Maandag 22 januari Nand 55ste brief

Gistel den 22.1.51

Liefste,
Mijn kamer opruimend om de sporen van het week-end “uit te wissen”, vind ik hier het “Droomboek”, vergeten !. Onwillekeurig moest ik lachen .. je was er zó door geboeid. Moet ik het ding meebrengen? Je gelooft er toch niet aan? Waren wij bijgelovig dan hadden wij dit week-end reden gehad om zéer te vrezen .. Herinner je het vers uit het sonnetje dat ik je schonk over den ring? “Klare kleinood dat nooit de tijd zal tanen..” Vermetele woorden blijkbaar, die de schikgodinnen niet gaarne horen, want zie : mijn Liefste toont mij den bewusten ring, en de parel is weg .. Er gaapt een gat als een schedelholte waarin geen oog meer zit .. ik heb daarop heel den tijd zitten denken. Een vreemd samentreffen. Ik bezing den ring, verhef onze liefde als een dartele straal aan hoofsen band, enz .. en het klare kleinood is helaas, nog eer de eeuwigheid is aangevangen, (gelukkig niet reddeloos) “getaand” ! Een reden om voortaan bescheiden te zijn : het zijn de goden die eeuwigheid schenken, en zij zijn zeer gierig met hun gaven. En toch mogen wij hen dankbaar zijn : de ring is onttakeld, onze liefde staat ! Werkend voor mijn raampje (en hard ..) zag ik vandaag onze vriesganzen die in lange rijen uit het Zuiden terugkeerden. Zij vlogen in een grote “V” die kronkelde als een lange wimpel in den wind, de kustlijn langs, het Noord-Oosten in. Ik heb nog lang het Noorden in gestaard, als het ware opgeheven door een gevoel van schaduwloze berusting. Hoe heeft alles in de natuur zijn tijd. Wij hadden de ganzen naar ’t Zuiden zien vluchten voor de koude; nu keren zij naar het Noorden terug .. “de koude is voorbij” melden zij, “wij vrezen niet meer”. Gedreven door onnaspeurbare krachten, kiezen zij zonder falen den weg die hen naar hun “haardstede” terugvoert. Wat zijn wij doolaards daarnaast ! Hoe onzeker zijn onze schreden, hoe tasten wij als blinden door het leven, zoekend, strevend, struikelend, ons schier telkens vergissend .. Redeloos overmoedig enerzijds, dan weer vol vreze en levensangst anderzijds .. En vinden wij dan de oase van het geluk, hoe wordt alles vergiftigd door het vooruitzicht van mogelijk en dikwijls onafwendbaar gemis. Shakespeare heeft dat zo goed uitgedrukt in een van zijn sonnetten. Van zijn liefde schrijft hij : dat hij weent om het bezit van wat hij vreest te verliezen (*). Zijn wij te beklagen als, met heimwee naar hun zorgenlozen staat, wij de ganzen hun onfeilbaren weg zien volgen, gestuurd door een zekerheid die geen redeneren kent? Of te benijden? .. Het is geloof ik, heel eenvoudig de losprijs voor het mens-zijn. En hoe hoger en meer verfijnd mens men is, des te meer zal men worden verscheurd door de vele raadselen die ons omringen en het eigen hart met duisternis vullen .. Het is een grote genade te mogen zoeken, twijfelen, aarzelen, lijden. Het maakt elk ogenblik van het bestaan broos en kostbaar, de geest wordt een zeldzaam instrument dat zeer gevoelig en zeer gespannen, ook verbazend vreemde trillingen uitzendt, die alleen uitverkorenen begrijpen. Liefste laten wij de ganzen hun onbewuste zekerheden ! Wij zijn voor beters geboren. Met Goethe’s Prometheus zijn wij een geslacht geroepen om “zu leiden, zu weinen, zu geniessen, und zu freuen sich”. Wij zijn mensen, en hebben elkander lief. Wij horen bij de uitgelezenen die in de verborgenheden dringen, en de stemmen horen die den ingewijden worden voorbehouden. Zijn wij niet rijk, niet .. gelukkig?
Ik zoen je stil
je Nand

(*) Nand verwijst hier naar sonnet 64  van Shakespeare (zie laatste versregel):

When I have seen by Time’s fell hand defaced
The rich-proud cost of outworn buried age;
When sometime lofty towers I see down-ras’d,
And brass eternal slave to mortal rage;
When I have seen the hungry ocean gain
Advantage on the kingdom of the shore,
And the firm soil win of the wat’ry main,
Increasing store with loss, and loss with store;
When I have seen such interchange of state,
Or state itself confounded to decay;
Ruin hath taught me thus to ruminate –
That Time will come and take my love away.
This thought is as a death which cannot choose
But weep to have that which it fears to lose.

Vertaling door Willem Van der Vegt, 2008:

Zag ik hoe Tijd met woeste hand de sporen
Van rijk begraven trots heeft aangetast,
Ooit was die steenhoop een verheven toren,
Het brons is nu vervallen en bekrast,
Zag ik hoe hongerig de oceaan
Terrein veroverde op koning strand,
Maar elders zijn gebied weer af moest staan,
Groei in verlies, verlies in groei ontvangt,
Zag ik naar deze wisseling van status,
Naar status zelf, vervallen en verdwenen,
Gaf me dat wel te denken wat het waard is:
Want Tijd zal komen om mijn lief te nemen.
Ik sterf bij dat idee, heb niets te kiezen
En huil om wat ik heb maar moet verliezen.

(**) ” Goethe’s Prometheus”: Hymne van Goethe (1749-1932) uit zijn “Sturm und Drang”-tijd (geschreven rond 1772-1774, hij was toen vooraan in de twintig). Nands citaat is te lezen aan het slot.

(achtergrondinformatie over deze hymne zie: bespreking in het Engels of in het Duits)

Tekst:

(Späte Fassung)

Bedecke deinen Himmel, Zeus,
Mit Wolkendunst,
Und übe, dem Knaben gleich,
Der Disteln köpft,
An Eichen dich und Bergeshöhn;
Mußt mir meine Erde
Doch lassen stehn,
Und meine Hütte, die du nicht gebaut,
Und meinen Herd,
Um dessen Gluth
Du mich beneidest.
Ich kenne nichts Aermeres
Unter der Sonn’, als euch, Götter!
Ihr nähret kümmerlich
Von Opfersteuern
Und Gebetshauch
Eure Majestät,
Und darbtet, wären
Nicht Kinder und Bettler
Hoffnungsvolle Thoren.
Da ich ein Kind war,
Nicht wußte wo aus noch ein,
Kehrt’ ich mein verirrtes Auge
Zur Sonne, als wenn drüber wär’
Ein Ohr, zu hören meine Klage,
Ein Herz, wie mein’s,
Sich des Bedrängten zu erbarmen.
Wer half mir
Wider der Titanen Uebermuth?
Wer rettete vom Tode mich,
Von Sklaverey?
Hast du nicht alles selbst vollendet,
Heilig glühend Herz?
Und glühtest jung und gut,
Betrogen, Rettungsdank
Dem Schlafenden da droben?
Ich dich ehren? Wofür?
Hast du die Schmerzen gelindert
Je des Beladenen?
Hast du die Thränen gestillet
Je des Geängsteten?
Hat nicht mich zum Manne geschmiedet
Die allmächtige Zeit
Und das ewige Schicksal,
Meine Herrn und deine?
Wähntest du etwa,
Ich sollte das Leben hassen,
In Wüsten fliehen,
Weil nicht alle
Blüthenträume reiften?
Hier sitz’ ich, forme Menschen
Nach meinem Bilde,
Ein Geschlecht, das mir gleich sey,
Zu leiden, zu weinen,
Zu genießen und zu freuen sich,
Und dein nicht zu achten,
Wie ich!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *