Brieven aan Nand mei 1989-april 1994

Opmerking: Na het overlijden van Nand is Sim begonnen met hem brieven te schrijven, net als in hun liefdesjaar 1950-1951, maar nu is er geen antwoord meer, hoewel… Het pijnlijke gemis blijft, en jarenlang zal dat zo blijven, tot Sim eindelijk opnieuw kan samen zijn met hem voorbij de dood, een kwarteeuw later, op vrijdag 13 maart 2015 (een vrijdag de dertiende…).
Helemaal uitgeput en verteerd, sterft ze op het middaguur in de armen van haar zoon en dochter. Sim werd 95 jaar.
Deze “brieven aan Nand” tonen op aandoenlijke wijze hoe verscheurend een gemis kan zijn, en kan blijven…

Het manuscript, meer dan 200 bladzijden, bestaat voor een groot deel uit getikte pagina’s, naar het einde toe gaan die langzaam over in handschrift.

Het wordt langzaamaan duidelijker dat Sim het landhuis zal moeten verlaten, en dat wordt voor haar een lange lijdensweg die vijf jaar zal duren.
Innerlijk is het een voortdurende kommer en droefenis, die ze voor de buitenwereld verbergt. Enkel haar dagboek biedt een luisterend oor voor haar aanhoudende verzuchtingen en angsten…

(Ik heb een citaat van Nand dat Sim hieronder aanhaalt als titel gegeven, want  Nand wordt inderdaad herinnerd om één of twee gedichten die met zijn naam verbonden blijven, maar ik betwijfel of hij tevreden zou zijn over welke het uiteindelijk geworden zijn… deze bedenking viel me pas op bij het overtikken, want het citaat kende ik al lang. )

“Mocht ik maar blijven voortleven met één of twee gedichten, ik zou al tevreden zijn…”

manuscript blz. 1:

(blz.1)
Brieven aan Pips,                      mei 1989

Je bent weg pips, we hebben het al weken zien aankomen en jij wist het blijkbaar niet; of heb je toch mijn aanhoudend smeken gehoord in je heldere witte kamer: “Pips word beter, want we moeten in juni naar zee!”. ik had dit afscheid al vorig jaar gevreesd; maar je hebt toen gevochten tegen het onvermijdelijke. Jij hebt toch je hele leen gekampt; sterk en krachtig zoals een eik die niet valt maar splijt. Het is hier ontzettend stil in de kamer. Ik weet dat je niet schuivend de studio zult binnenkomen en vragen of de thee klaar is en of de merel fluit, neen ik zeg het zelf stilletjes voor me uit, nauwelijks hoorbaar, maar zeer bewust.

De nacht was “unheimlich”. Ik heb de schemerlamp laten branden in de galerij boven want er stond een vreemde auto vóór het  huis geparkeerd. Ik ben een paar keer gaan kijken tot ie omstreeks 1 u. verdwenen was. Het werd niet helemaal donker buiten en de meinacht was reeds zomerzwoel. We zouden op 1 juni naar zee gaan. Jij had er toch zo naar verlangd. Ik zie nu met angst de volgende maand tegemoet omdat elke dag me herinneren zal hoe het zou kunnen zijn zoals de vorige jaren. Ik heb mijn dagboek doorbladerd en bemerk dat het toch ook een kommervolle tijd was. Weet je nog die maanden vóór de ingreep en je geest dwaalde soms af; het was nog pijnlijker dan het feit dat je niet meer gezwind over de dijk kon wandelen. We hebben toen die rolwagen geprobeerd waarvan je vroeger zei: “als ik ooit daar moet inzitten, dan ben ik liever dood!”. Maar jij hing nog met alle vezels vast aan het leven met mij en de kinderen, al waren er die ongemakken van de laatste jaren.

Ik heb gisteren een paar dozen uit de ingemaakte kasten gehaald en plots werd ik hevig teruggegooid in de verrukkelijke verlovingstijd. Ik heb vannacht de brieven gelezen, bijna veertig… in je sierlijk handschrift. Het was heel laat of vroeg zoals je wil toen ik onrustig ben ingeslapen. Nu liggen ze hier op het salontafeltje en ik neem ze nu één voor één en herleef intens de dagen van toen, de herinneringen zitten vol zon en zeelucht zodat het me hier in huis te eng wordt. Ik ben daarstraks door het hoge gras gelopen, je weet dat we het de eerste jaren ook maar lieten wild groeien; de vader van Karel kwam dan hooien, misschien zal ik de nieuwe boer vragen. Jij had zo graag dat het grasperk er keurig uitzag zodat je ongehinderd kon wandelen tot beneden in de boomgaard of tot het schapenhok waarop je de witte zwaan had geschilderd.

Nu maar pas bemerk ik hoe jij in je brieven mij hebt opgevoed en doordrongen van je eigen visie op mens en maatschappij. Jij spiegelde er onze toekomst in voor verheven boven de trivialiteit van de
(blz.2)
gewone sleur. Het is of ik nu maar pas de dieper zin van je beschouwingen vat en mijn God, ik kan het je niet meer zeggen. Het doet afschuwelijk pijn, soms prangt een golf van weemoed mijn ademhalen dicht tot de verlossende snik.

Ik ben zoëven naar het gemeentehuis geweest met ons trouwboekje en mijn identiteitskaart, er moesten ook handtekeningen gelegaliseerd. Ik heb het trouwboekje teruggekregen en dacht dat je overlijden erin zou vermeld zijn. Men was het vergeten en het gaf me een gevoel van opluchting. Vreemd hoe kleine dingen je plots hevig treffen; zoals de nietszeggende berichten van medeleven naast de andere ontroerd en gemeend. Twee vermelden me als weduwe F. V. en dat doet weer zo’n pijn. Ik weet nu dat ik bij gelegenheid in een blijk van medeleven dat nooit zal schrijven.

De zon zit weer zomers te glooien al een hele week sinds jij verdween. Als ik straks buiten zat even in de zetel zomaar kwam je niet langs de achterdeur schuifelend en vragend een tikkeltje aarzelend “wanneer eten we”. Ik heb vorige week nog twee borden klaargezet; het was afschuwelijk ontnuchterend. Gelukkig komt Gd. het weekend hier doorbrengen. Ze heeft je atelier ingepalmd en zit aan je bureau. Gisteren was de familie compleet voor de verjaardag van G. Het werd weer het klassieke jarenlange ritueel maar jij zat niet meer aan je vertrouwde plaats. Niemand maakte er een opmerking over maar we communiceerden dezelfde gedachte. Weet je nog die meienamiddag toen G. zich aanmeldde? Tante stond mij bij maar jij verdween in het bos dat net tegenover de materniteit lag. Toen jij terug om vijf uur aankwam (je eerste was er al van drie uur) en je aarzelend je hoofd naar binnenstak en tante je proficiat wenste met je verse dochter klonk er wel een tikkeltje ontgoocheling door in je stem. Jij had een zoon verwacht. Hoe kon je weten wat een schat je toen in je forse handen hield? Twee jaar later ging je wens in vervulling en nu stoeiden gisteren je zes kleinkinderen onder de waterkraan proestend en hijgend van uitgelaten pret. Het was bijna hetzelfde tafereeltje als tweede paasdag toen jij met ons op het terras zat en je de kleine badmintonraket olijk als gitaar gebruikte. Zo sta je nu op de foto’s de laatste waarop we allen saam de volledige kring maken…

Ik heb de was opgehangen er was nog een pyjama van jou bij en je blauw onderlijfje dat je droeg toen we je op 10 april noodgedwongen moesten wegbrengen. Ik ben bijna die vreselijke weken vergeten dat je in coma lag, ik maak onwillekeurig de brug naar de tijd dat je nog hier met je boeken urenlang te lezen zat. Je boeken liggen er nog steeds en je brillendoos ligt er grijpensklaar. Overal liggen nu jouw bundels als het me te erg wordt lees ik één van je verzen; weet je dat mooie “Mijn blonde lief in het rijpend koren… en voel je mijn adem op je gezicht”. Het was ook het gedicht dat Anton Van Wilderode op de viering las.
(3)
Hij wou ook voorgaan bij de eucharistieviering van je laatste afscheid maar een aanval van diabetes en bloedstoornissen hebben het hem belet, toen hebben we een beroep gedaan op John van Echelpoel, je weet die oud-collega van Assumpta. je had er ooit esoterische gesprekken mee en hij was je zeer genegen.
Het was vorige donderdag één van de weinige zomerse dagen in mei, hoe dikwijls reden we met onze kustvakantie onder een druilerige sombere hemel, de weergoden hebben je stralend begeleid. Het intieme Duinenkerkje geurde naar de meibloesems en de zoele zeebries waaide strelend in mijn gezicht. Je was er meer dan ooit aanwezig, toen de kinderen de meiklokjes (ik had ze nog in de vroegte in de tuin gegaard… de laatste) op de sepiabruine urne legden. Ik had even hetzelfde gevoel als in de abdij tijdens je viering: een onwezenlijke werkelijkheid. Toch waren er een tiental, voor mij vreemde aanwezigen, die ontroerd de viering volgden. Achteraf bleken het nog verre verwanten van jou die het bericht van je bijzetting in Oostende ’s zondags in de mis hadden vernomen?. De kinderen waren er zeer van aangedaan en besloten een eerstvolgende tijd je stamboom op te sporen.
De grafkelder, waar je steeds zo bekommerd om was, hebben we gans laten vernieuwen. De bronzen lettertekens van de V.namen glansden hevig op uit het donkere marmer.

We stonden ervoor verwezen en verstild zonder misbaar maar ik voelde toen jouw levenskracht in mij wegvloeien trager en trager tot er niets meer was dan “dor loof en uw verloren spoor”. We hebben het maal gebruikt in “De Kinkhoorn” op de dijk, het was er duf en benauwd, daarna zijn we uit Mariakerke naar Oostende gereden langs de Koninginnelaan 25. We hebben voor je oudershuis aarzelend gepoogd je beeld op te roepen in die tijd.

(foto: Google Streetview, september 2014)

Toen we langs het domein van de koninklijke villa het open water bereikten en de verkwikkende zeelucht de hete middaglucht temperde wist ik meer dan ooit hoe erg je moet geleden hebben om Oostende je thuishaven te verlaten. Heb je zelf niet dikwijls herhaald dat je in Weerde woonde maar er niet leefde?

In de avonduitzending riepen ze het bericht om van je afsterven: kort verwijzend naar je Noorse inspiratiebron. Ik heb het zelf niet gehoord vrienden zeggen het ons. Voor T.V. was je al zoals “De Standaard” het zaterdag schreef “Door de jongeren niet gekend en door de ouderen vergeten…” dus hier gaf men het bericht niet door. Ik denk maar steeds aan je woorden “Mocht ik maar blijven leven met één of twee gedichten ik zou al tevreden zijn…” Nu ik de vele brieven krijg waarin je heengaan zo oprecht wordt betreurd, weet ik dat je niet vergeten zult worden.
(4)
Ze liggen hier naast mij: sommige in onhandig en bevend geschrift de ouderen die je hebben bewonderd tijdens de mobilisatie, jongeren ook die je via mijn lessen in Assumpta hebben gekend. Het is ontroerend en troostend tegelijk. Ook vele telefoons (al zou ik ze liever niet beantwoorden) getuigen van een oprecht medeleven. Ik heb boven een paar dozen onder handen genomen. Het is zeer vermoeiend werk; ik weet dat je er eens aan begonnen was en je het opgaf want het is zenuwslopend. Dan nam ik maar je onvoltooide memoires ter hand. Het bracht me terug in de tijd van de mobilisatie, je schrijft daar over de eerste bombardementen; ik had het er ook over in mijn langzaam voortschrijdend boek (ik heb er sedert 12 mei niet meer aan voortgewerkt, mijn hoofd stond er niet naar).

Ik heb nu de foto’s saamgebracht voor het bedankkaartje. B. is binnengekomen en heeft er eentje uitgekozen. We hebben eigenlijk niet kunnen praten want er was burenbezoek.
Ik heb de tekst gekozen “Sterrennacht”, B. vond het ook goed. Ik denk dat ik ook iets zal schrijven, zoiets als een laatste brief aan pappie. Ik kan dan eens zeggen dat er nog zovele je kennen en in het hart dragen; het zal dan een repliek zijn op de Standaard waarin Hugo Vanhoof zei: “de jongeren kennen hem niet en de ouderen zijn hem vergeten”; daar heeft al een briefschrijver op gereageerd. Dat deed goed. Vanavond zal ik eraan verder werken als ik het kan zonder huilen want soms breekt de stroom buiten de oevers en moet ik mezelf in toom houden. Daarjuist zat ik even buiten, er waaide een frisse bries en het terras was wat afgekoeld. De bomen ruisten en als ik mijn ogen sloot was het alsof de zee in de kruinen zong. Ik vroeg me toen af waar is onze pappie nu, zou hij me nu zien en weten hoe ik voel, er besloop mij weer een ondraaglijk gevoel van ongeloof en verwarring, kon ik maar weten dat je ergens was, dat je ergens kon helpen, ik weet dat je het zou doen. Ik heb iets gedaan wat ik mij verboden had, ik heb overal je foto’s gezet, ik zal er een paar lijstjes voor kopen. Voor mij staat die van Kerstmis ’83 waar je me stevig vasthoudt en we lachen beiden beaat en gelukkig (ik had ook een flinke taart in de handen!), daarnaast stappen we beiden gearmd over de zeedijk in Oostende; het was een zondag en tante vergezelde ons. We hadden in de mis in Gistel onze naamafroeping gehoord “de eerste roep”. Ik denk dat dat nu niet meer gebeurt want ik hoor het niet meer in de zondagse mis, er is ook zoveel veranderd. Eigenlijk horen we niet meer in deze verdwaasde wereld thuis. Als ik even T.V. opzet kan niets mij meer interesseren, zelfs mijn geliefde “chiffres et lettres”, het boeit mijn niet meer. Misschien begin ik verder te lezen in Bodiffees “Ruimte voor Vrijheid”? Je kaartje steekt er nog in tot waar je las…

(nvdr: hier volgen nog 120 over te tikken bladzijden over de periode tot mei 1991. Hieronder de bladzijden vanaf 14 mei 1991, met de teller opnieuw op blz. 1. Nand wordt hier niet rechtstreeks aangesproken, zodat de stijl meer zuiver dagboek wordt, meestal geschreven, dus niet overgetikt, zie voorbeeld van blz. 2:)

“Het mocht niet zijn, zoals elk vurig verlangen naar geborgenheid, voor mij nu een ijle droom, elke dag wat meer onzeker; elke dag wat meer omfloerst….”

(blz 1 begint uitgetikt gaat over in handschrift)
14 mei 1991
Bert (nvdr: broer van Sim) ligt nu begraven, zoals hij wenste op het hellend kerkhof van Grimbergen. In de verte rijst de abdijkerk der Norbertijnen waar de uitvaartdienst plaats vond. Het is er rustig en de stadsgeluiden dringen hier nog niet door. Voor het eerst priemt de zon door de meiwolken.
“De bloemen en kransen zijn nog niet verwelkt”, zegt M. toonloos en probeer zakelijk te overleggen welke grafsteen het best geschikt zou zijn. De zonen staan er onwennig bij. Een vliegtuig scheert scherp naar het nabijgelegen vliegveld en de vogels onderbreken even hun verstoorde bezigheid.
Gd heeft het weekend bij mij doorgebracht; zo kan ze zich beter concentreren bij de studie. We vullen saam de leegte op in het huis en ik ben wel verplicht voor een ordentelijke maaltijd te zorgen. Want anders is het maar zowat “sur le pouce”!
Vorige zondag 12 mei kwamen de fontein mij ‘moederdag’ wensen. B. had zijn verplichtingen aan E’s kant. Hij belde me evenwel op in de vroegte. G.’ke had de plant der “hoop” bij een reukje en de kinderen de tekeningen.
’s Avonds trokken ze allen wuivend weg.
Ik ben met de verhuis begonnen op de slaapkamer en nam m’n intrek in het atelier bij de telefoon in handbereik. Ik slaap nu waar pappie het grootste deel der laatste twintig jaar permanent verbleef. Elk hoekje tast ik met nauwgezetheid af, ga met de beelden der allegorieën te ruste en ontwaak ermee –
20 mei 1991
Morgen verjaart G’ke, 38. Ik heb de plaatsen opgeruimd waar gisteren de familie compleet was voor de herdenkingsmis van pappie. B. en Co had weer andere verplichtingen. “Kismet”. Ze hadden bezoek uit Nederland. Ik hoop dat ze het huis wat orde meegaven, want de aanblik van de chaos maakt me misselijk. Ik zwijg en doe of ik het niet merk.
(blz 2 handschrift)
Het is weer koud vandaag, reeds weken wacht ik op de warmte. De kachel moet weer constant branden. De doos die Bert me bij onze laatste bejegening overhandigde heb ik uitgepakt en al de emoties van een donkere tijd reten weer alle littekens open. De stapels brieven die we in de celtijd naar elkaar schreven. Eén van moeder naar haar enige zoon was zeer ontroerend; het is ook de eerste keer dat ik hem las, want ik was toen zelf geïnterneerd. Hoe zwaar toch werd het gezin beproefd. Noodgedwongen moesten ze het landelijke huis verlaten, have en goed wisselen voor de steedse behuizing. Te bedenken dat m’n ouders toen nog een stuk jonger waren dan ik nu en hoe ze de kortzichtigheid en de nijd van eigen volksgenoten moesten ondergaan.
21 mei

Ik ben naar Germaine VG geweest om de ongemakkelijkheid van het sorteren van me af te zetten en besloot naar het oude dorp door te rijden. Met moeite herkende ik het oude landschap onder de nieuwbouw en de keurig ingerichte tuintjes en percelen. Het vroegere “Perckveld” met de hobbelige aardeweg werd aangelegd, verbreed en verkaveld. Het Wingerveld vóór het ouderhuis – eens een wiegende graanzee – staat volgebouwd. Ik zocht met enige moeite naar het verloren perceel bouwland in de Looikensstraat en sloot met de boer een mondelinge overeenkomst voor verkoop. Toen ben ik even bij M.V.d.W. gaan praten, een herinnering van 50 jaar geleden —
(blz 3)
22 mei 1991
Vanmorgen ontving ik een ontroerend schrijven van een vriend van Bert. Hij stuurde een vergrote foto van hun beiden anno 1944 sept. Ik voeg hier de brief bij die ik hem schreef om hem te danken en om nog even te reminisceren  naar de tijd van toen —
24 mei 1991
Vandaag kwam G’ke met de fiets naar hier. We hebben samen op het terras gegeten en ze had de tijd niet voor de verbeteringen uit te voeren die ze gepland had want moederlief had veel te vertellen!!
26 mei 1991
Gisteren heb ik voor het eerst weer de zitmaaier uitgehaald, het was twee jaar geleden. Ik vreesde dat de kracht zou ontbreken om in te schakelen. Na een vijftal trekbeurten gebeurde het. ’t Was een vreemd gevoel opnieuw de banen af te meten, al is het gras in een bedenkelijke staat – –
B. kwam onverwacht met de knapen binnen. E. moest werken. De jongens waren ongeduldig om “te kermissen” in Kortenberg. Zo reden ze al tegen tweeën weer weg.
27 mei
Ik heb plantjes gehaald en de bakken (een paar maar) onder het stof en spinrag uit de garage gehaald. Nu staan een handvol geraniums en salvia’s te wachten op de spaarzame zon – In huis blijft het kil en daarom blijft de kachel in de studio branden.
(blz 4)
Reeds twee avonden na elkaar ga ik vroeg naar boven, geïnstalleerd in het éénpersoonsbed van Pips, in het atelier luister ik naar zijn lievelingsplaten, Rachmaninofs 2de concert. De Koningin Elizabethwedstrijd begon ook op de 27ste, de twee Russische pianisten hadden Rachmaninofs 3de pianoconcert gekozen: lang en zwaar. Ik moest aan pappie denken die er zijn commentaar zou hebben aan gegeven.


nvdr: “Adagio Sostenuto” uit het 2de pianoconcerto van Sergei Rachmaninoff:


Begga en haar Pa waren op theebezoek. De kranige negentigjarige – over twee jaar wordt hij honderd – en zijn geest is nog lenig en gevat. Nadat ze om zes uur zijn weggereden overviel me plots een onverklaarbaar gevoel van desolate eenzaamheid, huilend heb ik het atelier opgezocht en hoorde de verklaring van Patrice Chalulau’s opgelegde concerto. Het is geïnspireerd op 9 gezangen uit de hel van Dante en toen ik het nu voor de vijfde keer hoorde gaf het heel de ontreddering en verlatenheid weer waarin de mens wegglijdt als hij niet vermag zijn zelfbeklag te overwinnen. Toen telefoneerde J. voor een afspraak ’s anderendaags. Het was een lichtpunt van een van de velen die nog om mij geven. Het stemde me rustig, al moest ik weer mijn toevlucht nemen tot een half Merinax pilletje. Het was toen al 4u in de morgen.
We hadden afgesproken op de parking van het Grimbergse kerkhof. Ik kan niet beschrijven wat er in mij omging. Het hellende dodenveld dat ik traag betrad. Het was een eerste warme lentedag van een koude meimaand die over een paar dagen ten
(blz 5)
einde loopt. Ik was er alleen. De graven keurig gerijd. In de gleuf van een gebroken zerk priemde een madeliefje, de namen waren onleesbaar.. Het graf van Bert in een terpje opgehoopt, was nu ontdaan van de tuilen en kransen der eerste dagen… Het houten kruis vermeldt alleen zijn naam, koud en onwezenlijk.
Ik hoorde me tot hem zeggen dat een oude vrouw me uitnodigde en hij wel veel in onze gesprekken zou aanwezig zijn. Ik zette het laatste beeld van m’n dode broer van me af. Een beeld dat steeds terugkeert. Zo was het bij m’n zus. Zo was het bij Ferdinand. Het grijpt je vast op elk ogenblik ban de dag en belet me bij nacht in de slaap vergetelheid te vinden.
(blz 6 opnieuw uitgetikt manuscript)
Mijn voorgenomen besluit geen reis te ondernemen zolang de tergende onzekerheid omtrent het huis duurt is ijl gebleken. De zomermaand is weer in zicht. Ik heb het rottende hout van de raamkozijnen wat geplamuurd en wat schrale bloemen in een paar bakken ingeplant. De tuin aan de garagekant is overwoekerd en telkens als ik de wagen gebruik denk ik aan wat het eertijds was. Het zal me beter bekomen als ik er een paar dagen uittrek, weg van de sombere junidagen die kil en koud zijn als de op materieel beluste mens. Ik zal Ant. bezoeken in het warme zuiden en er zijn “clowns” bekijken die de weerspiegeling zijn van een gekke wereld waarin we zelf meedraaien als in de mallemolen die Ferdinand ook heeft geschilderd. Ik zal me wringen in het keurslijf van goodwill en elke opkomende wrevel in ijl gezwets proberen te drukken.

Ps: zie verder de film die Sim draaide van haar bezoek aan Port Camargue / Le Grau du Roi (8mm)

Al. vergezelt me, maar ook haar perikelen zullen meereizen en ik vrees dat het relaas eromtrent, al worden ze soms verpakt in een tragisch-komisch verslag, evenmin zullen onderdrukt worden.
De verwachting van het onbekende en de spanning ervan scoort altijd hoger dan de realiteit. De comfortabele eersteklassereis met de slaaptrein werd verstoord door het onbehaaglijk sleuren van te zware bagage. Het betekende een regelrechte aanval op mijn opgespaarde energie die ik door het stilvallen van mijn tuinactiviteiten nu stilaan voel verebben. We bereikten na de hortende slaap het station van Montpellier bij 300. Ik vroeg me af of de onzekerheid van het avontuur  nog wel was weggelegd voor dames op leeftijd, temeer daar de vriendin permanent lijdt aan een slepende zenuwontsteking. Ik bewonderde haar uithoudingsvermogen, want ik vermoed dat ze de pijn verbijt om mij ter wille te zijn. De bus bracht ons bochtend naar het stationnetje van Grau du Roi. Ondertussen hadden we al de typische landschappen van de streek ontdekt: de zandkleurige huisjes in het groene kader en de weelde van de oleanders in bloei. We verbaasden ons over de afschrikwekkende woonmastodonten van het futuristische Grande Motte. Hun contouren tekenden zich brutaal af tegen de blauwe lucht van de Camargue. An haalde ons op in het autootje dat hoorbaar aan een grondig nazicht toe was al gaf het achteraf blijk van een “formidabel” uithoudingsvermogen, zoals trouwens zijn conducteur: de minzaamheid en hartelijkheid, zo oprecht en gemeend!
Al. en ikzelf schaamden ons later over onze eisen in verband met het logies want nadat onze gids de verschillende mogelijkheden had overwogen kwamen we terug tot het eerste uitgangspunt: “Hotel de la Camargue”, een studio met uitzicht op de piscine en verbonden met de nabijgelegen zee op een boogscheut alleszins en na een paar dagen hielden we van dit minuscuul plekje zodat Al. reeds plannen smeedde voor een evntuele terugkomst. Voor een rustig verblijf ter plaatse alleszins paradijselijk een oase van groen en geurende struiken. De marina’s en de boten niet veraf.
(blz. 7)
Ze wiegden dromerig zacht als lokkende sirenes te noden voor een trip op het blauwe!
Woensdag 28.
Al. is moe en rust uit van de inspanning der vorige dagen. We hadden afgesproken de Ibis in de namiddag te bezoeken aan de meerplaats niet ver van het hotel over de binnenweg die Ant. me vorige avond had aangewezen. Ik wilde even de weg opnieuw verkennen om, mijn schamel oriënteringsvermogen kennende, Al. straks een nodeloze omweg te besparen. Ik liep in de blakende middagzon de hele meerstrook af en liep zoals steeds weer verloren, langs verrukkelijke wegeltjes alleszins maar moe en bezweet bereikte ik opnieuw mijn vertrekpunt waar Al. niet erg opgetogen bleek te zijn met mijn lang oponthoud… Nadat we beiden over ons humeur heen waren bereikten we dan toch tegen drieën de Ibis en zijn bewoner bezig de te koop gestelde sloep wat op te kalefateren. Nadat we een kijkje hadden genomen in het interieur bezochten we ook zoon Rein en vrouw Viviane in hun zeevaardige optrek. Ik heb de opkomende weemoed onderdrukt als ik de plejade van zeilen, masten overschouwde, omdat ik steeds aan Ferdinand moest denken die nooit de trip naar het zuiden met mij heeft gemaakt in een tijd waar het voor hem een openbaring zou geweest zijn. Hij droomde van een zeereis, hij sprak erover en schreef zijn verlangen neer in het mooie vers:
“Konden wij reizen, gij en ik
o, geliefde mijn
op een broos getuigde brik
of een blanke brigantijn…”
Het mocht niet zijn, zoals elk vurig verlangen naar geborgenheid, voor mij nu een ijle droom, elke dag wat meer onzeker; elke dag wat meer omfloerst.

We hebben Ant. uitgenodigd voor een etentje bij een schemerlichtje en een prikkelende “Pic de Poule”. We hebben wat losjes gepraat en het moment van beleven in onszelf vastgelegd om later de herinnering ervan te koesteren als een kleinood in “une boîte magique”!
Donderdag 27
Ant. moet voor controleonderzoek naar Villeneuve bij Avignon. Wij vergezellen hem. Het is zijn eerste lange autoreis sinds de infarctus. Nu en dan tast ik de sterk gelijnde trekken af onder de golvend witte artiestenkop maar ik bemerk geen vermoeidheid en zacht gezapig vertelt hij zijn belevenissen, de moeilijkheden bij het opbouwen van een bestaan, de familieperikelen, de ups en downs in een kunstenaarsbestaan, de niet van risico’s gespeende beslissing met hebben en houden naar het zuiden te trekken weg van het koude noorden naar het lokkende avontuur nog vóór de bezadigde levensavond het verhinderen zal.
(blz 8)
We rijden langs kalme wegen. Ant. kent de mooie plekjes buiten de jachtige autoroutes. Het Van Gogh landschap ontrolt zich ettelijke malen voor ons. De gele weelde schept een gevoel van opgetogenheid, alleen de niet wijkende zwarte vlek op het netvlies van mijn oog scheert als een zwarte vogel over het vergezicht. Ik druk de gedachte van vrees en onbehagen weg en vraag aan Al., die achteraan in de wagen onze gesprekken maar met slierten volgt, of het gaat… “Het gaat”, zegt ze, maar ik denk dat ze wel stiekem haar pilletjes neemt tegen de opkomende pijn.
Terwijl Ant. op doktersvisite is, slenteren we naar de “Chartreuse”. We zien het fort André op de hoogte en zouden wel graag naar Avignon, maar we zijn gebonden aan onze bereidwillige chauffeur die ook zijn bevriende dame wil bezoeken die hem ook bij zijn reis naar Vlaanderen in de herfst vergezelde en even in Weerde te gast was. Haar huis deed me denken aan de “Kleine Johannes” van Fr Van Eeden. Een tuin vol romantiek zoals trouwens het huis, gevuld met allerlei zaken, liefderijk bijeen gegaard “une maison habitée”. De koelte op het terras werd onderbroken door een ver getsjirp van een verdwaalde krekel die als het ware optornde tegen het zuiders timbre van de bezig zijnde gastvrouw. Mijn gedachten dwaalden af onmerkbaar naar het verhaal van Ant. levensverhaal naast Régine had hij “the best years” van zijn leven doorgebracht de fijn begaafde vrouw uit het noorden. Het zal alleszins een aanpassing vergen of een inschakeling op een ander diapason zoals ieder van ons doen moet als we uit onze “heilige” eenzaamheid onder de mensen komen en we soms onze eigen stem over onbenulligheden horen spreken waar we het eigen gelaat proberen te verhullen.
Vrijdag 28.
We bezochten het graf van Régine: een zandkleurige terp op het nieuwe stoffige kerkhof van Grau du Roi. Het gaf me een schok. Ik hoorde de zachte stem van Ant. die zich verontschuldigde omdat de afwerking ervan niet voltooid was. De beplanting was door de warmte min of meer verschroeid. De keien knirsten onder onze voeten. Ik dacht aan de graven van onze geliefden en de vergankelijkheid van dit bestaan waaraan we nochtans met zoveel vezels vastzitten.
Ook het bezoek aan Aigues Mortes was indrukwekkend. De vestingen rondom de bedrijvige winkelstraatjes. Ik zou er willen terugkeren zonder de sliert van de luidruchtige toeristen en hun schreeuwerige muziek attributen. Je moet er lopen met je hoofd in de hoogte en verwijlen in die 13de eeuw toen de heilige Lodewijk van hieruit zijn kruistocht begon voor een ideaal, onbereikbaar en dat hem naar de dood zou leiden maar juist ook hierdoor onsterfelijk. Waarom overviel me weer die onuitsprekelijke weemoed waarvan ik niet loskom. Had ik me niet voorgenomen “het Carpe-diem” te beleven ver van het vertrouwde nest in het kleine dorp. Hier zit ik dan op een terrasje bij een flinterdunne pannenkoek, die naam niet waard,
(blz 9)
en ik moet de opwellende treurnis verdringen. Ik wil huilen maar wie zal het verstaan?
Zaterdag 29
Er is een groepstentoonstelling in “Le Carrefour 2000”, Ant. maakt deel uit van de jury en we gaan er naartoe. Het complex is vlakbij het hotel. De zon brandt en het is heet. De gasten grijpen naar de vriendelijk aangeboden drank en versnapering. De tentoongestelde werken geven blijk van niet al te denderende inspiratie: Camarguegezichten, schepen en bloemstukken. Geen doek waarbij je plots getroffen staan blijft omdat er de vonk is die je aangrijpt en ontroert, die het innerlijk beleven van de steller weergeeft, zijn eigen zienswijze, zijn ontreddering, zijn extase…
Al. wacht buiten op een stoepje. Ze is moe. We zullen even naar het hotel terugkeren en spreken af om naar het atelier van Ant. te rijden in de namiddag. We slenteren langs de straatjes van de Grau. Het is maar een vijftal minuten rijden van Port Camargue. Ik film een stukje van de haven. Jammer dat het fotoapparaat van Al. niet werkte!
Zondag 30
Ant. brengt ons naar de studio van M. die er nazicht houdt voor de verhuring. We babbelen iets te lang en fullspeed gaat het naar het station waar Al. en ik de trein nemen naar Nîmes. We komen er aan in de hitte van de middag. Ons uithoudingsvermogen is formidabel. Na de arena bezoeken we “La Maison Carré”, ernaast wordt de mediatheek opgericht, een moderne mastodont. Het gezicht ervan doet me weer inzien hoe luttel een tijdperk zich aandient in de spanne van de eeuwigheid.
We slepen ons voort naar “Les Jardins de la Fontaine” of hoe dat park ook heet. We ploffen uitgeput neer en verorberen er ons zoveelste slaatje en ijsbollen.
“Il faut absolument prendre le café chez Cortois”, had M. ons gezegd.
Na lang zoeken worden we beloond voor deze inspanning.
Een mooie dag spijts de sleet in de benen ! We komen er terug!
Maandag 1 juli
De dag vóór de afreis. We zullen de Tikki III op de kleine Rhône de Camargue bezoeken met de wilde paarden en de stieren die er tot vlak aan de oever te kijk staan. De boot werd overrompeld door heen en weer lopende bengels op een schooluitstap. Het maakte me humeurig. In St Marie de la Mer, zelfde druk beklante winkelstraatjes, bezoeken we de kerk der drie Maries en beëindigen we de laatste trip op een “eetterrasje” in de zon.

Film die Sim draaide (8mm) over het bezoek aan Port Camargue / Le Grau du Roi / Les Saintes-Maries de la Mer met vriendin Al. (Al. draagt donkere bril):

(blz 10)
Dinsdag 2 juli 1991
De terugreis naar het noorden vangen we reeds aan op de middag. Ant. brengt ons naar de bus Port-Camargue-Montpellier. We zullen er in de namiddag nog even verwijlen vóór de trein vertrekt om 8u ’s avonds.
“Polygoon” is een reuzewinkelcentrum en ik laat me verleiden voor een typische provencerok en de laatste briefjes worden gewisseld. Op de brede lommerrijke allee kauwen en trekken we aan de rijkelijk-belegde pain Français, een regelrechte aanval op onze tandenconstitutie. Veel te vroeg sjouwen we de koffers naar perron 2. Bezweet en moe bestijgen we de wagon-lit. Al. zegt dat het horten en schokken van de wagen voortkomt omdat we waarschijnlijk op de wielen liggen want bij de heenreis ondervonden we minder hinder van het gedender maar onze uitputting zorgde voor het nodige soelaas.
Het regende miezerig toen we te Schaarbeek uit de trein stapten, stilzwijgend en mijmerend in gedachten bij de te vlug verlopen dagen.
Na een kort oponthoud in de Rooseveldstraat werden we door de bereidwillige neef ten huize afgeleverd en het hele avontuur bleef een onwezenlijke droom. Al. zei wat weemoedig “wanneer vertrekken we opnieuw?”. Zij dacht waarschijnlijk aan de reis met haar familie op 10 augustus wanneer ze voor een drietal weken naar de Provence weerkeert.
Woensdag 3 juli
We hebben de zon meegetroond want hier wordt het ook zomers, alleen vergelijk ik de troosteloze verwildering van de tuin met de keurige perken in Port Camargue. Gelukkig heeft B. het grasperk gemaaid en de karige bloembakken verzorgd.
Met M. plan ik een oponthoud bij Marthe in Knokke. We zullen toekomende week afreizen en even langs Oostende het V.-graf bezoeken.
Dinsdag 23 juli
Ik voel me als Ahasverus de “reizende”, want na een week Knokke werd het Reimsbach in de Saar, heimat van M. Haar huis ligt tegen de rotswand en de heuvelachtige streek met onverwachte steile hellingen en dalen vergen uiterste concentratie bij het sturen. De vergezichten en panorama’s zijn adembenemend mooi, een streek om lief te hebben. De woning van haar nicht in Saarbrücken ligt op een rots; we moeten 62 treden op om de voordeur te bereiken, een huis voorbestemd voor een schilder of een schrijver waar hij ongestoord en rustig zou veruiterlijken de kleinheid van de mens en zijn bekrompen bestaan daar beneden zonder uitzicht, zonder omlijnd doel.
(blz 11 opnieuw handschrift)
Augustus 1991
Ik ben een paar dagen in Knokke bij G. en de meisjes te gast geweest. Dochterlief was humeurig. Ze had enkele dagen last gehad van maagongesteldheid. 30 juli kwam R. me halen en I. vergezelde me voor een tijdje vakantie in Weerde.
Op 4 augustus kreeg Mutti bericht dat haar broer missionaris in Argentinië heel erg ziek is. Ze wil ogenblikkelijk naar huis en ik stel voor haar weg te brengen maar gelukkig zal S. het doen. Hij kwam pas terug uit Washington.
5 aug.
Ben moe en ga naar de dokter. Deze heeft een vervanger: jong, interessant en artistiek ingesteld. Hij raadt me aan naar Mechelen in het dispensarium bloed te laten trekken. Ook is de dosis Ethuon die dokter T. had voorgeschreven ipv Thyranon veel te laag.
Ik knap stilaan op (450 cholesterol!).
8 aug.
Bezoek van Mia Brans, Begga en Lizette. Er wordt mij gevraagd het welkom uit te spreken voor Jetje Claessens op 6 oktober in Antwerpen. Ik aanvaard aarzelend.
13 aug.
Dr. Haenen kwam naar de werken van Pappie kijken en is zeer onder de indruk. Hij zal met een kennis komen die de tekeningen van Pips zal afdrukken.
(blz 12)
18 aug.
Verjaardag. 72. Onwezenlijk en respectabel dunkt me. Iedereen werkt in de tuin. Het lijkt me of de dagen van vroeger terugkomen.
22 – 30 aug
Ik heb de vensters wat geplamuurd en geschilderd en nam het perk met de bramen onder handen: een sisyfuswerk, maar G. zegt dat de tuinarbeid mij fit houdt, dus…
Ik ben naar het documentatiecentrum in Antwerpen geweest om de tekst voor te bereiden –
Op 29 nodigde M. een select gezelschap uit voor een etentje ten huize.
3 sept.
B. is onder de indruk omdat hij het huurhuis in Kortenberg vóór de zomer moet verlaten en hier schiet niets op. Ik ben heel ongemakkelijk.
Op 8 sept vond ik in de archieven van Pips beschouwingen voor de jeugd. Ik kan ze verwerken voor mijn toespraak. Het ontroert me sterk.
Op 11 sept zet ik opnieuw de traditie in en ga met het jong volk naar Leuven-kermis!
(blz 13)
19 sept. 1991.
Ik rij met G.Dck naar Nieuwpoort. Ze heeft er een luxeappartement in de “Castelli” – We blijven er een paar dagen en bezoeken het V.-graf in Oostende. Ik sluit de golf van frustraties achter een dosis humor weg wanneer we in het “Clarenhof” de thee gebruiken en we ’s avonds bij een whisky de geschriften van Daniel kritisch lezen over de rechtstreeks verkozen gewestraden waar hij zeer negatief tegenover staat.
Op 21 sept wonen we de receptie bij van P.V.E. in St.-Kruis. Ik lach en scherts met de oud-collega’s en stel me afstandelijk op bij de belachelijk uit te wisselen “zoenen” waar ik een gruwel aan heb!
23 sept.
Ik werk aan de toespraak voor Jetje en vind gelukkig een tekst van pappie die ik kan inlassen, alhoewel hij mij zeker zou hebben afgeraden de opdracht te aanvaarden. Hij had reeds lang het luik van de belevenissen onder en na de oorlog afgesloten. Hij wou er ook niet meer over spreken en bleef steeds ijzig zwijgen als er bij gelegenheid van bezoeken of ontmoetingen aan herinnerd werd.
Ik schreef ook een gedicht “voor Jetje”.
Op 24 sept is het 40 j geleden dat we hier onze intrek namen en ik probeer tevergeefs de gedachten eraan te onderdrukken om zo de hevige weemoed te milderen.
(blz 14)
30 sept 1991
De zoon van J.P. ligt zwaargewond in het ziekenhuis en de gedachte aan haar grote ontreddering doet me de eigen materiële moeilijkheden vergeten, ik schrijf haar een woordje opbeuring. Ook beeld ik m’n medeleven aan in een kort woordje aan Mevr. T. wier zus Anna overleden is en die ik een paar keren in de school heb ontmoet, waar ik toen haar minzame en bezorgde ingesteldheid mocht ervaren i.v.m. eigen familiale moeilijkheden.
6 oktober
Om 11u vertrek ik naar Antwerpen voor de viering van Jetje Claessens. Het is een goed georganiseerde bedoening en er is meer volk dan ik verwachtte. Mijn toespraak leek succesvol en pappie was er in de gesprekken erna bestendig aanwezig.
“Ben je verwant met Nand V.?” – “Ben je soms de dochter van N.V.?!” Het leek me plots alles zó onwezenlijk en bij de terugkomst over de drukke autobaan drong maar pas de werkelijkheid tot mij door. Het gebeuren een fractie van korte momenten in het herleven van een tijd die voorgoed voorbij is. Een tijd waarin we nog éénmaal hartstochtelijk willen leven, herbeleven maar de realiteit van het rauwe alledaagse omklemt en beklemt ons in de flarden van gesprekken en hartelijkheden die een kort moment ons diep en vreugdevol hebben beroerd vervagen reeds na enkele dagen en blijven nog even
(blz 15)
hangen in een telefoongesprek, een krantenknipsel, een relaas of een bezoek. Dat opbeurende bezoek van Jetje en haar gezelschap ten huize.
9 oktober 1991.
A. deelde de uitslag mee van de bemoeienissen die haar notaris bij de tegenpartij deed. Deprimerend relaas. Het gezeur en hebberig gedoe om rekeningen, opbrengsten en materiële eisen takelt me inwendig af, zodanig dat ik opnieuw m’n toevlucht zoek in de neppillen. Voor de zoveelste keer pluis ik de verkopen van huizen en appartementen af en zou voor mijzelf wel een oplossing vinden maar de kommer voor B. en zijn gezin die op tien jaar tijd nog niets hebben gespaard maakt me angstig en wrevelig tegelijk.
15 oktober ’91
Zacht herfstweer. Ik fiets naar Kortenberg, 20km. Binnen 1 uur heb ik de tocht afgelegd. Onderweg dwarrelen m’n gedachten terug in de tijd. Hoelang is het gelden sinds ik nog een behoorlijke fietstocht maakte… 1949 – Dus meer dan veertig jaar. Ik ben verbaasd over m’n uithoudingsvermogen. De auto’s razen rakelings langs me voorbij en ik besef nu maar pas hoe druk het verkeer is toegenomen, want in de wagen zelf besteed je er nauwelijks aandacht aan. Ik bespreek realistisch de toekomstige huisvesting, want hoe langer hoe meer moet ik tot het
(blz 16 )
besluit komen dat Weerde waarschijnlijk dient opgegeven. Zouden de partijen zolang treuzelen om ons de moed te ontnemen?
De samenstellers van het T.V.-programma “Ommekeer” nemen contact op en zullen 25 e.k. even op bezoek komen om te spreken over m’n dagboek.
Ik bereid het interview voor.
Als ik het verloop van m’n aantekeningen nakijk stemt het me weemoedig, bijzonder de wederzijdse brieven van de verlovingstijd.
Allerheiligentijd ‘91
Ik ben met de fiets naar Grimbergen naar het graf van Bert om er de steen te zien die nu de terp zal toedekken. Het kerkhof vlekte een bonte bloementuin onder de aarzelende herfstzon. De bezoekers schoven behoedzaam over de pasgerijpte paden en verdeelden zich in groepjes tussen kruisen en tomben. Er stond een peinzende man voor broers buurgraf. Ik wist dat hij de vader was van de verongelukte jongen van 25j. Ik wou hem toespreken maar iets hield me tegen, een beschroomd gevoel om de kille floers van bewogenheid te verbreken. We stonden beiden op minder dan een meter naast elkaar en keken elk onwennig en doelloos naar de namen daar op het kruis. Als een schrijn lagen onze gedachten relikwieën der herinneringen – De man ging heen vóór mij weg het hoofd ietwat gebogen.
(blz 17)
( R ) Mijn dagboek       November 1991
Ik teken mijn gedachten op, zoals zovelen wellicht, reeds van in de jeugdjaren. Wie schreef in die tijd geen rijmpje of gaf de verwarring en de onstuimigheid al niet een uitlaatklep, de tijd der adolescentie: het hele gamma der ontwakende gevoelens, het dwepen met personen, religieuze en andere aantrekkingspunten. Van mijn meter kreeg ik het kleine poëzieschriftje, dat ik nog altijd bewaar, waarin ik jeugdverzen optekende.

M’n studietijd werd een heerlijke tijd waaraan ik met dankbaarheid en vreugde terugdenk – en dat heeft niets met de nostalgische gemoedsgesteltenis van het ouder worden te maken – Daar werden waarden meegegeven die we behoedzaam in ons verder leven hebben meegedragen en die onze beslissingen steeds hebben beïnvloed en bepaald.
Een literair begaafde zuster voor wie we als jonge pubers “schwärmden” wist me aan te moedigen innerlijke emoties te beschrijven, te verwoorden in ellenlange opstellen. Het mondde uit in een verzenbundel “De Dagtocht” waarin het zwaarwichtig gerijm Van de Woestijniaanse invloed verried. Het was ook de hoofdauteur die we in het laatste regentenjaar bestudeerden.
Toen ik na de oorlog en de donkere repressietijd mijn latere man leerde kennen betekende de correspondentie met hem het uiten van de hartstochtelijke en beroerende gevoelens die de jonge vrouw
(blz 18)
in die begenadigde tijd klaar maakte voor die nieuwe levensfase.
Toen de brieven werden opgeborgen legde ik door m’n huwelijk met de bewonderde kunstenaar, dichter, schrijver, schilder, mijn dagboek in de lade. Mijn man vertolkte in zijn werk alle emoties en gedachten die hij veel beter dan ik ooit kon verwoorden. Hij werd mijn klankbord en mijn weerbeeld: alle vormen van welbehagen, vreugden en ontreddering, angst, bewogenheid, ontgoocheling, verwondering, minachting – en machteloosheid. Het zoeken naar het waarom van dit bestaan. De ervaring van het nutteloze pogen om het vooropgestelde doel te bereiken – De droom voor het bestaan, voor de kinderen, voor je plaats in die korte tijdspanne van dit leven. Het gevecht tegen de ziekte en de aftakeling waarvan je weet dat de strijd hopeloos is. Op dàt ogenblik trok ik opnieuw de lade open en nam mijn dagboek. Mijn weerbeeld had immers het schrijfgerei opzij gelegd, de penselen verhardden op het palet –
De schakel brak. Ik voelde me stilaan weer belanden in die verwarrende tijd van een adolescentie toen ik met mijn emoties geen blijft wist. Ze aan niemand kon toevertrouwen als aan het bleke blank onder die levende hand. Toen was het de angst voor het leven dat me grijpen zou met alle facetten van mogelijkheden en verwachtingen, de grens tussen de kommerloze besloten jeugd en de grote levensuitdaging. Nu beleefde ik opnieuw  de angst voor die tweede grens: de nieuwe boord die ik alleen zou overschrijden, zonder het beleide houvast. Het leek me of ik nu maar pas het stadium der volwassenheid had bereikt. Ik zou nu zelf moeten
(blz 19)
beslissen over het verloop van dit verder korte bestaan. De dagen naar mijn eigen ritme indelen. De uren van werk en vertwijfeling van vertrek en aankomst. Blijde bevelen ontberen en de leegte van de avonduren met woordloze gesprekken. De nachtelijke beklemming verschalken door esoterische beschouwingen.
“Wat de mens ge-uit heeft is hij kwijt”, las ik ergens, “wat hij in zich houdt neemt toe aan kracht en macht”. Maar soms wordt deze stuwing in jezelf ondragelijk. Elke mens voelt in zich die drang zich te uiten: de pasgeborene huilt om het verlies van die veilige geborgenheid en uit zijn eerste versit/verzit (?) in de kille wereld. Het kind verwoordt gevoelens en ontdekkingen in tekens – gebaren, gestamelde woorden, de tekens van strepen en onsamenhangende figuren zijn de eerste geschreven uitingen – zoals de nieuwe schilderkunst teruggrijpt naar de zuiverste ongedwongen gevoelswereld van het ongecompliceerde kind zijn –
19 november 1991
Gisterenavond volgde ik op het tweede Duitse net ZDF een reportage over Goethe en Weimar en het “Elephant” hotel waar pappie soms over sprak omdat hij  in 1941 er uitgenodigd werd saam met de Europese schrijvers en dichters. Op een gegeven ogenblik werd deze bijeenkomst getoond en zag ik een flits van V. de jonge dichter: stoer en beslist! Het gaf me een schok, zo onvoorbereid een confrontatie. Het ontredderde me en ik raak het afschuwelijke onbehagelijke gevoel niet kwijt. Het was middernacht door vooraleer ik naar boven ging en
(blz 20)
verlangde naar de morgen. Toen ben ik even bij D.D. gaan vragen hoe ik misschien aan de cassette kon komen. Na een telefoon met K.H. besliste ik de ZDF in Stuttgart aan te schrijven. Ik nam ook contact op met senator L. want ik las in de krant dat de documentaire over Katyn de Europese prijs voor dit genre had behaald en hij had me ooit beloofd Ik zag Katyn, een brochure van Pappie over de moord door Stalin – Rusland op duizenden Poolse officieren in 1940
(blz 21 = uitgetikte pagina)
december 1991
Morgen begint de speciale nostalgische decembermaand, een tijd die meer dan anders tot bezinning noopt. Ik verbaas me over het snelle ritme der dagen dan als de uren me soms zo lang en troosteloos lijken. De straten hangen vol kitscherige licht en publiciteitsreclames waarin je nauwelijks het vroegere intieme kerstgebeuren weervindt. Het zal wel voor een groot deel aan mijn weemoedige herinneringen te wijten zijn en aan de afwezigheid van hen die me duurbaaarder worden al naargelang de jaren vorderen.
Ik hou me nu bezig met het schrijven van brieven naar hen die me dit jaar om een of andere reden nabij waren: de geregelde correspondentie naar Port Camargue (Antoon) en naar Malaga (Leo), de twee bekenden die pips zo na waren. Ook zal ik de brieven van Jetje in Argentinië beantwoorden. Ik betrap me erop dat als ik die adressen schrijf naar die verre streken dat er iets van mijn dromen mee verstuurd wordt naar iets onbereikbaars ver en daarom ook een zekere bekoring inhoudt.
Het is de 14de weer, Pips verjaardag. Hij zou er 85 geworden zijn. Op het scherm zag ik even de afgetakelde en vermagerde Karel Jonckheere., dezelfde leeftijd en er was iets in mij van berusting dat jij het niet meer moet meemaken de onverbiddelijke veroudering van lichaam en geest. Ik zelf ben er uren mee bezig: de niet eindigende kommer voor wat komen moet. Ik zeg wel steeds het vers van Marsman na: “Laat ons vergeten wat gisteren was, want vandaag is een kostbaar bezit…”. Maar het ogenblik wordt steeds vergald door die immer kerende onrust.
De telefoon klinkt soms wel maar dan hoor ik aan de andere zijde ook niet aflatende zorgen voor betalingen, onverwachte moeilijkheden en stress. B. heeft in de nacht de loodgieter moeten opbellen voor een lek in de waterleiding. De geldgier legde een rekening voor van 9000 f. Zoon-lief was er nog niet van bekomen. Ik heb de pil wat verzacht en zal de eigen behoeften wat milderen. G., die sinds de grote vakantie niet meer naar hier kon wegens het overdadige werk, heeft met mij afgesproken voor dinsdag 17. ’s Anderendaags zal ik Al. naar Antwerpen brengen en opnieuw de litanie van haar weeën aanhoren. Dan wens ik me soms mijlen ver van daar om te ontkomen aan het gehuichel van m’n belangstelling.
Ik zat zo-even in de Weerdse tienurenmis; een gebeuren bijna uitsluitend voor bejaarden, vooral vrouwen dan. Ik pikte onderweg een kerkgangster mee die zich beklaagde over haar eenzaamheid. Ik bemerkte dat de pastoor precies nog kleiner was geworden en “le petit colonel” zoals ze hem als legeraalmoezenier ooit noemden, was nu al niet van de normale grootte. Iedereen prevelde wat en zong de voorgeschreven gebeden; de kragen hoog opgetrokken en nu en dan de vochtige neuzen bettend en snuitend. De pater sprak in het sermoen over hen die van hun overvloed moesten mededelen: de tweede mantel weggeven, het tweede huis, de tweede auto
(blz 22 – stukje krantenartikel uit ‘De Standaard’ van 16 maart 1992 met lezersbrief van Sim)

“Saint Amour / Dat sommige schrijvers mekaar willen overtroeven met seks-literatuur is hun goed recht en dat ze de lezing ervan over onze Vlaamse culturele centra uitdragen zal wel door een bepaald publiek gnuivend worden aanhoord. Bedenkelijk evenwel dat dit gebeuren door de BRTN werd uitgezonden op een tijdstip waarop nog ene programma “voor allen” wordt verwacht. Och, ethische en morele waarden beknotten de vrijheid en zijn er nog enkel voor gefrustreerde fossiele zonderlingen! Sim V;-W. Weerde /”

(blz 23 opnieuw handschrift)
Maart 1992
Wat overkomt me? Ik weet het niet, reeds maanden schrijf ik niet meer en voel me wegebben in een dor en troosteloos gebied. Het is alsof er een rem zit op mijn gedachten en herinneringen en ik stel vast dat ook de boeken geopend en verwezen op de leestafel liggen en blijven haperen op dezelfde bladzijden. Ik volgde zo-even een programma over depressies en vind heel de gamma der eigen ervaringen erin weer. Ik geloof dat het met de beginnende lente te maken heeft. Ik zou niets liever doen dan weer met spade en hark de tuin in te trekken en me weer verbonden te voelen met het stukje omgespitte aarde – De kommer om de huisvesting van B. en C° in K., die binnen een paar maanden moet verhuizen, knaagt elke dag. Ik pluis verbeten alle aankondigingen van huur en verkoop door en las de escalatie tendens der prijzen in Vlaams-Brabant.
Soms durf ik niet meer doordenken. Hier wordt het toch waarschijnlijk niets. Ik telefoneer naar de tegenpartij. Ze zijn al even besluiteloos dan Al. Begrijpen ze dan niet dat het hele gedoe me opvreet tot op het bot. De muur van onzekerheid wordt straks hoger en dikker.
Soms wou ik het huis uitvluchten maar ik weet dat, als ik de anderen ontmoet,
(blz 24)
de waas van ontreddering zich in mij zal sluiten en niemand merken zal de leegte en de hopeloosheid die zich in elke vezel heeft genesteld van m’n afgetakeld lijf – Ik ben gisteren naar de huidarts geweest en liet nog enkele prikjes aanbrengen in mijn gezwollen voet.

(blz 25 Handschrift / Brief van Sim aan Zuster Desiree nav het overlijden van Zuster Beatrijs, 25 april 1992)

Lieve Desiree
Het bericht van het overlijden van Zr Beatrijs heeft me uit de lethargie der laatste maanden gewekt en het is van januari geleden dat ik mijn dagboek nog aanvulde. Ik verwijt me dat ik je met de voorbije hoogdag niets schreef en dat je verjaardag ook al “schijnbaar” voorbijging. Al is mijn idee en die heb ik hier altijd verkondigd: vanaf je vijftigste verjaardag verjaar je niet meer… Je doet het stilletjes en geruisloos…
Gke heeft me opgebeld en het bericht maakte me onwennig. Ik ben vanmorgen naar de viering van 40j priesterschap van E.H. V. Uffelen geweest in Brussel en ontmoette er Mgr Daelemans. Zo weet ik dat hij vrijdag voorgaat en de homilie zal houden bij de plechtigheid.
Met Nieuwjaar schreef ik Zr Beatrijs nog een paar woorden maar wellicht had ze reeds afstand gedaan van de kleine geplogenheden en attenties die ons nog binden aan dit kleine bestaan en was ze onbereikbaar in haar eigen wereld. Hoe heb ik het met Nand zelf ervaren.
Haar heengaan beroert me des te meer omdat we toch streek verbonden waren. Ze moest het steeds herhalen bij onze ontmoeting: Winge – Binkom. Hoe dikwijls legde ze in haar
blz 26)
jeugdjaren de weg af tussen de halte van het amechtig stoomtrammetje Leuven – Winge, vanwaar dan te voet de viertal km werden afgelegd, te Tiense steenweg op over de heuvelranden die beide dorpen nog steeds scheiden –
Ze kwam dus ettelijke malen voorbij mijn vaderhuis –
Toen ikzelf in Heverlee landde herinner ik mij haar kranige figuur, de haren saam in een volle wrong boven de postulanten-pelerine. Ze straalde iets uit van het gedegen vaste en welige Hageland. De uitbundigheid gevat in een streng-klassieke geest.
Haar humanioraleerlingen keken naar haar op met bewondering voor haar eruditie met meer dan sympathie voor haar warme uitstraling. Jaren later mocht ik haar als inspectrice geschiedenis ervaren. Ik hoor nog haar krachtige stem, hoe ze de les over het Parthenon samenvatte: “Acropolis. Gij zijt de rots waarop het gewicht van heel de geschiedenis rust!”.
Rust de Heverleese heuvel en de specifieke uitstraling ervan ook niet op figuren die deze instelling gezag en een eigen gezicht gaven?
Zr Beatrijs is één van hen en wanneer we haar vrijdag naar de “Kalvarieberg” zullen uitgeleiden zal de mozaïek van onze herinnering weer vergroten en zullen we weer piëteitsvol de namen noemen van hen die Zr Beatrijs zijn voorgegaan.
Jij was haar na, ik treur met je en alle medezusters, vooral zusters Hilda en Delfien. Je Sim.

(blz 27 – hier volgt een gedicht, oorspronkelijke titel “Het Woord”, daarna veranderd in “Dagboek” ernaast staat “niet publiceren”, maar die woorden zijn opnieuw doorstreept:

Dagboek

Het bleke blad
het nieuwe woord
dwingend relaas
de dag voorbij
verstilde vreugd
vertraagd verdriet,
de zekerheden
opgeborgen
naar ’t vrij gebied
der duizend dingen
en weer de huiver
die niet wijkt
het woordbedrijf
vergeefs bedwingen

mei 1992
Thuisgekomen na de belevenissen van deze emotievolle dag, ik herlees de bedenking van Zr Delfien aan het einde van de uitvaarttekst. Haar bedoelingen lagen wel op een verhevener vlak van het “Woord” met de hoofdletter. Voor mij had het iets te maken met de “allerindividueelste expressie…” dixit de Tachtigers.
Het heengaan van Beatrijs, de indrukwekkende en toch sobere uitvaart, een gebeuren dat ons bijblijft en dat we niet makkelijk zullen zien verebben in de prozaïsche trend van de jachtige dag. Ook de drukte van de koffietafel met de taterende dames, de meesten in hun “pensioengerechtigheid”. We zaten er weer op die plaats waar we als puber onze verdrietjes en geheimpjes aan elkaar toevertrouwden. Je hoefde maar even de ogen te sluiten en de scheidingsmuren weg te denken en je zag de grote refter met de grijze stutpijlers en tegen de muur de grote fusains van de begaafde kunstenares Sr Beatrix. Ze gaf ons nog schilderles in de klas tegenover de slaapzaal van het H. Hart die zondagnamiddagen. Even bedrijvig als toen waren de zusters met de dampende koffiekannen en al smaakten de sandwiches en taart heerlijk, ze konden de boterhammen “made Heverlee” uit in illo tempore niet doen vergeten. Er was
(blz 28)
daar ook een zekere Janssens (voornaam vergeten) die dan steeds zong “ik ben zó blij… ik ben zó blij alli-alla-allo…”.
Terug naar de koffietafel.
Hadden we niet even de schim van Sr Angela zien verdwijnen die de uitbundigheid had losgelaten: “Vous pouvez parler”, kleine flarden van reminiscenties weder levendig al moesten we voor sommigen onder ons wel vijftig jaar terugduiken en onze beste visuele capaciteiten bovenhalen voor de oma’s, min of meer uitgezet, de rimpeltjes vergeefs gecamoufleerd met wat vleugjes kleur. De specifieke streekgeluiden haalden de bovenhand.
Impressies die je wat onbehagelijk en weemoedig maakten. Dat flatje van de zusters: een sterrenverblijf in de beste seigneurie waardig. Ik dacht aan die tijd toen we streng gerijd voorbij de grote deur kwamen van het “Slot”. Daarachter lag die andere wereld van de verheven roepingen, voorbehouden aan uitzonderlijke meisjes en vrouwen, die reeds heel vroeg de “stem” hadden gehoord. Het bezorgde me toen vage rillingen en de angst ze ook te horen en de strenge driedaagse retraites. O tempora O mores! Het evangelie parafraserend zou ik kunnen zeggen: “Ze hebben het beste deel verkozen…”, en de levensavond van de Heverleese zustertjes onbezorgd en omringd met de onderlinge genegenheid is hun beloning voor hun edelmoedige inzet. – –
(blz 29)
7 mei 1992
De momenten in het leven waarbij je tot in het diepst van je zijn ontredderd en gekwetst bent – dat elk vleugje hoop verdwijnt, dat je zou willen inslapen zoals vanmorgen toen de telefoon m’n vreemde droom verbrak, die momenten beleef ik weer vandaag. Al. belde me op: de verkoop zal publiek gebeuren in het najaar. De lente die opnieuw aarzelend doorbrak heeft alle teerheid verloren. Hoe kan het anders, de meimaand bracht de laatste jaren altijd de herinnering mee van afscheid en vergankelijkheid. Morgen is Finneke 15j weg, de 12de Pips drie jaar en Bert al 1 jaar. Ik durf het niet laten doordringen maar de hele dag is het alsof ik die etterende buil moet uitspuwen die mij belet te ademen of maar iets naar binnen te werken. Kon ik de gal uitspuwen die de bitterheid door al m’n aders jaagt kloppend en duwend – 41j… Ik heb met mijn handen de muren betast waarachter het vocht naar boven trekt, als tranen van gemis maken ze bubbels door het behang, kon ik maar even het raderwerk in mijn hoofd stilleggen. Ik heb de foto’s van Pips uit zijn studententijd klaargelegd en een tekst uit ’29 die hij uitsprak in Antwerpen op een AKVS bijeenkomst. Ik zal alles aan P. zaterdag overhandigen.
10 mei 1992
Ik ben gisteren naar de landdag geweest van O.A.K.V.S. in Averbode. J. kwam mij halen bij G. Het was killig herfstweer zoals het is in mij. J. maakte grapjes, zielig.
In Averbode stond de bijeenkomst in het teken van E. Van der Hallen, stijlvol en intiem. Er zijn weer 25 getrouwen overleden sedert de laatste bijeenkomst. De confrontatie met de ouderen, Nands generatie, is nu praktisch verdwenen. Nand Quintens uit
(blz 30)
Oostende, mijn tafelgenoot, kon nog vele namen plaatsen onder de oude foto’s van ’29 hoofdbestuur AKVS en de leiders van het KVHV. Namen die ik Pips wel eens hoorde vernoemen. Ik leef bestendig in die tijd van de generatie vóór mij en besef dat ik twintig jaar mis van een leven waar Pips zo intens bedrijvig was. Ik hoorde zijn rechtlijnigheid, ernst en soberheid prijzen en zie hem weer, nu niet in zijn levensavond maar als jonge “streber”.
“Bent u de vrouw van Nand V.”, vroeg me iemand. Het klonk onwezenlijk – De hartelijkheid en eensgerichtheid van heel het gezelschap heeft me even de kommer om het huis doen vergeten, veel heviger was de prijs van het gemis, ik denk aan de woorden van Goethe: “Vielleicht ist dies der höchste Grad der Liebe: zu lieben ohne zu besitzen”.
Met A. naar het feestje van S., ze deed haar Pl communie, geweest. Ik had afgesproken niets over de kommer los te laten. B. had de tegenslag vermoed vermits ik niets had laten weten. Hij zal nu wel wat driftiger zoeken naar een onderkomen. Huren of komen? Het blijft een vraag, ik zal hem moeten helpen maar hoe. G. heeft me opgebeld, heel laat nog, en besprak de alternatieven, ook J. deed voorstellen. Ik zal er over nadenken zeg ik en denk, denk, denk,… De pijnscheuten willen niet wijken. Hoe is het mogelijk dat ik opnieuw heel de scheiding van drie jaar geleden moet verwerken heviger dan ooit? Hoe hou ik het vol?
(blz 31)
 (- krantenknipsels “Herdenking” overlijden Nand)

(blz 32)
12 mei 1992
Het is nu precies drie jaar en, door de omstandigheden verhinderd, de pijn is verser dan ooit. Ik verstuurde zo naar drie kranten – G.V.A, Het Laatste Nieuw en De Standaard – een herdenkingstekst en het bericht erbij dat de werken van Pips elke zaterdagnamiddag (mei en juni) hier te bezichtigen zijn. Het was een voornemen dat al lang door mijn hoofd speelde indien het huis publiek zou worden verkocht, want waar moet ik heen met een honderdtal schilderijen? Ik heb de galerij beneden wat geschikt: op de tafel al de dichtbundels en de tekeningen, de eigenhandig geschreven gedichten en de verluchtingen errond. Bij de opruiming zag ik hoe verkommerd de muren zijn en hoe het vocht ook in de meubels is gedrongen. Ik maak m’n berekeningen ettelijke keren en ben radeloos: huren of kopen?
16 mei
Ik wacht… het is bijna twee uur. Ik heb gisterenavond heel laat doorgewerkt met het nummeren van de schilderijen. Het was een sisyfuswerk. Dan heb ik ze alle opgetekend volgens nummer en benaming en heb de bladen en stencylen. De prijzen verlaagd met de dood in het hart maar het is beter dat ze ergens terechtkomen als te verkommeren op één of andere zolder of kelder. Ik heb er een 160tal gecatalogeerd. Ik leef nu weer intens in zijn wereld. De zomer heeft nu blijkbaar toegeslagen want het weer is zonnig.
19 mei
Drie bezoekers zaterdag! – Zondag naar Zwijndrecht met Begga. De oude garde was present. Prof Ada Deprez heeft pappie als een “ziener” nog zien stappen over de dijk in Oostende. Ze was toen zelf een tiener.
(blz 33)
In Zwijdrecht vroeg Mia Brans me over Nand te spreken op de volgende AKVS-bijeenkomst. ‘k Zal er eens over nadenken.
Zondagmorgen 24 mei 1992
Ik ben opgestaan om 6 uur en maakte de taarten klaar voor Bt’jes 1ste communie. Tegen twee uur word ik in Kortenberg verwacht. Ik ga hier naar de tienurenmis. Gisteren belde Dr. Van Lierde me op om zijn bezoek aan te kondigen. Bert Peleman kwam hier aan tegen vijf uur. Hij was onkennelijk vermagerd en had problemen bij het gaan. Hij deed me aan Pappie denken en het bedroefde me te zien hoe de oude generatie nu stilaan de schemering intreedt. Het maakt me zelf plots heel bejaard – De bezoekers waren uitermate verrast bij het gigantische werk dat Pappie heeft gepresteerd. Ik word er ook elke dag mee geconfronteerd en hij is hier meer dan ooit aanwezig, tastbaar en grijpbaar. Ik leef nu meer dan ooit met de beklemming in mij die maar niet wijken wil. Alleen als de slaap me genadig is valt het raderwerk van de gedachten een paar uren stil. Tot als ik in de nacht plots wakker wordt. Zoals vandaag. Ik ben dan maar opgestaan en heb gelezen in Kierkegaard. Zijn beschouwingen over de stadia in het leven van de esthetische mens – de esthetische en de religieuze – Pappie heeft veel onderstrepingen, uitroep- en vraagtekens geplaatst. Volgens de beschouwingen van Sören klasseer ik Pips bij de esthetische mens die aan zijn bestaan zin en waarde geeft, boven de wisselvalligheden van het leven standvastigheid voorstaat, wat eenzelvig misschien en soms stroef, maar alle vertrouwen waard.
(blz 34)
De analyses van Kierkegaard zijn a.h.w. een voorafgaand deel van de resultaten die de Duitse psychiater Kretschmer terugvindt in de twee mensentypes: de ene klein en gezet, levensgenieter en humeurig, de andere ascetisch en groot, ernstig in zichzelf gekeerd, wat wereldvreemd! (Beeld van Pips!)
Juli 1992
Veel belevenissen verwerkt met de bezoekers die eerder schaars zijn. Het is immers vakantieperiode.
Op 11 juli woonde ik in de raadszaal van het gemeentehuis de viering bij. A. Neyts sprak er. Ze is in Etterbeek nog ooit mijn leerling geweest, ook haar broer Frans. Het schilderij met de golfbreker heeft een ereplaats in de zaal. Ik was er blij verrast mee.
De gemeente plant een straatnaam F.V. in de verkaveling aan de overkant. Het bericht wekt in mij een warboel van gevoelens: trots en angst en ik voel me soms ongemakkelijk –
De tuin is weer opgeruimd en het geeft me geen genoegen. De toekomst hangt onheilspellend als een donkere nevel voor me. Ik word heen en weer geslingerd tussen een tikkeltje hoop en dan weer de knagende neerslachtigheid. De bezoekers uiten hun enthousiasme voor het “environment”. Ik heb goed te weeklagen over de belabberde muren en vensters. Ze zien het niet…
Ik ontving bezoek van de oud-collega’s. Ze hebben daadwerkelijk hun bewondering geuit. Bij R. hangt nu de bleekgroene vloed en bij M.L. de ondergang van Venetië en het rode Zwin. Hun enthousiasme over hun verworvenheid doet me goed en het zal me in de gelegenheid stellen de werken te gelegener tijd te gaan bezoeken.
(blz 35)
Op 25 juli werd ik uitgenodigd bij M.T.R. Nu ben ik nog beroesd van de belevenissen in haar retrowoning in het eurocratische Brussel. Het was een vorstelijke ontvangst in het verzorgde nette huis, ook de stulpen van de collega’s doen me de belabberde toestand van dit huis schrijnend inzien. De ontvangsten der laatste weken verliepen hier en elders opgewekt door de sprankelende vloeistof in de tintelende glazen, het deed me kommer en zorg een wijle onderdrukken en toch wordt de verlatenheid des te heviger als de nieuwe dag aanbreekt en ik twijfelend nog even indommel. Zoals voor een paar dagen toen je lijfelijk naast me stond tastbaar en reëel en ik je vertelde over de ervaringen die de verschillende bezoekers me bezorgden. Je was er weer, bedaard relativerend en zacht mijn uitbundigheid temperend: “Simmeke, Simmeke…” Ik hoorde me denken “ik droom toch niet?” en aarzelend berichten over het familiegraf in Oostende dat ik al maandenlang had verzuimd maar waarvoor ik nog een dag uitsparen zou in G’kes vakantieplanning. Toen barstte de droom in de nuchterheid van de ochtend die al een heel eind was opgeschoven. De droom hield me vast en ik zocht naar de betekenis en naar het teken aan de wand, tussen al je visioenen ben ik weer de laatste augustusdagen ingetreden. De laatste uitnodigingen zijn verstuurd.

