde spoorwagens .. Ik zie een scherp gesneden boeg, een bleek, uitheems gelaat aan een patrijspoort van een roestige kombuis.. Een kleurige schouw, een uit-geschuurde dek, een onrustig fladderende vlag .. hoe kan dat alles verlokken. Jij ook hebt het gevoeld, nietwaar? “Mon enfant, ma soeur .. songe à la douceur, d’aller la-bàs, vivre ensemble ..” Ik sluit hierbij in: een versje uit dezelfde drang geboren, het is in de gevangenis geschreven, maar het werd gericht aan haar die ik later “wellicht eens lief zou hebben”, dus aan jou, Liefste mijn ! Het zegt wat ik herhaaldelijk in het leven ondervond, en wat wij nu ook beleven : lijden maakt het geluk schoner en dieper .. Het is niet nodig naar verre vreemde kusten te stevenen om te weten wat geluk is : het ligt binnen ons bereik. Laten wij het grijpen. Laten wij leven naasteen, zoals wij schreden door de hoge stilte van de Boekebeurs langs de vele kleurrijke boeken als langs zoveel opgetogen aangezichten. Boven ons Mozart’s wiegelied, naast mij mijn geliefde, zacht meeneuriënd .. Liefste mijn, laten wij ons leven schrijven als een schoon nieuw boek : een zonderling ontroerend verhaal waaruit het laag bij de grondse gebannnen is, maar waarin toch gretig en bloedwarm leven klopt, dat alle hunkeringen in alle vervullingen  kent ! Het was mij een grote voldoening te zien hoe je geboeid was daar, en dus genoot van Cocteau’s hoogestemde (en soms haast burleske) film. Wij moeten ons bestaan aftemmen op fijne, zeldzame dingen, ons voeden met de gedachten en de verbeeldingen van hoog-begaafden, zij die meer mens zijn dan de anderen, d.w.z. meer “geest” zijn, die zijn tegenover de meesten wat een kamerorkest is tegenover een dorpsfanfare (ai, die Sint-Jansvrienden! Arme beuzelige Claes met zijn “succes”!) Hoe heb ik die paar uren in de bios naast je en van je genoten, mijn levende, warme, zijde-zachte lief ! Zo zie ik je, zo heb ik je sedert mijn jeugd gezien, dus sedert mijn geboorte (en ik schrijf met jou “van alle tijden”, als mijn “alles”, de levende belichaming van al het schone dat ik ooit puurde uit het bestaan, de honing uit de wonderbaarste bloemkelken die de bedwelmende mede der dichters is. Bedwelm mij, lief, altijd, laat mij aan jou drinken als aan een broos gesneden zomer. Laat mij hevig van deze aarde zijn en hevig de aarde ontstijgen. Laat mij elke zoete lijn van je lijf als een zachte deining in mij voelen bewegen, draag mij, verhef mij, maak mijn geest licht, bevrijd mij opdat ik blijve
jou Nand

Konden wij reizen, gij en ik,
o geliefde mijn,
verre van nood en pijn,
op een broos getuigde brik
of een blanke brigantijn,
dan zouden wij saam, wij beiden,
de bevende zeilen spreiden
en stevenen, vredig en vrij,
de deemstering voorbij.

Aan een morgenlijke kust
zouden wij ’t anker haken,
en zalig ontwaken
smarten onbewust.

Louter azuur en zon-verloomd,
een blauw blazoen met goud doorboomd
glanst hier de zee: de aarde
met ooft en sappen mild,
bloeit welig wild,
in rood-koralen gaarde
praalt de bedaarde
rijk geschubde vis.
De nachten geuren bloemenfris.

Maar ach, wat zou geliefde mijn,
zonder nood, zonder pijn,
onze liefde zijn?
(in ’47 voor jou geschreven)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *