Zondagnamiddag 26 november Sim 43ste brief

Zondagnamiddag, 26 nov. 1950.

Mijn lieve Nand,

De ganse dag verlangde ik naar dit telefoongesprek. Nu is de kille nevellucht helemaal in de kamer gedrongen. Wij zijn beiden zeer ver en zeer eenzaam. Ik merkte het aan je en het deed pijn, onzeggelijk. Nooit voelde ik deze eenzaamheid zo adem benemend, nog niet in de gevangeniscel waar een gemis als vanzelfsprekend aan die tijd gebonden was. De dag vandaag had anders kunnen zijn. Waarom is het lot ons weigerig gezind. Jij hebt de berusting aangevoeld schreef je mij, Nand. Waarom kan ik niet saam met je die berusting aanvaarden. Het is vreselijk dit telefoongesprek na een weeklange scheiding. Ik rafel elk woord van je uit, het was de hoorbare-gevoelige straal in deze grauwe kille dag. Bij je was het licht van de zonnige herfstdag. Hier ligt de stad besloten in een strenge mistige wasem. Straks ben ik even gaan mijmeren in de Dominikanenkerk, over de zondags hoofden brandden de vensterramen in een besloten gloed. Het was goed steeds aan je te denken, alleen. Ik kan het zeer moeilijk hier bij me thuis dit concentreren. Er is het altijddurend gesprek der huisgenoten over de jongste familiegebeurtenissen. Jouw afwezigheid kan ik niet vullen. In de boekenkast heb ik doelloos wat geordend, ik las je brieven door alle, toen je opbelde. Je laatste belofte dat je me zaterdagavond stipt te zeven uur weer “telefonisch” zou bereiken, brak het lichte herfstdraadje waarmede ik dit week-end  “verstandig” had aanvaard. Daarom moet ik je ogenblikkelijk kunnen schrijven, Nand, ik weet dat ik het je kan zeggen en dat je weten mag hoe zwak ik ben voor die “sterkte die hoge wijsheid is”. Dit is geen eenzaamheid die vruchtbaar is en rijp laat overwegen. Ik voel me nauw verbonden met de eerste dagen onzer ontmoeting, dit gevoel van onrust en niet te omschrijven geluk om het oproepen van je beeld. Het klein meisjesachtige piekeren om je laatste schrijven. Hoe kan je met een enkel gebaar me rustig maken, Nand. Het volgend week-end moet het “fern” gesprek overbodig worden, ik kom naar je toe, zo kan je tegen de 10e naar hier overstomen. Ik doe best dus weer vrijdagavond van uit Antwerpen af te rijden. Uur en plaats kan jij zelf bepalen…  Ik weet dat de wereld waaruit ik naar je toe kwam zoals je me zegt, zeer bevreemdend voor je is, ik wist het zelfs op de zomeravond aan de Leie, mijn geest heb je er uit bevrijd, onwennig beweeg ik nog in deze wereld waaraan ik vooralsnog de tol betaal dezer bevrijding. Wanneer de huisgenoten me naïef verwijten “Je bent anders geworden” dan ben ik er fier om. Dat “anders” kreeg ik van je, en wat ik van jou als “mijn” verkrijg, is wat ik diepst verlang omdat het ons gemeenschappelijk bezit wordt. Wat ligt nog daarbuiten? – Jij schreef me ooit uit Oostende “Is het heimwee niet even schoon als de reis”… Kon ik nu mijn heimwee in de reis naar je toe steeds milderen, geloof me je zou me verwachten door de mistklippen van deze avond. We zouden zwijgen over elke vreugde en elke pijn, maar beiden weten wat dat het goed is saam te zijn. Ik weet dat de komende dagen ons dit voorbehouden. De gedachte hieraan maakt me rustig. Goën avond, Nand, ik zoen je zo innig, noem me
Je Liefste

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *