Zondag 6 augustus Nand (1ste brief)

Gistel, den 6de Oogst 1950
Kleine Warande 22

  

Beste Simone,
Ik hoop dat jullie na den “romantischen” (1) nacht goed zijn thuisgeraakt. Jammer dat dergelijke nachten moeten eindigen! Men hoorde zó te kunnen voortleven: “and so live ever…” Ken je Keats’ heerlijk sonnet “Bright Star…” (2) Muziek in den koelen nacht, sterren en maan even boven de duistere bomen… het is een sfeer die met werkelijkheid schier niets te maken heeft en toch zo intens werkelijk is.
Nu heeft de stilte van het alledaagse ons weer ingesloten – een stilte die luid roept hoe leeg zij is. En ik betrap mij erop dat ik zalig in het ijle zit te glimlachen. Na zoveel lijden en eenzaamheid (3) was de Kriekenberg (4) zo ongelooflijk schoon en verkwikkend. Laat ik het rechtuit bekennen: de zacht stille vriendschap die je mij hebt betuigd heeft mij goed gedaan. Ik ben gelukkig dat ik deze ogenblikken beleefd heb. Zij hebben voor mij weerom de diepe heimelijkheid der dingen ontsloten, het contact gelegd met de verborgenheden dewelke leed en wrok en kommer hadden overwoekerd. Nadat ze lang gezwegen hadden, hoorde ik weer de zingende ziel der dingen (5), die jij, zo vernam ik gisteren voor het eerst, weleens hebt gehoord.
Ik zal het op prijs stellen eens iets van jou hand te kunnen lezen. Stuur mij bij gelegenheid ’t een of ’t ander op.

Met oprechte, hartelijke groeten, uw
Nand

Commentaar

(1). Na den romantischen nacht: Een verwijzing naar de dag ervoor en het tuinfeest in Villa Kriekenberg. Blijkbaar was de avond intiem geëindigd, en Nand neemt onmiddellijk het initiatief om zich dit momentum niet te laten ontglippen.

(2). Het gedicht van Keats, het citaat komt uit de laatste versregel:

Bright Star
John Keats (1795-1821)

Bright star, would I were stedfast as thou art—
Not in lone splendour hung aloft the night
And watching, with eternal lids apart,
Like nature’s patient, sleepless Eremite,
The moving waters at their priestlike task
Of pure ablution round earth’s human shores,
Or gazing on the new soft-fallen mask
Of snow upon the mountains and the moors—
No—yet still stedfast, still unchangeable,
Pillow’d upon my fair love’s ripening breast,
To feel for ever its soft fall and swell,
Awake for ever in a sweet unrest,
Still, still to hear her tender-taken breath,
And so live ever—or else swoon to death.

Over dit gedicht (zie Wikipedia):

“It is unclear when Keats first drafted “Bright Star”; his biographers suggest different dates. Andrew Motion suggests it was begun in October 1819. Robert Gittings states that Keats began the poem in April 1818 – before he met his beloved Fanny Brawne – and he later revised it for her. Colvin believed it to have been in the last week of February 1819, immediately after their informal engagement.

The final version of the sonnet was copied into a volume of The Poetical Works of William Shakespeare, opposite Shakespeare’s poem, A Lover’s Complaint. The book had been given to Keats in 1819 by John Hamilton Reynolds. Joseph Severn maintained that the last draft was transcribed into the book in late September 1820 while they were aboard the ship Maria Crowther, travelling to Rome, from where the very sick Keats would never return. The book also contains one sonnet by his friend Reynolds and one by Severn. Keats probably gave the book to Joseph Severn in January 1821 before his death in February, aged 25. Severn believed that it was Keats’s last ever poem and that it had been composed especially for him.
The poem came to be forever associated with the “Bright Star” Fanny Brawne – with whom Keats became infatuated. Gittings says it was given as “a declaration of his love.”
It was officially published in 1838 in The Plymouth and Devonport Weekly Journal, 17 years after Keats’s death.”

(3) “Na zoveel lijden en eenzaamheid…”: is een verwijzing naar de tijd die Nand doorbracht in gevangenschap (1944-1949) na zijn veroordeling voor collaboratie (zie uitgebreide info hierover in het menu “Voorgeschiedenis”).

(4) “Kriekenberg”: een verwijzing naar “Villa Kriekenberg” in Sint-Martens-Latem, (Deurle aan de Leie), waar het tuinfeest plaatsvond en de eerste ontmoeting van Nand en Simonne. De Villa bestaat nog steeds, maar is in privébezit. Zij werd gebouwd in 1934 door architect André Claessens, informatie zie “Inventaris Onroerend Erfgoed“.

(5) “de zingende ziel der dingen”: dit citaat verleent de titel aan het verhaal.

Dinsdag 8 augustus Sim (1ste antwoord) 2de brief

2de brief (eerste antwoord)

Brussel, 8ste Oogst 1950

 

Mijn beste vriend,

Je schrijven heeft me onzeggelijk verheugd en de herinnering aan een volle zomeravond (1) minder weemoedig gemaakt – klinkt het vreemd? – voor mij zit aan elk geluk een zomeke weemoed vast, zelfs in drukke bezigheden ontgaat ze me nauwelijks. Wat me bijbleef sinds onze “fantasia-avond” (2) zal me lang nog geheugen.
Is het geen schone Godsgave een broze herinnering dagenlang vast te houden: gaaf en steeds opnieuw bereid voor elk ragfijn uitspinnen van elk woord en elk gebaar?
Heeft alle verbittering en ontgoocheling der jongste jaren (3) ons al te ontvankelijk gemoed nog nauwer afgestemd op hetgeen je zo intens waar noemt: “de zingende ziel der dingen” – waar voerde men ons heen indien we in elke dag de aanhef van een nieuw lied niet vermoeden konden en indien we het moeizaam ontdekken in het goed dat we nog dromen kunnen.
Het was een onstuimig vol accoord dat me doorheen de landelijke nachtreis naar de grootstad begeleid heeft (4) en nog nazindert ergens verloren rondom mij in je brief van deze morgen – in de voegen van m’n krakend wagentje (5) – langsheen de Kempische hei, de lommerwegen ver over de mastebossen (6) maar bijna heb ik de weigere woorden vast zó nabij is me ’t geluk vandaag. Zie je Nand, jongen “het leven is schoon en de mensen goed” schreef ik eens overmoedig op de nuchtere celwanden (3). Men heeft me toen met veel meelij bekeken en soms was het zeer hard er naar te kijken en toch is er zo weinig nodig om dit motto als een gangbaar motief met je mee te dragen. Ik had een goeie dag vandaag (7), kwam het met je schrijven, wellicht tussen de zakelijke beslommeringen? Of van de simpel klare zon? Ik hou ervan, die vlakke warmte, m’n gezicht zit er vol van, verblindend! Geluk ligt vandaag overal in een lied en in een dankbaar hart. Mag ik het je zingen ietwat beschroomd met ’n tikje plankenkoorts, hou je er rekening mee? Ben je een strenge critieker? Wees mild – het is een première van uit een eenzame kemenade (8) “und die Muse gewidmet” ! (9) –

Laat nooit Uw woord mijn schaam’le zin ontrijzen
waar hield me deze nood nog aan het leven vast?
Ik keerde dwazer weer van vele reizen
maar ruilde geen verhoor mijn tijdeloze last.

Doch steeds met nieuw en mildere bewijzen
– al werd ik om geen droom nog kinderlijk verrast –
zou ik de oorsprong van elk leed verwijzen
naar het verheerlijkt beeld, waarbij een vreemde gast

Mijn haperend woord verklaart dat aan een vragen trilt
onuitgesproken want – aan d’eerste klank verstild –
Laat mij aan uwe zij de gave reis beginnen
om ’t lastig kommeren der mensen en der zinnen
en voer ter hemelvaart een dwaas bemoederd kind
naar het beheerst gebied dat aan Uw woord begint.

Met n’innige groet!

