1941 3de Nationale Kultuurdagen te Mechelen

De “3de Nationale Kuluurdagen” vonden plaats te Mechelen. Ook Filip De Pillecyn werd daar gehuldigd (zie de pagina over zijn biografie).

Verslag in “Volk en Staat” van 27 april 1941:

(inzet foto van Nand: “Dichter Ferdinand Vercnocke sprak op de Nationale Kultuurdagen over ‘Onze Volksche Poëzie na 1830′)

De 3e Nationale Kultuurdagen to Mechelen.

KUNSTAVOND GEWIJD AAN VOLKSCHE POEZIE

In het kader der 3e Nationale Kultuurdagen ging Donderdag in den Mechelschen Stadsschouwburg een nieuwe geslaagde kunstavond door.

Als spreker trad ditmaal dichter Ferdinand Vercnocke op, met een lezing over « onze Volksche Poëzie na 1830 ». Een yolksch dichter, aldus Vercnocke, is hij wiens werk geheel voor zijn volkverbondenheid getuigt, en niet hij die toevallig een strijdgedicht schlep. Spreker schetst den strijd, die na het ontstaan van den kunstmatigen Bel-gischen staat ontstaat om de Germaansche ziel van Vlaanderen. In dezen kamp staan onze dichters met onze Nederlandsche taal als een geducht wapen.

Schreef de Antwerpenaar Conscience gewrochten waarin ons volk op zijn oorsprong en bestemming werd gewezen, de vernieuwing onzer dichtkunst zou uit West-Vlaanderen komen. Gezelle, de zanger der Dietsche aarde, in wiens werk men steeds nieuwe schoonheid ontdekt, is niet alleen de zoetgevoolsde zanger, maar schiep ook verzen van hartstochtelijke zeggingskracht, waarin heel onze eigen wezenheid saamgebald ligt. Aan Gezelle’s werk is alles echt, vervaarlijk echt, en het is zelfs in het zwaarste deel van zijn leven dat hij de schoone voleinding van zijn dichterschap vindt.

Gezelle is de aanvang der vernieuwing, zijn geest stijgt uit boven alle verguizing, en oefent machtigen invloed uit op de volgende generaties. In de verbasterde onderwijsgestichten staat dan Rodenbach op, als hartstochtelijk dichter en krachtig leidersfiguur. Rodenbach weet dat alle volk in de jeugd aanyangt en richt zich dan ook tot de jeugd met krachtige verzen en wachtwoorden, die geen romantisme, geen spel, maar een uiting van zijn heroische levensopvatting zijn.

Wat bij den genialen Rodenbach aangeboren is, is bij dien anderen bard, René De Clercq, de vrucht van werk en strijd. Zijn eerste werken waren kinderen van een op de natuur afgestemd individualisme, en pas door zijn verblijf te Gent wordt De Clercq weggerukt uit de zelfgenoegzaamheid om tot den strijdbaren zanger te groeien waaruit de wereldoorlog een volwaardig kamper smeedt.

Uit de jeugd van de aktivistenperiode staat de jonge dichter Wies Moens op. Uit de kille gevangeniscel ontbloeit hier een kunst van zeldzame schoonheid; hier zingt een jong mensch zijn lied van liefde, broederschap en grootheid. Profetisch van vorm en krachtig van zegging zijn deze verzen, waarin volkomen is afgebroken met het zelf-beklagend individualisme; zij wekken gloed en overtuiging in de harten.

Tenslotte handelde Ferdinand Vercnocke volledigheidshalve ook over het eigen dichtwerk, dat geheel is afgestemd op eigen land en volk, en dat het Dietsche land aan de zee plaatst voor den achtergrond der Germaansche landen.

Voor een passende illustratie van deze lezing werd beroep gedaan op de medewerking van mej. Magda De Groodt, die verzen van Gezelle, De, Clercq, Rodenbach en Vercnocke deklameerde; h. Rob. Goris, die liederen, van Mortelmans, Meulemans ea zong, en van het kamerkoor «Cypriaan de Roze », dat onder de uitstekende leiing van h. Reimond Keldermans zijn faam hoog hield met de uiterst ver- zorgde uitvoering van liederen van Van Duyse, Tinel, Brengier, Mortel- mans, Meulemans, Van Hoof en De Clercq.

HULDEZITTING F. DE PILLECIJN

Op heden Zondag, 27 April te 19 u. wordt in den Stadsschouwburg hulde gebracht aan Dr. Filip De Pillecijn., Dr. J. Van de Wiele spreekt, en uit «De Soldaat Johan» worden fragmenten opgevoerd onder regie van A. Van Thillo.