Hedwig Spelers (1935-2026) schreef over de de dichterreis van Nand naar Weimar (1941) en het congres aldaar een mini-novelle (15 blz.), opgevat als een (fictief) sarcastisch verslag, losjes gebaseerd op de historisch feiten, met in de “hoofdrollen” Nand en Filip de Pillecyn: “Het Wonder van Weimar. Een collaboratieverslag”, verschenen in het tijdschrift “Gierik & NVT” ( nr 80 – 21ste jaargang, herfst 2003):
1
De gehele staf van de Parijse Propaganda Staffel, afdeling Schrifttum, had zijn jonge chef Gerhard Heller tot aan het station Paris-Nord vergezeld en uit-gewuifd. De rijzige en blonde officier stond aan het hoofd van een voorname delegatie Franse schrijvers die op zaterdagavond 4 oktober 1941 met hem opstapte in een speciale, feldgrau ogende en lakglanzende trein. In deze dele-gatie zaten – bien etonnés de se trouver ensemble – twee vreemde eenden in de bijt: de ‘prins der Vlaamse letteren’ Filip de Pillecyn en de Oostendse dichter Ferdinand Vercnocke. Vercnocke en De Pillecyn hadden de bestaande vriendschapsbanden dichter aangesnoerd tijdens hun rendez-vous in Brussel. Hans Teske, officier bij het Propagandaministerie en censor voor de Vlaamse letteren, had hen vooraf op zijn Staffel uitgenodigd. Bij een intiem diner in le Central op de place de la Bourse had hij hen verteld hoe belangrijk het was dat militante en Duitsvriendelijke Vlamingen het Europese schrijverscongres in Weimar bij-woonden. Het Propagandaministerie zou hen royaal tegemoet komen en hen belonen met een luxereis door Duitsland. Een chauffeur zou hen met een dienstwagen van Brussel naar Parijs brengen, hun vertrekpunt. Zijn goede vriend Gerhard Heller zou hun gastheer zijn. Hij had Heller geportretteerd als een jonge, maar bijzonder charmante Pruis die uitmuntend Frans sprak. Zijn vloeiend Frans had hij van zijn verblijf aan de universiteit van Toulouse, waar hij een tijdlang lector Duits was. Bovendien had Heller zijn entrees in le Tout-Paris. Maar. Er was een máár, had Teske geopperd. De beide Vlamingen zouden de Franse delegatie met de nodige égards moeten behandelen. ‘Europa is nu één grote nationaal-socialistische natie’, had Teske gezegd, ‘wij moeten voortaan als bloedbroeders allen naar hetzelfde streven: de cre-atie van één Europese völkische literatuur en de vernietiging van het joodse bolsjewisme.’ In de vroege ochtend van zondag 5 oktober stonden zij in Keulen voor het eerst op Duitse bodem, vanwaar ze spoedig doorreden naar Bonn voor een bezoek aan het Beethovenhuis en een uitgebreide receptie op het stadhuis. Op maandag 6 oktober zagen zij uit nevel en mist het silhouet opdoemen van de Mäuseturm, die op een rots was gebouwd midden in de Rijn. Vercnocke, die gek was op sagen en legenden, wist zijn kompaan te vertellen hoe in deze toren de hardvochtige aartsbisschop Hatto II van Mainz in 969 tijdens een hongersnood door de muizen werd verslonden. In de voormalige vesting Bingen bezocht de delegatie het nogal groezelige huis van Stefan George, de dichter-profeet met zijn haast priesterlijke opvatting van het dichterschap. Sommige reisgenoten bewonderden in hem de verkondiger van het Derde Rijk, hoewel Goebbels hem, naar men zegde, ijskoel had behandeld en gene-geerd. Het bezoek aan het Georgehuis was vooral het initiatief van Gerhard Heller. De charmante luitenant hield zielsveel van deze cryptische dichter. De George-vertalingen van Baudelaire en Mallarmé hadden hem tot de Franse literatuur bekeerd. Op dinsdag 7 oktober kwam de pittoreske wijnstad Mainz in het vizier. De zandsteenkleurige dom domineerde de stad en het Frans-Vlaamse gezelschap staarde zich blind op de vele Grabdenkmäler der Erzbischofe, een ensemble van grafmonumenten rustend tegen robuuste Romaanse peilers. Uiteraard stond de Gutenbergcollectie op het programma, ondergebracht in een vrij onpersoonlijk ogend pand. Maar de bezoekers werden ruimschoots beloond door de incunabels op de eerste en de Gutenbergbijbel op de tweede verdie-ping. In het schaarse licht van deze met kluisdeuren versterkte ruimte klon-ken de stemmen gedempt. Allen verdrongen zich rond het Boek der Boeken en iedereen voelde aan dat dit tot het sacrale patrimonium van de Westerse beschaving behoorde. Op woensdag 8 oktober arriveerde de delegatie in Frankfurt. De Duitse gid-sen haastten zich Zu den drei Leiern (In de drie lieren), het ouderlijke huis van Goethe, te laten zien. Hier had de jonge Goethe op de tweede verdieping, zijn geliefde plekje, zitten dromen over alle stadstuinen heen, over de stads-muren en de wallen waar de vruchtbare vlakte zich uitstrekte tot Höchst. In deze sierlijke barokwoning had hij in vier weken zijn Werther geschreven. Bij het bezoek aan het ruime patriciërshuis dachten beide Vlamingen onwil-lekeurig aan Julius Petersen, de trots van de Duitse literatuurwetenschap. Deze voorname taalgeleerde had Wolfgang von Goethe voorgoed opgenomen in de nationaal-socialistische canon. In zijn essay Die Sehnsucht nach dem Dritten Reich in deutscher Sage und Dichtung had hij Adolf Hitler als cha-rismatische leider geprezen. En diezelfde Petersen had, toen hij onderofficier was in Antwerpen, in de winter van 1916 zijn studievriend en uitgever Anton Kippenberg geattendeerd op Felix Timmermans en zijn pas verschenen Pallieter. In de Frankfurter boekhandels lag de recentste editie van de Duitse Pallieter met stapels. Gretig hadden ze beiden, Vercnocke en De Pillecyn, hun beroemde collega ter hand genomen en doorbladerd. Mit Zeichnungen vom Verfasser zagen ze en fier stelden ze vast dat dit de zeventiende druk was en dat de roman nu al honderdzestigduizend exemplaren telde. Bij hun aankomst op donderdag 9 oktober in Heidelberg voelden Vercnocke en De Pillecyn zich meteen thuis. Zij hadden het vreemde déja vu-gevoel rond te lopen in de binnenstad van Leuven. De beroemde universiteit deed hen denken aan hun eigen Alma Mater. Bij de vakkundige rondleiding in de Universiteitsbibliotheek focusten beide Vlamingen hun belangstelling op het Manessische Liederhandschrift, de Middelhoogduitse minneliederen. Met zijn meer dan honderd miniaturen was dit het pronkstuk waar Heidelberg prat op ging. De volksverbonden dichter Vercnocke bleef wat langer hangen bij Des Knaben Wunderhorn, de bloemlezing van populaire liederen waarmee Achim von Arnim en Clemens Brentano tot in Vlaanderen beroemd waren geworden. Hij moest hierbij denken aan de grote Stijn Streuvels die vlak voor de Eerste Wereldoorlog de sprookjes van Brentano had vertaald. Wat jammer dat de man uit het Lijsternest, het boegbeeld van de bodemgebonden letteren, zo tweeslachtig blijk gaf van zijn Duitsgezindheid. Toen Marcel Jouhandeau aanstalten maakte om de hoofdbibliothecaris, een grijzende en minzame Duitser, met enkele woorden te danken, keek Vercnocke met een sarcastische blik in de richting van de Fransman en fluisterde hij Filip in het oor: ‘God, het staat op zijn gezicht te lezen dat hij voor de venten is!’ De gehele stoet trok zich daarna opnieuw in beweging, richting Strassburg. Bij de rondlei-ding in de Elzasser hoofdstad hing elektriciteit in de lucht, vooral de Franse delegatie voelde zich hier onwennig. Maar De Pillecyn vond het meer dan billijk dat Hitler de gehele regio opnieuw onder de vleugels van de Germaanse arend had gebracht. De Elzas moest nu maar eens en voorgoed bij Duitsland horen. In Freiburg im Bresgau woonde de voltallige delegatie van Europese schrij- vers en Duitse officieren de Heilige Mis bij in het laat-romaanse dwarsschip van de Münster. De filosofisch ingestelde De Pillecyn vertelde zijn jonge schrijfbroer dat de grote Heidegger filosofie doceerde in deze stad. Al in de herfst van 1933 had de auteur van Sein und Zeit het voorstel geformuleerd om samen met de Minister van Wetenschappen en de lokale NSDAP-kringen in Berlijn een docentenacademie op te richten voor toekomstige wetenschap-pers en hoogleraars met het doel ideologisch de violen af te stemmen op de nazistisch-nationale wereldbeschouwing. Alle ideologie begint bij het onder-wijs, mijmerde De Pillecyn, die met de steun van zijn Duitse vrienden kort na 10 mei 1941 directeur-generaal voor het middelbaar onderwijs was gewor-den. Hij dacht met genoegen terug aan het ogenblik waarop hij de knoop had doorgehakt. Bevriend met Van de Wiele had hij onvoorwaardelijk zijn steun betuigd voor de DeVlag en de SS. In Freiburg begon de delegatie aan te groeien. Romanschrijver Paul Höwel en Voltairevertaler Carl Rothe, beiden leden van de Reichsschrifttums-kammer, sloten zich aan bij het selecte gezelschap. Daarna dook August Hinrichs op, Landesleiter van de Kammer. Elke Vlaamse toneelliefhebber herinnerde zich de Brusselse première van diens boerenkomedie Wenn der Hahn kreiht, vertaald door Stijn Streuvels en begin 1941 opgevoerd in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Maar de opvallendste verschijning was een jonge officier in uniform, zo te zien een Arische metafoor van vlees en bloed. Het was enkelen opgevallen dat de geüniformeerde gast met geen stok was weg te krijgen uit het gezelschap van Heller en Jouhandeau. Meer, na een incident met Jouhandeau spitste Vercnocke zijn aandacht helemaal op het stiekem gedrag van de oudere Franse heer en de twee jonge Duitsers. De ‘verliefde drieëenheid’ had hij ze genoemd. Hij kon zich niet voorstellen dat mannen hét met elkaar deden. Die blonde god in uniform was Hans Baumann. Er werd verteld dat hij, nauwelijks zevenentwintig, een beroemd-heid was geworden en een vaste literaire waarde in de nationaal-socialisti-sche letterkunde. Hij kwam regelrecht van het Oostfront en was als gastspre-ker uitgenodigd op het schrijverscongres in Weimar. Zijn Duitse collega’s verzekerden dat hij al op zijn achttiende een ongemeen populair nazilied had geschreven, tekst en muziek. In één woord, Baumann werd in een minimum van tijd een afgod van de Hitlerjugend. Met de beginregels Und heute gehört uns Deutschland und morgen die ganze Welt evenaarde hij zelfs het succes van dat andere meesterwerk, het Horst Wessel Lied. München, dé Führerstad, bleek een schot in de roos. De Europese delegatie werd er verwelkomd door Hanns Johst, ongetwijfeld de machtigste man van de Duitse letteren. Deze vijftiger was niet enkel voorzitter van de Reichsschrifttumskammer, hij was zelf schrijver. Als expressionist had hij heel wat toneelstukken geschreven en vaak had hij Bertold Brecht opgezocht. Over beide jeugdzonden werd de spons geveegd toen hij zich bekeerde tot het nationaal-socialisme. Voor ze naar Weimar afreisden, deden ze eerst nog Wenen en Berlijn aan. Wenen was verbonden met het Grand Hôtel op de beroemde Ringstrasse. Van daaruit bezochten ze de stad. Ze wisten dat Hitler deze site haatte en dat hij zijn architecten had bevolen om van Linz de nieuwe stad van Mitteleuropa te maken. Wenen liet bovendien bij beide Vlamingen een wrange nasmaak na. In een groezelig, maar gezellig volksstraatje kwamen ze plots oog in oog te staan met een vrij sjofel geklede man. Hij droeg een opvallend grote, gele ster op de revers van zijn overjas. In het midden ervan hadden ze duidelijk het woord Jude gezien, je kon er niet naast kijken. En ze waren beiden getroe-bleerd, dat moesten ze toegeven. In een flits dachten ze aan hun beminnelijke collega Wies Moens en zijn haast ziekelijke jodenhaat. Vercnocke zelf had zijn antisemitisme nooit onder stoelen of banken gestoken. Maar hier zagen ze in levende lijve hoe die jood in feite een anonieme doorsnee Duitser was. De confrontatie liet hen niet los, ook niet toen zij te midden van het Europese literatuurgezelschap beduusd Baldur von Schirach hoorden orakelen. De man mocht dan al polyglot zijn en dichter bovendien, tijdens het galadiner in de Hofburg leek hij een zwaar gedecoreerde blaaskaak. Er hingen opnieuw incidenten in de lucht, net zoals in Frankfurt toen Vercnocke de grand seigneur Jouhandeau had geaffronteerd door hem met het volle gewicht van zijn hon-derd kilo’s en zijn meter negentig verachtelijk toe te schreeuwen dat Fransen tot het ondermaans Latijnse ras behoorden. Letterlijk had hij aan Jouhandeau gezegd: ’Weet meneer, dat je hier staat voor een onverzoenlijke vijand van uw land!’ Ditmaal vond het incident plaats na het souper dat de Oberbürgemeister hen had aangeboden. In een nachtclub trakteerde de accor-deonkoningin van Wenen, een Hongaarse die zich Marietta liet noemen, haar internationale toehoorders op een Frans en een Engels lied. Een politieman in burger greep haar hardhandig bij de arm en snauwde haar brutaal toe: ‘In Duitsland zingt men alleen in het Duits!’ Op dinsdag 21 oktober hadden ze in Berlijn een persoonlijk onderhoud met Joseph Goebbels. De beide Vlamingen kregen hier voor het eerst het nare gevoel dat ‘rattenvanger’ Goebbels hen in een hoek had gedreven. ‘Deze reis zal jullie duur te staan komen,’ had een Scandinavisch journalist hen in de loop van de dag toegefluisterd. Dit handvol onheilspellende woorden hadden ze pas van zich af kunnen zetten bij hun bezoek aan Arnold Breker. Hij werkte in twee reusachtige ateliers ten noorden van Berlijn met een internationaal gezelschap van meer dan honderd jonge kunstenaars. Ze kenden en bewonderden het werk van deze veertigjarige geweldenaar. Bovendien wilden ze Daniel Devriendt terugzien, de Vlaamse beeldhouwer met de schonkige gestalte. Hij had geholpen met Permeke en hij had Verschaeve leren moduleren. Daarna had hij Vlaanderen verlaten om bij Breker te werken. Het weer-zien was hartelijk. Devriendt leidde hen rond in de ateliers. Hij vertelde dat Albert Speer zonet twee marmeren reliëfs had besteld voor de koepelzaal van de Reichskanzlei. De Pillecyn en Vercnocke slaakten een kreet van bewondering bij het zien van Die Kameraden, een nationaal-socialistische Piëta, bestemd voor de reusachtige triomfboog in Berlijn. Devriendt wees hen ook op Apollo und Daphne. Hoewel ze enige gêne voelden bij zoveel naakt geweld, stonden beide schrijvers aan de grond genageld. ‘Daphne is een model van Arische schoonheid’, zei Devriendt, terwijl hij zijn hand op een van de marmeren borsten legde. En fluisterend voegde hij eraan toe: ‘Breker heeft het liefst jodinnen als model; die zijn de felste.’ De Pillecyn hield voor- al van Brekers neoclassicistische aanpak. Het beeldende en het literaire expressionisme beschouwde hij als ontaarde vorm van kunst. In een inter-view had hij nog maar net zijn misprijzen voor Van Ostaijen laten blijken. ‘Ik heb nooit kunnen begrijpen’, had hij zich laten ontvallen, ‘hoe men een man als Paul van Ostaijen ernstig heeft kunnen nemen. Wat is een gedicht als zijn “Alpenjagerslied”? Er moet in kunst toch altijd schoonheid zijn die ontroert: woede, haat, liefde en niet iets wat u koud laat!’ Nu stonden zij hier voor de vriend van Maillol en voor de evenknie van Despiau en Bourdelle. Breker was bovendien een protégé van de Führer. Met Hitler en de architecten Giessler en Speer had hij op 23 juni 1940 Parijs bezocht. Staande op de Place de Trocadéro tussen de beide vleugels van het Palais de Chaillot hadden zij die zondag met trotse overwinnaarblik de vernederde Lichtstad aan hun voe-ten zien liggen. Goebbels had het voor elkaar gekregen dat de delegatie de Kanzlei mocht bezoeken, Speers architectonische metafoor van de Duitse almacht en spie-gel van Hitlers genie. Dit was in feite het sacrale hoogtepunt van hun bezoek. Terwijl Jouhandeau en zijn Franse confraters gehypnotiseerd leken door de ‘rattenvanger’, zoals sommige bewonderaars Goebbels noemden, voelden Vercnocke en De Pillecyn zich eerder getroebleerd. Bovendien waren ze sterk ontgoocheld door de korte en koele toespraak van de propaganda-minister wiens enige literaire interesse leek uit te gaan naar de Deen Svend Fleuron, een schrijver van… dierenverhalen.
2
Het was een verademing om op Bahnhof Zoo hun trein voor Weimar te zien aankomen en het megalomane Berlijn te kunnen verlaten. Het druk doende Franse gezelschap hing hun de keel uit. Bij Griekse halfgoden als Heller en Baumann voelden ze zich onwennig. Toen ze in de ochtend van vrijdagavond 24 oktober 1941 in Weimar uitstapten, overviel hen een feestelijke stemming: een rode zee van hakenkruisvaandels gidste hen naar een rijkelijk met bomen omzoomd stationsplein, de bont bevlagde August-Baudert-Platz. Er stond een met kleurenserpentines beschilderde militaire wagen voor hen klaar met een chauffeur in militair uniform. Het was duidelijk te zien dat de nieuwe Duitse natie klaar stond om voorgoed het voortouw te nemen in Europa. Net voor ze de Carl-August-Allee opreden, stootte De Pillecyn zijn reisgezel aan en wees hij achteloos op een nogal verwarde en dubbelzinnige bewegwijze-ring rechts aan het begin van de Rohlf Strasse. Een pijl onderaan wees in de richting van de Stadtring, een ander naar de Ettersburger Strasse. Alleen een aandachtige kijker kon de gothische letters Buchenwald lezen. Naar het schijnt had de SS op de glooiing van de Ettersberg in juli 1937 een concen-tratiekamp gebouwd om het communistische janhagel te isoleren. En hoewel door niemand bevestigd, deed het gerucht de ronde dat de Oost-Pruisische schrijver Ernst Wiechert hier van juli tot september 1938 werd geïnterneerd. Hij zou geprotesteerd hebben tegen de gevangenneming van de protestantse kerkleider Martin Niemöller en een collecte hebben georganiseerd voor Niemöllers vrouw. Toen hij ook nog eens verzet had aangetekend tegen de Anschluss, kreeg hij het deksel op de neus. Goebbels zou in de wandelgan-gen van het Propagandaministerie luidop gesist hebben: ‘Dit stuk stront wil zich tegen de Staat verzetten!’ Maar grootmoedig als hij was, had hij meteen een gebaar gesteld en aan de wereld willen tonen hoe tolerant het eraan toe-ging in het Derde Rijk. Hij had Wiechert een ‘Aufforderung’ bezorgd en een gratis kaartje voor het eerste Weimarer Dichtertreffen van 1938, een per-soonlijk initiatief. Toen hij over de rode loper door de brede hall van het statige Elephant-hotel liep, moest De Pillecyn onwillekeurig denken aan Lotte in Weimar, de beroemde roman van Thomas Mann. Mann had hem stierlijk verveeld, in tegenstelling met de onvergelijkelijke Noren zoals Hamsun, Undset, Björnson en Gulbranssen. De trilogie En eeuwig zingen de bossen had hij zelfs driemaal gelezen. Der Elephant was al driehonderd jaar lang het belang-rijkste huis in het historische centrum van Weimar. De Duits-Oostenrijkse dramaturg Franz Grillparzer sprak van het bekanntesten Hotel Deutschlands en das Vorzimmer zu Weimars lebender Walhalla. Vercnocke en De Pillecyn voelden zich vereerd dat zij het rijtje van beroemdheden mochten vervolledi-gen, zoals Friedrich Hebbel, Carl Friedrich Zelter, Franz Liszt, Felix Mendelssohn-Bartholdy en Richard Wagner. Op 3 juli 1926 had Adolf Hitler, jaren voor hij de beroemde Führer zou worden, het gastenboek getekend. Terwijl ze, na het verlaten van hun luxueuze kamer, wat verweesd tussen dat bonte Europese troepje van kakelende collega’s stonden te wachten op Felix Timmermans en het echtpaar Claes, die elk ogenblik vanuit Brussel konden aankomen, stapte een oudere officier op hen toe in groot ornaat, een combi-natie van parade- en uitgaansuniform. Vermoedelijk een Oberleutnant bij de genie. Met een blik op het gastenboek begon hij met verve te vertellen over zijn Führer. Hoe Hitler een zwak had gekregen voor Weimar, voor Hotel Elephant en hoe de Weimarer NS-Gauleitung aan professor Giessler, een van Hitlers lievelingsarchitecten, de opdracht had gegeven voor de complete her-opbouw van het verwaarloosde pand in typische nazistijl. Van de oorspron-kelijke Elephant had Giessler alleen de oude, gewelfde kelder bewaard, waarin Goethe twee eeuwen geleden geregeld zijn glaasje madera dronk. Bovendien had hij het stenen olifantje boven de ingang vervangen door de Reichsadler en daarboven een smal balkon aangebracht. Met enige humor vertelde de Oberleutnant dat de Führer, bij zijn bezoek aan Weimar, slechts na herhaaldelijk aandringen van de bevolking en het roepen van ‘Lieber Führer, komm’ heraus, aus dem Elephantenhaus’ op dit balkon verscheen. Vercnocke dankte in zijn beste Duits voor de uitleg en snelde, bij het binnen-komen van Timmermans en zijn gezellen, met grote stappen op zijn Vlaamse vrienden toe. Zijn gezicht versomberde even toen hij hoorde dat Timmermans spoedig weer weg moest en dat de Claesen hem zouden volgen naar Berlijn. Op verzoek van het Duitse Gouvernement en in overleg met Franz Petri, Referent für Volkstum, Kultur und Wissenschaften beim Militärbefehlshaber in Belgien und Nordfrankreich, had Claes de opdracht aanvaard om in Berlijn een Film-Kursus bij te wonen. De filmproducent Terra-Filme, door Joseph Goebbels onlangs onder de koepel Ufa ondergebracht, zou hem drie weken lang initiëren in de propagandistische uitstraling van het filmmedium. Bovendien was het een gelegenheid om zijn goede vriend uit het Lijsternest te informeren over de verfilming van “De vlaschaard”. Hij wist dat Streuvels er niet heel gerust in was. De opening van het congres vond plaats in de vroege namiddag, in het Kreishaus van de NSDAP. Dit gebeurde onder het toepasselijke motto Die Dichtung im kommenden Europa. Uiteraard moesten, in de wetenschap dat er thans een Europese Nieuwe Orde was ontstaan, de violen worden gelijkge-stemd. Dit internationale schrijverscongres was meer dan een ontmoeting, het was een verbroedering. In de enorme hall van het Kreishaus was een geïm-proviseerde tentoonstelling opgebouwd van antibolsjewistische literatuur en daarmee werd, zoals bleek uit de welkomstwoorden van organisator Rudolf Erckmann, de toon gezet: het derde Weimarer Dichtertreffen stond in het teken van het Duitse Ruslandoffensief. Het bleek al spoedig dat Felix Timmermans hier veruit de populairste buitenlandse gast was. Uniformen zwermden om hem heen als bijen om een korf. In de late namiddag hadden ze vrij om op eigen houtje de stad van Goethe te bezoeken. Goethe zelf had het ooit met ‘Bethlehem in Juda’ vergeleken, ‘tegelijkertijd klein en groot’. Toen hij er in 1775 neerstreek, was het niet veel meer dan een dorp. Pis en drek druipten door de straten en de ruïne van het afgebrande Schloss overheerste de site. En toch vond Goethe hier zijn fasci-natie, hij zou Weimar alleen nog verlaten om te reizen. Daarom vergeleek hij zich graag met Cesar, die beweerde dat hij liever de eerste was in een pro-vincienest dan de tweede in Rome. Zich bewegend in de coulissen van de geschiedenis slaagde hij erin door zijn grote dichterschap en door zijn krachtige persoonlijkheid het wonder te voltrekken. Van Weimar maakte hij een Europese cultuurmetropool. De gehele Vlaamse delegatie ging op stap, in afwachting van het souper in Hotel Elephant. Iedereen leek zin te hebben in een frisse neus en hoewel er dreigende buien boven het hoofd hingen, wandelde het gezelschap in de rich-ting van het prachtige Park an der Ilm, een groene ader door de kleine kunst-stad. Claes had zijn Baedeker geraadpleegd. ‘Mijn probleem is’, zei hij, ‘dat ik niet weet waar we moeten beginnen.’ De Fee suggereerde een half uurtje uit te trekken voor de Thüringische Landesbibliothek aan de rand van het park. Daarna zouden ze met hun vijven uitgever Anton en Katharina Kippenberg bezoeken, met wie ze een afspraak hadden in het Pogwischhaus vlak naast het romantische Garten Goethehuis. Beide buurhuizen op de noordrand van het Ilmpark lagen verscholen achter het roodgloeiende gebla-derte van enkele reusachtige beuken. Voor Timmermans, die door zijn ontelbare lezingen in het Derde Rijk Weimar als zijn broekzak kende, was de Thüringische Landesbibliothek uiteraard geen verrassing. En toch! Toen hun gids de deuren van de rococozaal open-de, kon ook hij met moeite zijn verwondering onderdrukken. Wat het meest in het oog sprong, was de bevallige, ja haast vrouwelijke vorm waarmee dit architectonisch wonder zich ontvouwde. Zowel in de hoogte als in de diepte overheerste de gebogen lijn wat de bevalligheid van dit boekenpaleis nog onderstreepte. Rococo op zijn best. En het rook er naar verse boenwas. Hertogin Anna Amalia en haar zoon, de hertog en latere groothertog Carl August hadden de bibliotheek helpen uitbouwen. En toen Goethe, die de algemene leiding ervan had, stierf, was de bibliotheek met zijn ongeveer honderddertigduizend boeken een van de grootste van Duitsland. Het was ondertussen tijd geworden om de Kippenbergs op te zoeken. Via de Felsenquelle en de kleine Naturbrücke begaven ze zich op pad naar de plaats van hun afspraak. Onverwachts stonden ze voor het Euphrosyne-Denkmal. Het vijftal schaarde zich in bewondering voor het standbeeld van Christiane Becker-Neumann, een toneelactrice die in de achttiende eeuw in het Hoftheater een bewonderenswaardige interpretatie had gebracht van Shakespeares Ophelia en van Amalia uit Schillers Die Räuber. Toen zij stierf had Goethe, die ongetwijfeld een eminente vrouwenkenner was, geschreven dat er misschien wel grotere, maar zeker geen lieftalliger actrices bestonden… Het was Katharina Kippenberg die opendeed toen ze aanbelden aan het histo-rische huis waar Henriette von Pogchwisch, de hofdame van Hertogin Luise, had gewoond na haar huwelijk met Goethes enige zoon August. Het viel Vercnocke op hoe de Fee, bij de laatste trap van de overluifelde inkom bui-ten adem was en zich met moeite aan de leuning optrok. Katharina heette hen enthousiast welkom met haar zware, mannelijke stem die als gegoten bij haar viragotype paste. Uitgever Anton Kippenberg, een eerder kleine man met een rond brilletje, kwam hen uit de salon tegemoet. Hij schudde joviaal de hand van Timmermans en Claes en liet zich, sinds de Eerste Wereldoorlog een vurige sympathisant van de Vlaamse letteren, De Pillecyn als ‘prins der Vlaamse letteren’ en de jonge Oostendse dichter Ferdinand Vercnocke voor-stellen. Hij wist van vertaler Bruno Loets dat De Pillecyn zopas bij zijn Leipziger collega Altenburg Der Soldat Johan had gepubliceerd. Maar de groothartige uitgever kon rustig de zon zien schijnen in het water van zijn concurrenten. Daarna gingen ze zitten in de kleine, maar gezellige rococosalon met schitte-rend uitzicht op het Ilmpark. Er stonden zeven bolle glazen klaar. Terwijl een dienstmeisje een gekoelde Moezelwijn serveerde, stond Anton op om in vol-maakt Nederlands een heildronk uit te brengen op zijn Vlaamse bestsellerau-teur Timmermans. ‘Laten we het glas heffen’, zei hij met declamatorische stem en op ietwat schoolmeesterachtige toon, ‘op onze Fee en coryfee. Mag ik vooreerst zijn bewonderende criticus Jozef Mertens citeren, die schreef: “Timmermans heft zijn toverstaf boven de grauwe alledaagsheid’, en méér: “Ook de gepassioneerde en tragische politieke tribulaties, die Europa ver-scheurden sedert de opkomst van het nazisme, lieten geen spoor in het werk van Timmermans, tot grote opluchting van zijn dankbare lezers.” Daarom heb ik u allen uitgenodigd en het verheugt ons, Katharina en mijzelf, hier vijf Vlamingen te mogen ontmoeten. Vandaag valt er heel wat te vieren, onder meer de vijfenveertigste oplage van “Die Elfenbeinflöte” en de zesde oplage van Kleine Leute in Flandern, een schat van een boekje.’ Hij had het nog over het vijfentwintigduizendste exemplaar van Bauernpsalm en de veertigduizendste oplage van Ich sah Cäcilie kommen. ‘Een parel! En vertaald, vergeet het niet, door de Vlaming Mertens!’ voegde hij eraan toe. ‘En laten we aller-minst vergeten dat Pallieter vorig jaar, het jaar van onze gezamenlijke grote Europese overwinning, honderdzestigduizend exemplaren haalde.’ Aan de reeks leek geen einde te komen. Zo somde hij nog de veertigduizend exem-plaren van Pieter Breugel op. En Die sehr schönen Stunden von Jungfer Symforosa, dem Beginchen. Een juweel, zei hij langgerekt. De ogen van de Fee glunderden toen hij hoorde dat van dit boekje het honderdvijftigdui-zendste Duitse exemplaar zonet van de pers was gerold. Het dienstmeisje, een Arische schoonheid, trok stiekem de aandacht van de mannelijke bezoekers telkens zij vooroverboog en de glazen vulde voor een nieuwe toast. Ditmaal stond Katharina recht, groot in haar ruisende rokken, en hief het glas op Ernest Claes en zijn edities bij hun Insel Verlag. Met zijn palmares kon hij heus niet aan Timmermans tippen, maar voor een kleinkun-stenaar van het proza kon het tellen. ‘Mag ik’, zei ze met haar kelderstem, ‘het dertienduizendste exemplaar aanbieden van Donkelhof und Wasinghau’ Er verschenen vraagtekens in de ogen van zijn Vlaamse collega’s, maar Nest legde uit dat dit de vertaling was van Het leven van Herman Coene. Ook het kleine, maar fijne boekje Die Dorfmusik, de vertaling van De fanfare “De St. Jansvrienden” was zonet uit. ‘Verleden week’, ging Katharina verder, ‘heeft het personeel in Leipzig er een pakket van verzonden naar het leger’. ‘Een Feldpostausgabe’ verduidelijkte haar man. Katharina nam een slokje van haar wijn, zette haar glas klinkend neer op de ebbenhouten salontafel en met enige emfase ging ze verder: ‘En van De Witte is zopas het dertigduizendste exem-plaar van de pers gerold.’ De salon vulde zich met handgeklap. Ze staken hun glazen toe, terwijl de bevallige Arische voor de vierde keer haar bekoorlijk-heden etaleerde. Vercnocke zat bij al die lofuitingen verstrooid te kijken naar de beweging van enkele schaarse wandelaars in het Ilmpark. Eind dit jaar zouden er twee dichtbundels van hem verschijnen bij zijn goede vriend, de Brugse uitgever Hendrik Cayman. Cayman had de knoop doorgehakt, hij had zich eindelijk aangesloten bij De Vlag, de harde kern van nationaal-socia-listische flaminganten. Vercnocke vond dat hij goed zat bij zo’n uitgever, maar hij besefte ook dat dichters noodgedwongen in de schaduw van hun prozabroers stonden. De Vlaamse lezer wist maar al te goed dat hij sinds De Geesel Gods voor een nieuw elan had gezorgd in de na-oorlogse poëzie. Door zijn volksverbondenheid stond hij garant voor toekomst en continuïteit in de literatuur. Leidraad in deze bundel was Vlaanderens tragische zending op “Germanjes bloedig front”, zijn eeuwenlange kamp op de voorpost van het Noorden. Maar alle waardering ten spijt, commercieel succes was niet aan hem besteed. Hij moest genoegen nemen met een succes d’estime, met een terloopse uitnodiging van de Deutsch-Niederländische Werkgemeinschaft en de publicatie van één enkel gedicht in hun Deutsch-Niederländisches Textbuch. De Vlaamse delegatie had aangevoeld dat de slotdag op zondag 26 oktober iets bijzonders beloofde. Eerst al de plaats waar de plechtige vergadering doorging, het door honderden kaarsen verlichte Wittumspaleis. In deze twee-vleugelige barokke, maar intieme residentie had wijlen Anna Amalia, na de voortijdige dood van haar man, de huisleraar Herder, de raadgever Goethe, de dichter Wieland en de dramaturg Schiller nu eens in haar Rote Salon dan weer in haar Tafelrundezimmer ontvangen. De Duitse en Europese gast-schrijvers zagen een keurig uniform het podium beklimmen. Het was Rudolf Erckmann, die achter de lezenaar ging postvatten. Hij herhaalde nogmaals dat het Duitse boek de Duitse strijd diende. Er ging plots een bewonderend gezoem op in alle hoeken van de intieme paleisruimte toen hij het over een andere boeg gooide. Hij had het over ‘het wonder van Weimar’. De grote Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, de Noor Knut Hamsun en de Finse Maila Talvio hadden op uitnodiging van het Propagandaministerie te Berlijn hun schouder gezet onder een merkwaardig initiatief, de geboorte van een Europäische Schriftstellervereinigung. ‘Godverdomme, de Stijn’, mompelde De Pillecyn halfluid voor zich uit, ‘hij heeft dan toch zijn nek uitgestoken!’ Nu had de Nieuwe Orde eindelijk zijn eigen internationale schrijversbond. Onder luid en eensgezind applaus van alle delegaties verliet Erckmann het spreekgestoelte en kwam Wilhelm Ruoff zijn plaats innemen. Ruoff, verant-woordelijk voor buitenlandse boekenbeurzen en propaganda voor het Duitse boek, deed er nog een schepje bovenop. Hij zette de aanwezigheid van de dichters uit veertien Europese landen opnieuw dik in de verf en beklemtoon-de dat het Reich voortaan de hoeder was van het Europese geestesleven. Met nadruk somde hij alle aanwezige landen op. Naast Duitsland noemde hij Frankrijk, Finland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Nederland, Italië, Spanje, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en Vlaanderen. Hij citeerde boven-dien de Deense dierenschrijver Svend Fleuron. ‘Alles wat van de geest is en naar de geest komt, gaat nu over Duitsland’ had die gezegd. Hij meldde met zichtbaar enthousiasme dat de pas opgerichte Europäische Schriftsteller-vereinigung voortaan ook een eigen tijdschrift zou hebben, met de toepasse-lijke titel Europäische Literatur. En, voegde hij eraan toe, Goebbels had hem de opdracht gegeven om alle in het Duits vertaalde schrijvers intens te pro-moten. Zo werd definitief een punt gezet achter de subversieve houding van de P.E.N. in Londen en konden alle Duitsgezinde dichters en schrijvers zon-der moeite hun literaire producten kwijt in geheel Europa.
3
Op maandagochtend 27 oktober 1941 heerste er een ongewone drukte op de August-Baudert-Platz in Weimar. Militaire limousines, van motorkap tot koffer in doffe kleurenserpentines beschilderd, voerden bepakte heren aan, duidelijk geen Duitsers. Remmen knarsten vlak voor de ingang van het neo-classicistische Hauptbahnhof. De meeste huizen op het stationsplein waren bevlagd. In een grote cirkel rond het plein maakten hakenkruisvlaggen Escherachtige tekeningen in de wind. Links en rechts hingen kleine posters voor de ramen met de afbeelding van een geallieerde bommenwerper waar-op een skelet zat, dat een bom in zijn ontvleesde hand hield; grote witte let-ters verwittigden de bewoners: Der Feind sieht Dein Licht! Verdunkeln! En op een reclamezuil midden het plein hing een reusachtige wervingsposter voor de Waffen SS. In één strakke diagonaal figureerden afwisselend in het wit en in het zwart de bekende SS-runen, vier in getal; een jonge soldaat keek vanonder zijn stalen helm in de richting van het oosten en de spoedige over- winning op het joodse bolsjewisme. Portieren klapten dicht. Koffers werden van hand verwisseld. Lichamen bot-sten tegen elkaar aan. De enen gehaast, de anderen slenterend zochten de talrijke buitenlandse bezoekers van het derde Weimarer Dichtertreffen hun weg naar het juiste perron. Sommigen zwaaiden met hun biljetten om elkaar uit te wuiven. Anderen gingen even uitrusten op hun koffers. Dit surrealistische stukje Weimar leek Babel wel: Frans, Italiaans, Spaans, Skandinaafs, Bulgaars, Nederlands, maar ook een paar forse Vlaamse dialecten probeerden uit te stijgen boven het gestamp van de sissende locomotieven. De korte afstand van de stationshal tot aan het perron waarop de trein Praag-Parijs gereed stond, was versierd met een dubbele haag van felrode wimpels die lusteloos wapperden aan hoge, zwarte masten. Tussen het laatste paar wimpels stond een groepje afscheidsnemers, het waren Vlamingen, te horen aan hun zware tongval en hun boerse stemmen. Ernest Claes en zijn vrouw Stephanie waren in druk gesprek met Felix Timmermans; zij moesten samen naar Berlijn en wilden kennelijk vlug afscheid nemen. Zij schudden hartelijk en langdurig de hand van Filip de Pillecyn, die op zijn beurt Stephanie onhan-dig afscheid kuste. De Fee begon gul te lachen toen hij in het plat Oostends hoorde vloeken en met een joviaal ‘Nand, Duitsland über alles en tot in Oostende’ stak hij de lange Vercnocke een dik, slap handje toe en liet daarbij zijn blik olijk langs dat reuzenlichaam glijden. Toen keerden ze met hun drieën terug in de richting van de stationshal en verdronken in een rood-zwarte zee van swastika’s. De Pillecyn stapte het eerst op. Met zijn rechterhak haperde hij een fractie van een seconde aan het onderste roostertrapje. Vercnocke ving met zijn lange armen zijn koffer op en beiden zochten ze, schuifelend door de nauwe gang, naar hun gereserveerde plaatsen. Toen De Pillecyn met een stevige handgreep de deur van zijn coupé openschoof, werd hij begroet door een ascetisch uitziend man. In uniform zag Hans Teske er heel wat strenger en minder academisch uit dan in burgerpak, dat hij alleen maar aantrok om zijn goede Vlaamse vriend Stijn Streuvels in Ingooigem te gaan bezoeken. De Hamburgse professor hield van Streuvels en van zijn biograaf Filip de Pillecyn. Hij was net veertig geworden toen hij in het zog van zijn zegevierende landgenoten in Brussel, de ziel van Vlaanderen, was neergestreken. Als een Kulturbewuste Duitser en als verantwoordelijke van de Propaganda Staffel, afdeling Schrifttum, had hij zijn bloeddruk voelen stijgen toen het Oberkommando van de Wehrmacht aanstalten had gemaakt om de Belgische hoofdstad te bombarderen. Naar het schijnt had de pauselijke nuntius, Monseigneur Micara, er bij de Heilige Stoel en bij Amerika op aangedrongen om bij Hitler te interveniëren. Teske legde zijn aantekeningen opzij, toen zijn Vlaamse vrienden bij hem kwamen zitten. Hij plande een uitvoerig boek, Ueberwindung des Provinzialismus in der flämischen Literatur. Daarin wilde hij de Vlaamse literatuur een plaats geven in het nieuwe Europa. Jef Van de Wiele, die hij zopas nog had gelukgewenst met zijn entree in de Vlaamse SS, had hem om een voorpublicatie voor het komende zomernummer van DeVlag gevraagd. Uiteraard stond hij graag een hoofdstuk af, maar de tijd ontbrak om het werk af te ronden. Hij had godzijdank een fragment klaar over De soldaat Johan. Hij vond dat niemand beter dan De Pillecyn de concrete, politiek-historische betekenis van de Duitse oorlogssituatie aan het Oostfront had ingeschat. Mooi meegenomen toch dat uitgerekend het derde Weimarer Dichtertreffen zowel de Duitse schrijvers als hun Europese collega’s had opgeroepen om hun pen te scherpen voor de grote Russische veldtocht. En had Goebbels als hekkensluiter van dit derde Weimarer Dichtertreffen niet treffend gezegd dat de ‘nationale intelligentie’ klaar moest staan voor de ‘Schicksalkampf’, dat de schrijver zijn taal en thema’s moest aanpassen aan ‘de brede massa van onze volksgenoten en aan onze soldaten’. Dat literatuur ‘boodschapskunst’ moest zijn? Gisterenavond nog hadden zij in Hotel Elephant een hartelijk gesprek gevoerd. Ze hadden samen genoten van de kreeft. De fruitige Duitse Sekt had de rest gedaan. ‘Filip’, had hij gezegd, ‘wat ik zo waardeer in Der Soldat Johan is de tweespalt die je gecreëerd hebt tussen de ‘boer’ en de ‘soldaat’. Soldaat Johan, dat ben jijzelf! Hoe treffend heb je het dualisme tussen de schrijver en de politieke agitator neergezet. In feite schreef je een “oorlogsroman” en daarom durf ik je pal tegenover Remarque plaatsen. Het is maar billijk dat onze Joseph Goebbels dit literair verraad aan de soldaten van de wereldoorlog, ja dat is ten slotte toch Im Westen nichts Neues, tot het auto-dafé heeft veroordeeld.’ En duidelijk boven zijn theewater had hij zijn arm om de brede, behaarde nek van De Pillecyn gelegd en gezegd: ‘Filip, man, jij bent onze bondgenoot in de strijd tegen het Franse establishment. Wij appreciëren het dat je in ons geen “bezetters” maar “bevrijders” ziet.’ Nu hij samen met De Pillecyn en de jonge, beloftevolle Oostendse dichter Vercnocke naar België terug spoorde, wist Teske dat hij in zijn missie was geslaagd. Zijn chefs, Joseph Goebbels en Hanns Johst, hadden hem gelukge-wenst met zijn vlugge Vlaamse successen. Binnen de kortste keren had hij iedereen op zijn hand gekregen. Met uitgeefster Martha van de Walle stond hij op vertrouwelijke voet. Antoon Thiry gaf een Duitse Blut-und-Bodenreeks uit met Stijn Streuvels als ‘Duits’ schrijver. Thiry maakte zelfs plannen om in de zomer van 1942 Westland uit te geven, een overkoepelend cultureel-letterkundig tijdschrift van nazi-ideologische strekking. De titel zelf was onmiskenbaar een vlag die de lading dekte: hij verwees immers naar SS-Standarte “Westland”, het Vlaamse legioen dat men zou samenstellen om de Duitse vrienden aan het Oostfront met woord en daad bij te staan. En stond Thiry niet op goede voet met Adolf Spemann, de uitgever van Stijn Streuvels? Spemann was net NSDAP-er geworden. Een betere culturele ambassadeur was ondenkbaar! En tegelijk gaf uitgever Joris Lannoo de hele Streuvels opnieuw uit. Joris plande bovendien een filmeditie van De Vlaschaard, roman die momenteel in een Duitse cast en met een Duitse regis-seur in de omgeving van Ingooigem werd verfilmd. Bij zijn terugkeer in België zou hij hem meteen het toelatingsnummer melden en het nodige papier bezorgen. Met trots moest hij vaststellen dat de Tieltse uitgever zonet “De protocollen van de samenkomsten der wijze ouderlingen van Zion” had uitgebracht. Was dit wereldvermaarde boek niet het duidelijkste bewijs dat de joden via de vrijmetselarij, het marxisme, de ‘groot-financie’ en de pers de christelijke beschaving wilden vernietigen en de wereldmacht veroveren? Uitgerekend in “De protocollen” had de Führer zijn belangstelling voor het pro-bleem Rusland en zijn Weltanschauung gevonden! Teske werd uit zijn Traümerei gewekt door schrille stemmen in zijn coupé. Tussen hem en zijn beide Vlaamse gasten zag hij twee imposante mannen staan, wijdbeens in lange zwartleren mantels. Ausweis hoorde hij zeggen en als met een loep begonnen ze de reispassen van de beide Vlamingen te controleren. Bij het zien van de gestempelde swastika’s en de logo’s van het Propagadaministerium aarzelden ze en begonnen ze tegen elkaar te fezelen. Met een kordaat gebaar maakte Teske een eind aan dit pijnlijke rekwisitoor. De twee verdwenen als schimmen uit de coupé. Bij het naderen van Erfurt wees hij met een bescheiden drinkgebaar de Vlamingen op enkele wijngaarden die opdoken tussen twee heuvellijnen van het uitgestrekte, maar lieflijke Thüringer landschap. Daarna maakte hij aanstalten om zijn aantekenin-gen te herlezen en zat hij spoedig weer met kop en schouders verdiept in het schema van zijn Ueberwindung. Hans Teske nam afscheid in Brussel. Het was een warm afscheid, waarbij hij hartelijk de handen van De Pillecyn en Vercnocke schudde. Keurig schikte hij zijn officiersuniform in de plooi en stapte het eerst uit, gevolgd door Filip, die zijn trein naar Mechelen moest halen. Vercnocke stond even op, rekte zijn lange benen en ging weer zitten, maar nu in tegengestelde richting. Hij nestelde zich in de pluche en voelde de inspiratie en zijn dankbaarheid opbor-relen. Hij grabbelde een stompje potlood en een stuk papier uit zijn bagage en begon aan een gedicht. De eerste regels zijn altijd de moeilijkste, dacht hij. De titel zou hij zo eenvoudig en direct mogelijk houden: Aan Adolf Hitler. En toen probeerde hij zijn pen:
Kunstenaar-staatsman, ziener, man der daad,
veldheer en held, mensch, méér dan mensch,
stichter van een Rijk, dat op het puin
groeit van een wereld, en tot wereld wordt,
denk om mijn volk, dat uw hartstochtelijken wil
doorstond in vuur en bloed, ’t manhaftig bloed
van ’t Noorden, dat een ander volk, uw volk
doorstroomt, en beider aangezicht, nabij verwant,
bootst tot een gelijkenis, verscheiden, maar
één stam ontsproten…
In twee aan elkaar gesmede woorden raakte hij de kern. De lange a-klinker in ‘kunstenaar’ en ‘staatsman’ versterkten elkaars ideologische betekenis. Het klonk warempel als een liefdesverklaring. Hij voelde zich gevleid dat het gedicht formeel naadloos aansloot bij zijn zonet verschenen bundel “Koning Skjold” en dat hij op een gelijkaardige manier het beeld van de grote Leider ritmisch en metrisch kon kneden. De emfase gaf bovendien iets sacraals, dat helemaal hoorde bij de stichter van het Duizendjarige Rijk. Voor hij er erg in had, zag hij de rijzige torens van Brugge klimmen boven een horizont van middeleeuwse daken. Hij noteerde nog vlug een paar slotregels:
Man van ’t zwaard, man van de kunst,
volkomen held, als Alvader eens,
des Noordens meest geduchte god,
maak mijn volk tot volk: als ’t weefsel in uw huis
van marmer, werk mijner vaadren, siert dit volk
uw Rijk.
Hij keek op en zag vanuit de laatste bocht het eindstation naderen. Met vol-doening stapte hij uit. Het was een voldoening in mineur. Oostende was een geteisterde stad. Zijn Duitse ‘vrienden’ hadden kennelijk goed huisgehouden in de omgeving van het station. En niet alleen rond het station. Ook het ouderlijke huis in de Koninginnelaan had het moeten ontgelden. Er was een bom op gevallen. Zijn ouders hadden het verkocht en waren naar Gistel ver-huisd. Hij stond er wat ontnuchterd bij te kijken, terwijl hij wachtte op een Duitse wagen om hem thuis te brengen. Ditmaal werd hij niet verwelkomd door een woud van rode vaandels, hoewel! Boven op het station wapperde een reusachtige hakenkruisvlag. Dit schonk de jonge dichter een gevoel van vertrouwen in de toekomst.
