Sim: “Het Landhuis” maart 1988 – maart 1989 Nand breekt

Opmerking: Sim schrijft hier over het jaar waarin Nand langzaam aftakelt en na een hersenoperatie in een woonzorgcentrum belandt.
Ze doet dat in de derde persoon als “Lena”, Nand wordt “Bram”.
Bram is de naam die ze ook koos voor het personage dat bij haar de eerste seksuele gevoelens opwekte tijdens haar jeugd in de jaren ’30. Zie daarvoor: “Het Dorp aan de Wingerbeek“.
Nand wordt opnieuw “Bram” in  “Het Landhuis: het verhaal van een heengaan“, waar Sim als “Lena” na een tijdje naar de eerste persoon overschakelt om in dagboekvorm de laatste dagen van Bram/Nand te beschrijven.

Hieronder een foto van “Het Landhuis”, zoals het was in de tijd waarover Sim schrijft (ca. 1986). Onderaan bij het poortje met de twee witte palen aan de straatkant tussen de populieren zie je Nand met de hand boven de ogen kijken naar de helicopter die de foto maakt.

(blz1)
Het Landhuis.

Ze staarde voor zich uit over het grasveld dat zacht glooiend naar de lager gelegen Zenne uitdeinde. Ze zag hoe de meeuwen er onrustig heen en weer overheen schoven. Hoe hoorden ze hier thuis ver van zee en duin?
Al wekenlang druilde de regen miezerig over de zompige boomgaard. Het was geen winter geweest dit jaar, geen hevige vriesnachten en de tuin had er ook niet paradijselijk bijgelegen onder de zwaar besneeuwde dennen. Ze had er prachtige foto’s van en zelfs een film waarop de kinderen dansten rond de sneeuwman. Hoelang was dat geleden?
“Waar kijk je naar?”, vroeg een haperende stem achter haar.
Hij keerde zich moeizaam om op de divan naast de gloeiende Ardense kachel. Hij had het koud. De jaren woekerden in zijn lijf en geest. Hij, een bonk ooit van kracht en verfijnd van denken.
“Zo aftakelen, ik kan het niet aanvaarden”, dacht ze en keek naar de wolken boven de wiegende populieren. Ze voelde spijt, ergernis en een weerloze frustratie in haar opwellen.
“We zullen stilaan afscheid nemen”, mijmerde ze. De onzekerheid tussen flarden van hoop verteerde haar. Ze merkte het aan de kleinste dingen die verkeerd liepen: de theekop uit de Provence die uit haar handen gleed, de gezeefde as die ze voorzichtig in de kachel wou schuiven maar die op de pas gedweilde vloer terechtkwam. Ze was geschrokken van de vreselijke godslasteringen die toen uit haar mond rolden zodat hij eventjes uit zijn versuffing ontwaakte.
“Ik moet mij bedwingen hem mijn onzekerheid niet te laten merken want dan lijdt hij nog meer en dwaalt nog verder af. We hadden ook beter de viering niet gehouden. Het is sedert toen dat het niet goed meer gaat met hem”, dacht ze.
Het was een grandioos feest geweest, een festijn van vriendschap.? Zijn poëzie had een hele generatie bezield. In zijn schilderwerken leefde de zee en het duinenland hevig en verstild tegen de muren van het Brabants landhuis.
Nu was hij tweeëntachtig, “een mooie leeftijd” hoorde ze zo dikwijls zeggen. Dat stemde haar steeds wrevelig. Ze tekende vermoeid ene groot vraagteken op de bedoomde ruit.
Het gras groeide weer, de sleutelbloemen aarzelden nog even en op het terras priemden de tulpen naast de narcissen uit de bloembakken.
Bijna veertig jaar woonden ze nu in het oude landhuis.
Een goede vriend had hen hier laten wonnen, “tot uw laatste levensdagen” had hij monkelend gezegd. Hij had hen op die zomerdag in 1951
(blz 2)
rondgeleid. Het huis en het terrein er rond had ooit deel uitgemaakt van een landelijke hoeve. De huidige eigenaar had het enigszins laten verbouwen om er zelf zijn intrek in te nemen maar zijn vrouw verliet node de stad en zo was het achtereenvolgens bewoond geweest door oude verwanten die het goed hadden laten verkommeren. De lambrizeringen kalfden van de zolderingen. De deuren vertoonden aan de onderkant weggevreten gaten door allerlei ongedierte veroorzaakt, waarschijnlijk ratten, want het lager geleden deel van de boomgaard werd in de wintermaanden doorzopen van het stijgende Zennewater.
De plaatsen in het huis waren ruim en in de woonkamer waren ze geboeid geweest door de statige schouw geheel met Delftse tegels bekleed.
“Ze is geconcipieerd door ene prijs van Rome”, had de eigenaar gezegd.
“Ik verhuur het goed liever aan bekenden van wie ik weet dat ze de mogelijkheid hebben er wat van te maken, en kijk wat een reuze zolder waar vele kinderen hun loop kunnen nemen bij regendagen”, lachte hij en had toen gekeken naar haar gekeken terwijl ze wat onwennig door het kleine dakraam naar den hoge populieren keek.
De schapenstallen waren tot garage omgebouwd maar voor het zover was stond het Volkswagentje gans de nacht buiten op de hobbelige landweg. Niemand kwam er voorbij, het huis lag immers verlaten en de straat liep dood op een spoor naar de hoeve. De boer leidde bij dag zijn zware Brabantse paarden naar de velden: de zaaitijd en het oppriemende graan en de oogsttijd als de zwaar doorwegende karren het stoppelveld verlieten.
Het herinnerde Lena aan haar jeugd in het Wingerdal.
Bij het begin van de weg, die de weinig aanlokkelijke naam van rotweg droeg omdat de ondergrond zo zompig was, woonde een stukadoor. Ze hadden hem gevraagd de loshangende zolderingspanelen te herstellen. Hij deed het zonder veel enthousiasme.
“Ik doe het voor één keer”, had hij knorrig gezegd en we moesten hem verder voor kleine karweien niet meer lastig vallen. Begrijpelijk, hij werkte voor grote ondernemingen en voor kleine werkjes waren geschoolden niet zo vlug te vinden.
Lena en Bram ondervonden het telkens als ze een beroep deden op de loodgieter of electricien. Ze gaven ze in de loop der jaren wel bijzonder toepasselijke namen zoals “den duef”, “den treuzelaar” al naar gelang het bedrag van hun gepeperde rekeningen of de snelheid waarmede ze hun klus klaarden?
Aleen Maurice, de bejaarde schrijnwerker was nog
(blz 3)
iemand van de oude stempel. Hij maakte de vliegenhorren, herstelde de verrotte vensterramen of slepende deuren en hij kon dan zo moeilijk de rekening maken en vroeg tenslotte veel te weinig zodat ze zelf het drinkgeld ruim verhoogden. Maar hij bleef dan ook heel lang napraten bij het glas dat hij begeerlijk ettelijke malen liet vullen. Stilaan kenden ze dus “la petite histoire” van het kleine onooglijke dorp dat nauwelijks op de kaart te vinden was. Ook de dorpspastoor kwam dikwijls op bezoek al naderde hij alras een gezegende leeftijd, hij fietste bij aankomst het smalle poortje binnen, de baret op de witte piekharen en de soutane een heel eind boven de gespschoenen. Hij hielp de stapels takkebossen van de gezaagde bomen opbranden en liep dan uitgelaten als een tiener en gekscherend rond de vuurpoel. Hij had het dan wel eens over de hem toevertrouwde zielen, die eens zouden branden.
“Er gebeuren hier rare dingen in de Vossehoek”, vertelde hij, “ze hokken er bij elkaar en zelfs het vrouvolk zuipt in de “Zennevallei” tot ze er buiten rollen”. Lena had dat eens gezien toen ze voorbijreed. Grinnikend sprak hij van “zwarte moe”. Vaag had ze dat vrouwmens eens ontmoet in het kruidenierswinkeltje van de Weverstraat, ja geroken ware beter gezegd, ze werkte nochtans in een zeeziederij.
“Wel”, vervolgde de pastoor, “toen ze weer eens haar roes uitsliep in het opklapbed van van Wies, haar aanhouder, sloeg plots het hele stel dicht en ze is gestikt!”
“Ben je toen geroepen?” had Lena verbaasd gevraagd.
“Natuurlijk, want eigenlijk is dat daar braaf volk, al komen ze niet naar mijn kerk” vergoelijkte hij dan. Lena wist toen hoe hij zondag weer vanop de preekstoel zijn vermanende vinger zou opheffen met nauwelijks bedwongen woede om daarna met zijn grote zakdoek het spattende speeksel op te vangen. Ze wist ook dat hij de sterke Smnirnoff niet zou weigeren en dat hij minder statig het poortje zou uitrijden, de baret een beetje hoger.
xxx
Lena keerde weg van het venster en goot het dampende water dat al een hele tijd in de koperen ketel stond te stomen over het theedoekje. Ze schikte de cake met de beschuit en smeerde er traag de honing over, voorzichtig tegen het brokkelen. Hij wou het zo. Het was een ritueel, het moest behoedzaam gebeuren.
Bram was in Engeland groogebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zijn vader vluchtte op bevel met zijn familie uit Oostende. Ze hadden een onderkomen gevonden, ten zuiden van London in Aylesbury, een plaatsje dat later nog in wereldbelangstelling zou komen door de beruchte treinroof van 1960.
Hij had er de grammarschool gevolgd en toonde soms trots het prijsboekje dat hij, als eerste van de klas had bekomen.
(Blz 4)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *