2026 Chris Ceustermans “Filip De Pillecyn. Een biografie”

In februari 2026 verscheen een biografie van De Pillecyn, geschreven door Chris Ceustermans.
Daarin wordt Nand verschillende malen vermeld:

+ Het bezoek aan de herberghoeve ‘Hof Thansen’ (zie ook de pagina ‘ 1934-1935 Lüneburger Heide met Streuvels bij Albert Toepfer):

(blz. 147)

In mei 1935 opent de schatrijke Duitse nationalist Alfred Toepfler (sic)  de herberghoeve Hof Thansen op de Lüne- burger Heide in aanwezigheid van Stijn Streuvels. Toepfler (sic) richt er een ‘Nederduitse’ bibliotheek in en organiseert er ontmoetingen tussen Duitse en Vlaamse schrijvers over hun gemeenschappelijke stambewustzijn. Heel wat Vlaamse auteurs die later op de een of andere wijze in de collaboratie verzeild raken, genieten er een gratis verblijf, zoals Ferdinand Vercnocke en Wies Moens. De Duits- nationalisten willen er vooral, zoals bij hun Flamenpolitik uit de Eerste Wereldoorlog, de Vlamingen doen geloven dat hun verleden én toekomst vervlochten zijn met Duitsland. Filip bezoekt halfweg de jaren dertig Hof Thansen, Getuigenissen uit die tijd geven aan dat Hof Thansen toen baadde in nationaalsocialisme en bijhorende symbolen. Dat kan de journalistenblik van De Pillecyn moeilijk zijn ontgaan. In welke mate dit alles hem met zijn kritiek op de heidense en militaristische Hitler tegen de borst stuitte, valt niet te achterhalen. Zeker lijkt dat hij er als ontgoochelde democraat, anti- kapitalist en flamingant het ‘volksverbondene’ kan smaken.

Eind 1935 richt Filip met Ernest van der Hallen het tijdschrift Volk op. Van der Hallen is een voormalige voorman van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS) en heeft voordien net als De Pillecyn (en Verschaeve) meegewerkt aan Jong Dietschland. Ook de hierboven aangehaalde Vlaamse bezoekers van Hof Thansen, op Borms en Streuvels na, zullen in de loop van de jaren allemaal in de redactie van Volk zetelen. De (latere) redacteur Vercnocke wordt bovendien, net zoals Filip, actief in de Duits- Vlaamse (cultuur) vereniging DeVlag.

+ Het bezoek aan Berlijn en Düsseldorf in december 1940 met Vlaamse kunstenaars (zie ook de pagina 1940 Kunstenaarsreis Duitsland) en verwijzing naar het dichtertreffen in Weimar (zie de pagina ‘Nand en De Pillecyn in Weimar)

(blz. 194-195)

Eind 1940 halen De Pillecyn en Van de Wiele de banden met de SS-gezinde Duitse propagandadienst aan. In Berlijn bezoeken ze een hoofdkwartier van het naziregime – wellicht Goebbels’ ministerie van Propaganda, Filip is erdoor getroffen hoe de Duitse hogere en lagere ambtenaren tafels in de eetzaal met elkaar delen, iets wat hij zich niet kan voorstellen in de Brusselse ministeries. Bovendien zijn de schotels in de kantine van het ministerie betaalbaar voor iedereen. ‘Zestig pfenning voor het hele diner. Jef zegt: Wij komen hier nog.’

Niet veel later arriveert ook een DeVlag-delegatie van Vlaamse kunstenaars in Berlijn, onder wie zijn schildervriend Prosper de Troyer en dichter Ferdinand Vercnocke. Op II december wordt het gezelschap door SS-minister Goebbels ontvangen. Het verwondert De Pillecyn dat diens stem zo helder klinkt als op de radio ‘met zeer zuivere omlijning van elk woord’. Goebbels legt uit dat de staat geen andere kunstenaars erkent dan volkse. Voor deze laatsten heeft hij naar eigen zeggen dan ook een grote liefde. Bestellingen van hogerhand laten hun toe de volheid van hun kunnen te bereiken. ‘Overigens is de kunstenaar volkomen vrij zich in te schakelen of niet; doch hij die de natuurgewijde ordening links laat liggen, moet dan maar ook alleen zijn vrij gekozen wegen gaan.’ Heel even slaat Goebbels’ schijnbare gemoedelijkheid om, namelijk ‘daar waar hij spreekt van de ontwortelde kunstenaar met een plotse flikkering in de ogen van Duitslands voor-Aziatische vijanden’. Schilder Albert Servaes is zodanig van zijn melk door de ontmoeting dat hij vergeet Goebbels een door de Vlaamse delegatie ondertekende ode aan het nieuwe Duitsland te overhandigen. Volgens De Pillecyns reisverslag wordt er na de ontmoeting met Goebbels een poos beteuterd gezwegen. Daarna lijken de Vlaamse zendelingen het volmondig met elkaar eens. ‘Hij valt buitengewoon mee.’

Er volgt een academische zitting in de feestzaal van het Kaiserhof met een vertegenwoordiger van de Führer. Na een streepje Beethoven neemt Filip het woord en laat zijn revolutionaire en sociale discours op de toehoorders los, zoals dat uit zijn vorige roman De soldaat Johan spreekt. Hij wijst erop dat in de eeuwen van Vlaanderens overweldiging de volkse trouw werd gedragen door de arbeider en de boer. Daarna gaat het weer richting heimat, met een tussenstop in Düsseldorf voor een bezoek aan een jachtslot waar Goethe ooit vertoefde. De Pillecyn voelt er zich thuis want ‘er was in de taal van de gastheren reeds iets van de klank van onze eigen streek, zoals in de kleur van de schilderijen die wij gezien hadden iets was van onze lucht en onze bomen’. Na de aankomst in het Noordstation is de stemming aldus verslaggever Vercnocke bijna euforisch. ‘Tijdens deze reis door het nieuwe Duitsland heb- ben wij, Vlamingen, krachten in ons voelen loskomen; ons volk, de eeuwen door, is jong gebleven; thans mag het betrouwen. Wordt het door Duitsland bejegend als zijn kunstenaars, dan gaat het een toekomst tegemoet waar zijn volkswezen zich volwaardig zal uitspreken’.

+ En natuurlijk het bezoek aan de massagraven van Katyn (zie de pagina ‘1943 bezoek aan het massagraf te Katyn‘   en ‘Nand en De Pillecyn in krantenverslagen‘):

(blz 207-208)

Voor de Duitse bezetter lijkt De Pillecyn in 1943 nog steeds een nuttige kracht in de propagandaoorlog. In april 1943 wordt hij door professor Hans Teske, Sonderführer van het militaire bestuur in Brussel, gevraagd om de graven te bezoeken waarin de lichamen liggen van de naar schatting 22.000 Poolse officieren die de Russen in de lente van 1940 hebben afgemaakt. De reis naar het massagraf van Katyn wordt gecoördineerd door de Europäische Schriftsteller- Vereinigung (ESV) – een geesteskind van Goebbels, dat Duitsland ook tijdens de oorlog de schijn van een grote cultuurnatie moest geven. Als schrijvende getuige was De Pillecyn een voor de hand liggende keuze. Hij was er in oktober 1941 bij geweest toen in Weimar in aanwezigheid van Goebbels en andere internationale auteurs de ESV werd gesticht, die een alternatief moest vormen voor het links-liberaal geachte PEN. De Pillecyn weet na zijn jaren aan het IJzerfront dat oorlog een afstotelijke zaak is – hij schreef jarenlang heftige antimilitaristische columns voor het VOS-blad waarin hij ook Hitler op de korrel nam. Maar de beelden van de honderden opgegraven, halfvergane lijken van de vastgesnoerde Polen raken hem diep:

‘Men heeft ze uit de put gehaald en in rijen gelegd nadat ze geïdentificeerd zijn. De schedels neigen naar ons toe. […] De dichtstbij liggende heeft lang zwart haar aan hals en slapen. Het sterke gebit grijnst uit de open mond. Het is alsof die mond is blijven openstaan in een laatste gehuil. En velen rondom liggen zo. De handen liggen als nutteloze dingen, zij zijn met de huid nog overdekt. […] Het vlees is weggeteerd, maar over handen en gelaat spant nog de huid. […] De polsen zijn als afgebroken stokken.’

Filip doet zijn gruwelijke verslag met collega-schrijver Ferdinand Vercnocke op een persconferentie van 27 april. ‘Wat ik evenwel hierbij onderstrepen wil – aldus besloot Dr. Filip De Pillecyn – is het feit dat men van deze reis terugkeert met een geweldige, ja kolossale vrees voor het bolsjewisme.’ De horrorberichten van De Pillecyn en VNV-aanhanger Vercnocke komen de bezetter goed van pas in de ronselcampagne voor oostfrontstrijders. In Duitsland werd Katyn dan weer in de kranten uitgesmeerd en soms gekoppeld aan ‘Joods-bolsjewistische moordlust’.

Het besluit van de biografie is in zekere mate ook toepasbaar op Nand:

(blz. 266)

“Door Filips radicalisering zo goed mogelijk te traceren, begreep ik steeds beter dat hij in die rusteloze tijden begon te hunkeren naar een meer harmonische en sociale ‘nieuwe orde’. Dat hij na mei 1940 meeschreef aan pekzwarte pagina’s in het Belgische en Vlaamse geschiedenisboek, ook al koesterde hij een afkeer van Mussolini en had hij veel voorbehoud ten aanzien van Hitler. Ik geloof in persoonlijke verantwoordelijkheid. De Pillecyn werd terecht gestraft voor zijn daden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar daarna werd hij door de staat op zo’n krampachtige manier gemuilkorfd in zijn burgerrechten dat alweer kiemen van een nieuwe radicalisering gezaaid werden. Na het schrijven van dit boek blijft bovenal een gevoel van treurigheid. De geschiedenis is een smerig beest en haalt meestal niet het beste in de mens naar boven, en al zeker geen relativering van de eigen visie of standpunten. Integendeel…”


PS

De Pillecyn speelde ook een rol in het leven van Sim evenals zijn boek “De Veerman en de jonkvrouw” in de briefwisseling tussen Sim en Nand, zie:

Sim en De Pillecyn