Je Sim Wolfs

Commentaar

(1) “de herinnering aan een volle zomeravond”: verwijzing naar het tuinfeest in “Villa Kriekenberg” van 5 augustus, dag van hun eerste (bewuste) ontmoeting.

(2) “fantasia’-avond”: zou kunnen verwijzen naar de film “Fantasia“van Walt Disney uit 1940 met bijhorende muziek van bv. Bach, Tchaikovsky, Beethoven etc.

(3) “bittere ontgoocheling der laatste jaren”: Sim werd ook getroffen door de repressie na de bevrijding van België in september 1944. Zij was in de vroege oorlogsjaren gouwleidster geweest voor Leuven van de Dietsche Meisjesscharen -zie hierover de scriptie van Severine Jans (pdf p. 59)- en verbleef tweemaal in voorarrest (oktober ’44 tot februari ’45 in Leuven Centraal en het jaar ’47 in de gevangenis van Vorst). Sim was zeer goed bevriend met Jetje Claessens, leidster van de Meisjesscharen. Sim schreef voor haar een welkomstwoord toen Jetje op bezoek was in Vlaanderen vanuit haar ballingsoord in Argentinië (1992), dit werd overgenomen op het overlijdensprentje voor Jetje (1995). De idealen van toen blijken nog niet vergeten…:

(4) grootstad: Brussel (Schaarbeek). Na de bevrijding verhuisde het gezin van Sim in 1945 noodgedwongen vanuit Sint-Joris-Winge naar Schaarbeek. De Vlaamsgezindheid van het gezin werd hen kwalijk genomen. Dit alles gebeurde trouwens in de nasleep van het drama te Meensel-Kiezegem van augustus 1944, een buurgemeente van Sint-Joris-Winge. Een collaborateur werd door het verzet in onduidelijke omstandigheden neergeschoten en een gruwelijke vergeldingsactie volgde die nog tot op de dag vandaag de gemoederen in deze gemeente beroert. Sim en haar familie kenden vele van de betrokkenen (langs beide kanten) persoonlijk.

(uitgebreide info hierover in het menu “Voorgeschiedenis”)

(5) “krakend wagentje”: een Volkswagen Kever

(met het “krakend wagentje” voor het huis in de Kleine Warande te Gistel waar Nand woont)

(6) mastebossen: Sim verloor haar job in het onderwijs (ze was regentes Frans, Nederlands, Geschiedenis en Aardrijkskunde) omwille van haar betrokkenheid als gouwleidster van de Dietsche Meisjesscharen. Om den brode nam ze verschillende jobs aan (o.a. vertaalster in het Slachthuis van Anderlecht) tot ze een vaste job vond als vertegenwoordigster van koekjes en chocolade voor de firma “Van Loo“, en doorkruiste dagelijks het Vlaamse land, vooral Antwerpen en Limburg. Het zou nog duren tot begin jaren ’60 vooraleer Sim opnieuw vast werk vond in het onderwijs, na 21 interims… “Mastebossen” is een verwijzing naar de bossen in Kapellen (Antwerpen) langs de Kalmthoutsesteenweg.

(7) “ik had een goeie dag vandaag”: kan dubbel zijn: ze voelde zich gewoon goed, of ze had die dag een goed verkoopcijfer gehaald (zie hierboven).

(8) “kemenade”: een warme, gezellige kamer. Een kemenade was in Middeleeuwse burchten de belangrijkste en gerieflijkste ruimte, met open haard en meestal de enige die verwarmd was, zie Wikipedia.

(9) “und die Muse gewidmet!” : letterlijke vertaling: “aan de Muze toegewijd”, de term “gewidmet” is een veel voorkomende beleefdheidsaanspreking in muziek en literatuur.

Woensdag 9 augustus Nand 3de brief

3de brief

Gistel, den 9.8.50, Kleine Warande 22

Beste Simone,

Ik stuurde je zondag j.l. een briefje. Vandaag bemerk ik dat ik het naar “Brussel” gestuurd heb (1) – wellicht komt het aldus met vertraging (of helemaal niet) terecht. Daar er geen afzenderadres op staat doe je wellicht best het postkantoor Brussel te verwittigen.
Laat je mij eens weten of je goed thuis kwam – en of mijn eerste briefje je bereikte?
Hartelijk,
Nand

Commentaar

(1) “naar ‘Brussel’ gestuurd”: twijfel slaat toe…  Nand beseft dat zijn brief van gisteren misschien de geadresseerde niet zal bereiken, Sim woont immers in Schaarbeek en hij had op het omslagadres onder de juiste straatnaam ‘Brussel’ geschreven. Omdat hij toch de voor hem ietwat gewaagde stap had gezet om onmiddellijk na de “romantische avond” Sim aan te schrijven, neemt hij het zekere voor het onzekere en schrijft een tweede brief naar het juiste adres. Een telefoontje is op dit ogenblik nog uit den boze, want Nand houdt zich zoals een gentleman aan de regels van de “etiquette”.  We kunnen het ons vandaag, in een tijd van supersnelle communicatie, nog moeilijk voorstellen, maar het is duidelijk dat hij op hete kolen zit. Wat hij niet weet is dat Sim ondertussen al geantwoord heeft op zijn brief (zie het vorig bericht), die wel degelijk op het juiste adres, en op tijd is toegekomen. Beide brieven hebben elkaar gekruist, en, zoals zal blijken uit zijn antwoord van 11 augustus op Sims eerste brief, heeft haar antwoord diepe indruk gemaakt…

 

Vrijdag 11 augustus Nand 4de brief

4de brief

Gistel, den 11.8.50
Kl. Warande 22

Beste Simone,
Een vreemde gemoedsopwelling dreef mij ertoe je brief niet onmiddellijk te openen. Ik stond buiten aan ’t hekken toen de bode hem bracht, en schoof de witte enveloppe in mijn binnenzak (aan mijn hart, hm!). Ongeopend weggeborgen als een schoon geheim, met lettertekens waarin zoet leven trilt, heb ik hem welbewust laten zitten en rondgedragen, en eerst in een ingetogen ogenblik heb ik de zegels verbroken. En zie – wat ik in openlucht niet zou hebben bemerkt – uit het opengevouwen papier steeg een aroom op als uit de rozentuinen van Ispahan… (1) een geur die mijn studio (2) met een aanwezigheid bevolkte, zo werkelijk en toch onwezenlijk. Zoete pijn van een parfum dat mij sinds dien nacht vervolgt en met zijn beminnelijke opdringerigheid bedwelmt!
Ik ben deze namiddag op mijn fiets gesprongen en heb mijn geliefkoosden rit naar de duinen gemaakt. (3) Ik ben n.l. ook een zonaanbidder, en loop gaarne met mijn worstelaarsromp in de zon… Het gebeurt echter nog zelden, daar ik te ver van het water afwoon. Het zijn fijne uren bij duinen en zee! Maar vandaag voelde ik rondom mij een onbehaaglijk tekort, een gemis. “Was zij maar hier…” zong het in mij. En de zee die mijn hart begrijpt zong ook: “was zij maar hier…”
Het is zoals je schrijft: de felle aandoeningen van de jongste jaren maakten ons gemoed al te ontvankelijk voor pijn en ontgoocheling. (3) Je vraagt mij of ik het vreemd vind dat je weemoed je niet verlaat? Vreemd zou ik het vinden ware het andersom. Jij, een dichteres, leeft dieper dan de anderen – acht jezelf gelukkig dat het maar een “zomeke” is.
Beklaag hen wie het haren kleed der totale eenzaamheid de huid en het hart vervreet, die te midden van drukte en vertier koud en vreugdeloos blijven, die weten, pijnlijk-helder, dat al wat begint een einde hebben moet, en beseffen, hoe ze ook meelachen en zingen, dat alles op den duur bitter smaakt omdat de smart onontkoombaar is en nutteloos. Hoe zou ik het vreemd vinden dat weemoed je overal vergezelt? Wie wezenlijk diep leeft kan dit gezelschap niet ontgaan. Hem vreet, gelijk bij Prometheus, een arend de lever op. (4) Maar den sterken is het gegeven om den barsen snavel te lachen, en trots hun smart, ja dank zij hun smart te groeien. Smart maakt elke vreugde heviger en rijker – uit smart schept de kunstenaar louter vreugde. (Beethoven!) (5)  En zo geleefd (daar zijn wij het eens) is leven schoon.
Het leven is een verbazend en huiveringwekkend wonder, en boeit uitermate. Een blik, een woord kan ons ineens de bodemloosheid van de ons omringende raadselen en het raadsel in onszelf doen aanvoelen, en zo vervoeren dat elke gereedgemaakte waarheid er armelijk en beklagenswaardig tegen afsteekt. Doch zulks te doorgronden is een genade waaraan weinigen deelachtig zijn..?. Zondag j.l. met jou gelaat zo dicht en vreemd tegen het mijne was het mij gegeven dit te beleven – en het werd tot een vers dat je hierbij vindt.
Ik moet je nog wat zeggen over je sonnet. Er steekt wel lyrische adem in, en het wint aan beweging en vaart naar het einde toe; het woordje “onuitgesproken” staat er treffend op zijn plaats. Wat mij vooral bekoorde en… ontroerde was het “beschroomd” gebaar waarmee het werd geschonken, en waarvoor ik slechts één antwoord ken, dat niet per brief kan worden verstuurd!
Wanneer zien wij elkaar weer? Brussel ligt zover van Gistel! Ben je vrij in de week, of alleen de zondag? Kan je alléén weg? Een rustige namiddag in Brugge, ver van alle drukte, bij Memling bv. ware niet slecht. Wat denk je ervan? Of ergens in een keurige dansgelegenheid? Vroeger was de Kursaal in Oostende voortreffelijk: nu is er niets meer. Is jou Knokke bekend? In Oost-Duinkerke wordt eerlang nog een feestje in ’t vooruitzicht gesteld. (6) Laat mij eens weten wat je het liefst hebt.
Met genegen groet, je
Nand

Nacht aan de Leie

Topazen maan, de bomen,
en boven ons de nacht;
‘k omvat uw hoofd met schromen:
uw wang is warm en zacht.

Diep-duistre stilte nadert,
omwindt ons lauw en loom;
beneden in ’t gebladert
glimt maan in tragen schroom.

En heel ons duister wezen
fluistert een heimlijk woord,
gelijk een bloem gerezen
aan donkren waterboord.

Waatren langs de bomen,
uw diep is stil en zwart,
maar zwarter dan uw stromen,
en dieper, is dit hart.

En aan zijn grond ontloken
bloeit stil een bloesem klaar:
een woord onuitgesproken,
een schoon en schuw gebaar.

Laten wij na dit lijden
weer aadmen, diep en zacht,
zalig-gedreven glijden
als waatren door den nacht.

Commentaar

(1) “de rozentuinen van Ispahan”: Isfahan, de tweede grootste stad van Iran (ook bekend door het gedicht “De Tuinman en de Dood“, van P.N. Van Eyck). Maar vooral bekend om zijn vele rozentuinen, met o.a. de “Rosa ‘Ispahan“.

(2) “mijn studio”: Nand schilderde al van jongsaf (autodidact), het was na zijn vrijlating de enige mogelijkheid om wat inkomen te verzamelen, vermits hem al zijn burgerrechten ontnomen waren door de rechtbank (proces dagblad “Volk en Staat“). Zijn studio, die hij ook gebruikte als atelier, bevond zich te Gistel in het ouderlijk huis waar hij inwoonde.

(3) zie opmerking 3 bij zijn (eerste) brief van 6 augustus.

(4) “Prometheus”: Griekse mythe, zie het verhaal hier

(5) “Beethoven”: een verwijzing naar diens “Ode an die Freude

(6) “In Oost-Duinkerke wordt eerlang nog een feestje in ’t vooruitzicht
gesteld”: Het tuinfeest van 5 augustus was georganiseerd door het Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond. Op de uitnodigingsbrief werd melding gemaakt van nog enkele feesten: “Verder is voorzien: Een gezellige bijeenkomst aan de kust te Oostduinkerke op Zondag 3 september a.s. In de wintermaanden zullen 3 diners ingericht worden, waar H.H. Lilar, oud-minister, Herman Vos, oud-minister en minister P.W. Segers zullen uitgenodigd worden hun standpunt inzake Amnestie te komen uiteenzetten”.

Albert Lilar: (liberaal) Minister van Justitie (o.a.  1946-1947, 1949-1950, 1954-1958 en 1960-1961)
Herman Vos: “Belgisch Vlaams-nationalistisch en socialistisch politicus.”
Paul-Willem Segers:  “Belgisch politicus. Hij was onder meer minister voor de CVP. Hij was ook een van de vooraanstaande leiders van de christelijke arbeidersbeweging in België.”

Zondag 13 augustus Sim 5de brief

5de brief

Zondagavond, 13de Oogst,

Beste Nand,

Het is goed alleen te zijn vanavond, geen rekenschap vragen om dit zwijgen noch om het steeds opnieuw herlezen van een correspondentie uit Gistel.

Je heerlijke brief die me reddeloos verwart en waarvoor ik je, spijts die groeiende onrust, zalig dank! Niets beredeneren maar met een duizelen van herinneringen knoop ik de uitbundige roes van onze ontmoeting vast aan een ander oogstweekeinde – jaren terug – waarin je uitgenodigd werd op een D.M.S. Gebiedsdag te Leuven(1) en jij, ondanks m’n jammerlijk hiaat, heel simpel de situatie redde. Toen heb ik gedroomd, gelukkig bakvisje – (dat bleef ik jammerlijk heel lang) van “een Dietse(2) bard” in een romantisch geruite hemdsblouse (juist??). Het kwam toen ook tot een vers maar hulpeloos en zeer “weltschmerz”(3)!

Voel ik me meisje en vrouw tesaam – ik weet niet waar me dit onrustig verlangen zal begrenzen. Jij kunt het bevrijdend zeggen, jij, de genode bij duinen en zee! Moest ik naar het dwaze meisje in me luisteren, ik was reeds sluiks naar je toegekomen – “maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en practische bezwaren”(4) – en toch huiver ik reeds om dit nabije wonder naast je te mogen zwerven in zon en wind en naar de stilte te luisteren die jij hebt gevuld. Laat me nog romantisch zijn en nog een klein meisje en dwaas in dit schrijven, zó dat je er om glimlacht. Kan het zijn dat ik je reeds veel vroeger heb ontmoet, dat we mekaar niets woordelijks meer hebben te zeggen, zelfs van elk gebaren los tot die rust zijn gekomen die aan het geloof in het leven en het besef van recht op geluk, begint?

Alleen de droom zou ons vergezellen, want : is het de droom niet alleen die ons alles geven kan en dit “raadsel” in ons hart verklaart? En leidt de daad niet tot de droom en niet omgekeerd, of vult ze hem slechts aan. Is het hunkeren, dit steeds opnieuw verlangen, schoner dan de daad, die begrensd is en gebonden aan ons zelve aan de menselijke omstandigheden,… de droom het “weerbeeld” van een oneindigheid die we betrachten.

Is het die drang, die gestadige drang die ons onrustig afmat zo dat we er lichamelijk schier onder lijden? Toch ben ik gelukkig deze avond. Wanneer was ik ooit nog zó bewust dat ik verlangend naar een volgende dag uitstaar. Waar ligt de schakel aan mijn droom in deze gestalte die tastbaar bijna nadertreedt. Ligt onze ontmoeting binnen een rand van het onwezenlijke omdat het zo’n godsaanduidend toeval was?  Ik weet niet of ik me klaar uitdruk, Nand. Ik zou je zeer veel willen vertellen maar waarom is het woord soms zó klein, zó koud, zó nietszeggend. Kom, jij hebt het klaar omlijnd, het blijft beter verstaanbaar: onuitgesproken.

Voel ik me vrouw vandaag zeer teer en zeer verlangend.  Heeft men het in het huiselijk kringetje ondervonden? “Ons Sim is zó stilletjes”, zegt broerlief: “zo’n lastig karakter (hm) veel goeie wil, waarvan we jammer nooit veel merken” – Dat is natuurlijk schromelijk overdreven!! –

Je vers voor me is een zeer kostbaar kleinood. Geen schrijn bewaart het beter dan dit hart, al is het boordevol reeds van een bloesemdroom –

Ik wou je heel gaarne ontmoeten. Wat vertelde ik je over m’n bedrijvigheid? De ganse week “rots” ik (in de volstrekte betekenis van het woord!!) de Prov. Antwerpen af voor de “zoete” Firma Van Loo Biscuit & Chocolade, Brussel(5). Zo ben ik alle dagen zeer zakelijk alleen weg! Jammer ligt Antwerpen nog verder van Gistel. Het gebeurt minder zeldzaam de laatste tijd dat ik op week-end de zee groet. Op dit ogenblik staat de wagen in “ruilreparatie” en het zal denkelijk ’n paar weken aanlopen voor ik over een nieuwe beschik. ‘k Ware anders reeds stiekum Brugge gaan ontdekken. Ben je een veilig onderlegde gids? Ik voorzie einde dezer week vrijdagavond of zaterdagmorgen, reis naar Diksmuide. Zal je misschien te Brugge of aan de kust treffen? Vanwaar ik naar Nieuwpoort afreis waar kennissen me oppikken voor de bedevaart(6). Mijn 1ste sedert 39!

Laat je me weten waar en wanneer we ons treffen?

Heel innig groet je

Sim

Commentaar

(1) D.M.S. Gebiedsdag te Leuven: Het gaat hier om een gouwdag van de “Dietsche Meisjesscharen Leuven” die plaatsvond te Leuven in augustus 1942. Nand was er als gastspreker uitgenodigd (andere gastsprekers waren Remi Piryns en Edgar Lehembre die later ook een veroordeling opliepen wegens collaboratie). Sim was toen korte tijd gouwleidster van het gewest Leuven. Het “hiaat” waar Sim naar verwijst is waarschijnlijk een verspreking of een verkeerde aankondiging die ze maakte van Nand als spreker. Daarna was er een koffietafel in het Vlaams Huis aan de Bondgenotenlaan (waar nu de kledingwinkel H&M is gehuisvest en daarvoor het studentenrestaurant “Alma”). Vaak hoorde ik haar de anekdote vertellen hoe een vriendin haar toen toefluisterde: “Sim, ziedaar nog een man voor u” (doelende op Nand).
Over de gebeurtenissen die dag vertelde ze nog het volgende:

(uit een interview met Sim dat ik afnam in 1993)

Hieruit blijkt dat Nand op 5 augustus 1950 Sim niet herkende, maar toen Sim hem op het voorvalletje van 8 jaar eerder wees, herinnerde hij zich dat wel.

(Uitgebreide info over hun jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog zie menu “Voorgeschiedenis”.)

(2) Dietse: “Diets” stamt af van het Middelnederlandse “diet”, dat “volk” betekent. Het woord wordt gebruikt “om te verwijzen naar de Middelnederlandse regio-talen tussen ca. 1200 en 1550”. In het Vlaams-nationalisme van het interbellum en de Tweede Wereldoorlog gebruikte men het “om te refereren aan de gezamenlijke of gedeelde oorsprong van de Nederlandse volkeren en zo het streefdoel van een Heel-Nederland van een half mythische, half historische naam te voorzien: ‘Dietsland’.”

(3) “weltschmerz”: diepe droefheid en melancholie

(4) “maar tussen droom en daad…”: het bekende vers uit het gedicht “Het Huwelijk” (1910) van Willem Elsschot:

“Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard. 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond. 

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. 

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.”

(5) Firma Van Loo Biscuit & Chocolade, Brussel: was gelegen in de Paul Devignestraat 72 te Schaarbeek. Het gebouw is nu afgebroken.

(6) bedevaart: Het betreft hier de 23ste IJzerbedevaart van augustus 1950