Zondagnamiddag 3 september Nand Prent met gedicht

(Hans Memling, 1480, “Sibylle Sambetha”, Sint-Janshospitaal Brugge)

Gedicht: “Oogst” / “aandenken 5 oogst-5 september”
(Opmerking: Nand schreef dit gedicht in 1947 (zie onderaan de kaart) dus in gevangenschap (2), zie manuscript hiervan infra)

De merel praat niet meer
en in de moe-gebloeide tuinen
weegt nu het zaad ;
in ‘t slepend ladgewaad
van zware boomgaardkruinen
bloost nu het bol gelaat
van zuiver ooft.
Ik buig het hoofd :
ik hoor den herfstwind loeien..
Maar is elk blad geteld
en ieder aar in ‘t korenveld
herfstbloemen gloeien
met den gloed van vuur
van bloed en robijn ;
de druiven aan den muur
fonkelen rood als wijn.
o Maak mij, nu het jaar haast vlood ,
maak mij o herfst,
tot zon, voortijdlijk groot
die in de kantelende vesten
van ‘t smeulend Westen
zwijmelt in ‘t avondrood.
1947

Gistel zondagnamiddag. 3.9.50

Liefste,
Herken je dit gelaat? Wij stonden ervoor in Sint Jans Hospitaal te Brugge. De Sybille (1) schouwt de toekomst in: wat ziet zij? Zij zegt het niet, maar wij schouwen mede, en peilen haar geheim: alles vergaat, alles verdwijnt, alles wordt met herfst bedreigd. Er stijgt een lucht van vergankelijkheid uit alles op; vergankelijkheid zingt in ons haar meewarig lied.. Laten wij ons spoeden om schoon, schoner nog te leven. Doch leven is vergankelijk zijn, laten wij de vergankelijkheid liefhebben. Ja, wij zijn het eens: de herfst is schoon. Herfstbloemen zijn vuriger dan haar zusters in de lente; het nabij zijn van de ontbinding schept wilder extasen. Nergens heb ik dat zo aangevoeld als in Cel 34, ver van bos en bomen (zie keerzijde foto!)(2) Weinig heb ik toen bevroed dat in de zomer van mijn bestaan, op de rand van de herfst, ik nog eenmaal tot “zon” zou worden omringd en omstraald met de voortijdelijken gloed van een ontvankelijke ziel, als een Westerhemel bij avondrood. Liefste mijn, is dit werkelijkheid, en duurt het al een maand, eenendertig zalige dagen? Wat is het lot ons mild, ons die zo weinig gewend zijn aan geluk! Van smart en eenzaamheid en ”ijlte” kregen wij zoveel toebedeeld, dat wij haast dachten dat er voor ons niets anders was weggelegd, dat wij deze werkelijkheid nauwelijks durven te aanvaarden. Hoe ik je dank om ieder van-gevoel-trillend, waarlijk lovend woord dat mij je brieven brachten, om elke wonderbare kus, mond aan mond, een wezen aan wezen. Ik dank je omdat je bestaat, en mij deze gave hebt geschonken, omdat elk verlangen een belofte is en elk heden de zekerheid brengt dat morgen nog komt, dat elke verrukking werderkeren kan, vuriger wellicht.
Terwijl ik schrijf, en dikwijls door het venster staar (een koekoek spelemeit er vrolijk met zijn liefste, en ik zit hier alleen te koekeloeren..) valt mijn blik op het boek waarin ik las, “Penthesilea” van Kleist, en dat open ligt aan deze woorden:

Penthesilea : Prothoe! Meiner Seelen Schwester! Willst du mir folgen?
Prothoe : (mit gebrochener Stimme)   In den Orkus dir!
Gieng’ ich auch zu den Seeligen ohne dich?
Penthesilea : Du Bessere, als Menschen sind! Du willst es?
Wohlan, wir kämpfen, siegen mit einander..

Het is een vreemd en heerlijk spel. Ik zag het eens opgevoerd in Hamburg. Penthesilea (Konigin der Amazonen) had een ziel-zware altstem en benen van een godin.. Wij moeten saam nog veel schoons beleven: concerten, balletten, toneel, alles wat ons verrijken en verruimen kan.
Ik schreef nog niet dat ik van je gedroomd heb. Zo duidelijk zag ik je vóór mij, doch je ging van mij weg. Je had de grijze tailleur aan en je haar hing los, en tussen de lokken door zag ik het bruine driehoekje van je hals, zeer geschikt om te zoenen. Doch zover kwam het niet, het gezicht duurde één ogenblik slechts. Ik heb er heel den dag zitten over nadenken. Wat heeft dat te betekenen? Een angstvisioen ingegeven door de vrees je te verliezen? Of eenvoudig een bijgebleven beeld uit onze wandeling naar Damme, toen je liep voor de bus? Het is wel eigenaardig dat juist dit beeld zich in mijn onderbewustzijn heeft vastgezet: jou, den brui gevend aan conventies, trippelend als een schoolmeisje, spontaan en opgewekt.. Zo zie ik je ook liefst. Maar om de ter neer drukkende herinnering aan den droom uit te wissen, ware het zeer wenselijk dat je me algauw eens in den lijve tegemoet trad. Kan je een dezer dagen niet naar Gent wegglippen? Verwittig mij op tijd. Een zoen als voorschot,
Nand

P.S. Verontschuldig de vlek!

Commentaar

(1) “Sibylle Sambetha”, Memling, 1480: een gedetaillerde analyse vind je hier.

(2) Manuscript “Oogst”, geschreven in gevangenschap, Cel 34, oktober/november 1947:

Woensdag 6 september Nand modefoto “voor intieme avonden”…

Nand in potlood: “Mevrouw F. V-W. als “Yonnie”. Toilette voor intieme avonden met haar man”

Deze foto komt uit een krant (1950), waarschijnlijk reclame voor een kledingmerk of in een artikel als illustratie bij “wat te dragen bij het uitgaan”… :

“Satijn is zeer in de mode. Jasje in schelp-rose satijn bedoeld als avondkleed met rose en wit borduursel op kraag en manchetten. Daaronder wordt een eenvoudige doch zeer wijde zwarte taffelas rok of kleed gedragen.”

Bemerk het vraagteken dat Nand plaatst bij “schelp-rose”.

Woensdagavond 6 september Gedicht Nand

Gedicht / Maandagavond, voor jou 6.9.50. Nand.

De nacht waart om ons beiden,
de nacht houdt ons gescheiden;
mijn lippen murmlen zacht:
Kom uit de nacht.

Ver in ’t geluidloos duister
hoort gij mijn schuw gefluister?
Voelt gij mijn donkre macht
ginds in den nacht?

Waar toeft mijn hartsbeminde?
Ik zoek en kan niet vinden,
en zucht en zwijg en wacht
hier in den nacht.

Naar U in nacht verloren,
naar U uit nacht verkoren,
wiekt mijn manend gedacht,
wiekt door den nacht.

Donderdag 5 oktober Nand Prent met Gedicht “Wilde Kastanje”

(afbeelding: “Rogier van der Weyden (1399-1464): ‘Portret van een jonge vrouw’ (Berlijn) )

(Opmerking: deze prentkaart is een antwoord op Sims brief van 3 oktober)

Aan een wilde kastanje.

Ik vond U in het woud,
ik vond U in de dreven,
waar broze blaadren zweven
van oud en kostbaar goud.

Een vrijgeboren vrucht,
die kwistig in de lanen,
en langs beboste banen
gloeit onder lauwe lucht.

o Hartje rond en rood,
ik hield U in mijn handen,
een herfstlijke offerande,
een avondlijk kleinood.

Want gij zijt wild en boud,
gij groeit niet in de tuinen,
maar hoog in eedle kruinen
van oud en eenzaam hout.

En ‘k schonk, kastanje wild,
U, lauw van mijn beroering,
aan haar die met vervoering
zoet aan mijn zijde rilt.

Aan mijn liefste opdat
zij ten allen tijde  mijn
(1)  “weerloos-wilde kastanje”
zou blijven.
Nand.
(1) Haar brief van
10.3., onderaan.

Donderdag 5 oktober Nand Prent met gedicht “Boreling”

Prentkaart “Memling. La Vierge à la Pomme / Gedicht

Boreling (Een kinderversje)

– Een moeder zingt –
Uw mondje is een klaproos rood,
uw krullen zijn als wol zo wit;
gij lacht uw éne tandje bloot,
o wat een lief gebit!

Mijn rode roos, mijn witte lam,
gij slaapt, ik dek U toe met schroom ..
gij balt uw roze vuistjes gram :
wat ziet gij in uw droom?

Ik wieg U zachtjes, wang aan wang,
uw koontjes zijn zo koel en fris ..
en ‘k hoede met mijn zoet gezang
U voor benauwenis.

Voor mijn Liefste
ter gelegenheid van 5 okt. 1950
Nand