(volgende baldzijden t.e.m. blz 40 zijn uitgetikt)

“Les chiens aboient, la caravane passe…”

(blz 36)
23 sept 92
Vanmorgen dacht ik aan de tijd van toen 41j geleden. Hier was het huis vol bedrijvigheid om ons op St Michielsdag als jong echtpaar te ontvangen.
En heel leven ligt er nu tussenin… Ik overloop in een flits al de wederwaardigheden zoals een stervende blijkbaar in luttele seconden zijn leven overloopt (ik hoorde het onlangs van een getuige die op de rand van de dood weer bijkwam). Ik wacht op wat nu onherroepelijk komen moet, soms gelaten, en aanvaard-bereid soms opstandig en met in mij een onontwarbaar kluwen van besluiten en radeloosheid. Elke telefoon, elke postbedeling wekt die knagende onrust en toch de beslissing zal een dezer dagen vallen. Het begon 5 jaar geleden toen de notaris ons inlichtte over de verkoop, 5 jaar van hoop en onrust. Hoe heb ik het volgehouden. De kommer die gedeeld werd maakte het toch minder zwaar.
Dit weekend ben ik op gestadig aandringen van M. weggeweest met de VL-Academici naar Frans-Vlaanderen. Het was een leeerrijke trip en de reisleider reciteerde een gedicht van jou over Cassel. De verschillende localiteiten die ik alleen bij naam kende riepen verre associaties op nl Hazebroeck waar Oberleutnant Ernst Jungman zijn E.K.I. kreeg. De Catsberg waar de zoon van je studievriend Louf nu abt is.
Oktober
De dagen glijden troosteloos voorbij en ik ben soms als verlamd en omdat de huistentoonstelling nog elk weekend loopt zit ik hier dan vast voor de schaarse bezoekers.
De vliegtuigramp in Amsterdam heeft me mijn treurnis doen relativeren en toch duikt het spookbeeld van de onzekerheid alsmaar dreigender op. B. zit steeds nauwer nu het probleem van een nieuwe huisvesting dingend wordt. Met 1 jan moet hij verhuizen. Het kapitaal dat ik hem zal geven vermindert mijn eigen mogelijkheden maar ik moet ook beseffen dat mijn tijd gekomen is. Ma. sprak over de mogelijke huur van het appartement dat ze zal kopen… Ik gruwel van de gedachte van een duiventil of een bijenkorf… en toch wordt ik elke dag meer dan vroeger geconfronteerd met de kilte en de klamheid van dit vochtige huis. De koude van de laatste dagen verplicht me de kachel in de woonkamer aan te steken en zoals vroeger heb ik in het bos aansteekhout gesprokkeld maar in mij is de waakvlam gedoofd.
Ik was even in K. Het huis geeft een miserabele indruk, daarin groeien de kleinzonen op. E. lag te slapen. Het bevreemdde me erg. Ze was moe, is opgeblazen en geeft een ongezonde indruk. B. heeft een hoest die me niet bevalt. Ik ben in mineur naar huis gereden, naar het huis waaraan ik nu moet ontgroeien. Ik heb het heel erg koud en het is maar half oktober.
(blz 37)
Vanmorgen werd er driftig op de deur geklopt. Ik deed niet open en beantwoordde geen telefoon. ‘s Avonds kwam J. op bezoek. Hij had een schatter aangesproken die de hoge grondprijzen in K. bevestigde en de raad gaf het slophuis waar B. zijn zinnen op had gezet aan te kopen. De woning wordt verkocht wegens een aan de gang zijnde scheiding, de man blijkt akkoord en de vrouw moet nog gecontacteerd worden. Ik zal het hier nu zeker moeten opgeven. Het is mij vreemd te moede, verdriet en opluchting terzelfder tijd.
Vandaag zondag heb ik al de kachels aangestoken, het was behaaglijk warm en gezellig maar niemand daagde op. Gisteren woonde ik nog het samenzijn bij van Broederband. Een deprimerende ervaring: een gezelschap van fossielen zou Pips hebben gezegd toen in Averbode bij de jaarlijkse bijeenkomst van het AKVS.
20 okt
B. heeft mij opgebeld gisteren. Hij is nu beslist het sloppenhuis aan te kopen en moet woensdag voor de compromis bij de notaris verwacht. Mijn handgift wordt al gedeeltelijk verwacht. Ik ben verward maar laat het niet blijken. Het is wellicht beter dat de knoop wordt doorgehakt. Zij hebben nog een leven voor zich en mijn aftakeling kan nu beginnen, ik hoop maar dat het niet lang meer zal duren. Ontgoocheling, verdriet, berusting, aanvaarding: het woelt allemaal door me heen.
Ik ben naar Mechelen geweest bij Al. en ben er in een schijn-opgewektheid gaan koffieën. Toen ik wilde tracteren wou ze het verhinderen: “Jij moet sparen”, zei ze lachend doelend op de aankoop hier en ik durfde de beslissing niet meedelen. Hoelang nog zal ik hier kunnen blijven. De verkoop van schilderijen vlot niet meer en de meubels zal ik moeten likwideren, maar ik zal wachten tot het uitdrijvingsbericht zich aanmeldt. Ik gruwel van de gedachte eerst de kooplustigen te moeten rondleiden in al de vertrouwde plaatsen waar Pips’ aanwezigheid nog zo ontegensprekelijk waart. Ik heb al zoveel slapeloze nachten achter mij. Al. gaf me een sterk slaapmiddel en dat heeft me geholpen.
21 Okt.
Ik ben naar de bank geweest voor de liquiditeiten en heb in K. op de kinderen gepast terwijl B; en E. naar de notaris gingen voor de overeenkomst af te sluiten. Bij hun terugkeer verkeerden ze in een euforie. Het is nu definitief beslist en Weerde wordt vergeten.
(blz 38)
26 oktober 1992
De lange angstige afwachting omtrent het huis wordt afgesloten. De fase van de definitieve onthechting moet nu beginnen. Ik weet dat het weer een moeilijke tijd zal worden. Misschien komt er hulp van hier boven maar ik geloof het niet. Het heeft al te lang geduurd. Ik probeer al de ongerieflijkheden in het huis onder ogen te zien maar waarom wordt alles nu ineens zoveel mooier en verbleken alle ongemakken van koude, kilte en de beslommeringen van de kachels aan te steken, de kolenkitten uit de kelder op te halen, de schimmels en de vochtigheid op de muren, het is plots niet meer zo gewichtig, ook de verrotte vensterkozijnen zouden misschien nog kunnen hersteld enz. enz.
Aan de overkant van de straat kondigt een affiche de verkaveling aan van de gronden aan de overzijde. Zal één der straten nu nog de naam V. krijgen indien ik hier zal weggaan van het dorp waar ik 41 jaar lang verbleef?
28 oktober 1992
Ik ben vandaag naar K. geweest en de aankoop bezichtigd; ik ben er helemaal van ontdaan en durf de kosten niet schatten, om het maar enigszins bewoonbaar te maken zijn de werkzaamheden niet te overzien. De angst overweldigt mij als ik de euforie van de kinderen vaststel. Indien E. niet uit werken gaat zal het een zware dobber worden. Ik voel me er nauw bij betrokken. Wat moet ik doen???? De raad die buitenstaanders me geven is negatief realistisch alleszins. De grote tuin alhoewel verwaarloosd troost me wat. Ik moet slaaptabletten bemachtigen om de nacht door te kunnen.
29 okt
Begga vergezelde me naar Zwijndrecht waar ik “Ecce Homo” heb afgeleverd. Een stukje van Pips ging weer de deur uit…
In de Vl-Nat-debatclub moest ik even de honneurs waarnemen en de blomen uitreiken aan Mevr. M. (Mia Brans koos me ervoor uit omdat ik… mijn hoed ophad vermoed ik!!!). Het was weer een bedoening van oudjes. Ik kwam thuis tegen 11u maar wist dat ik niet onmiddellijk zou inslapen en hield het vol tot 2u (de pilletjes van B. hebben dan geholpen).
30 okt.
Ik ben de chrysanten in de kerk bij Mr. Pastoor gaan deponeren in plaats van naar het kerkhof te gaan. Ik die nooit begraafplaatsen heb bezocht zal nu gestraft worden door het uitzicht erop in de Kerkhoflaan (ik denk aan de anekdote van Kierkegaard!).
8 november 1995
Een bewogen week is voorbij. B. werkt als bezeten in euforie aan de krot. Ik geloof dat hij beseft dat de aankoop een geweldig risico is. Indien E. geen werk vindt nu ze haar stempel kwijt is wacht hen nog een moeilijke overlevingstijd. Ik slaap niet van onrust.
Hoe moet het nu verder?
Het schijnt dat hier een buurtbewoner bezwaren opperde tegen de naam der V.-straat in de verkaveling. In het Groot Verzenboek van Deleu werd ook de naam vergeten. Ik heb de samensteller een schrijven gezonden en hem herinnerd aan de teruggezonden bundel jaren geleden met de vermelding “te onbelangrijk om te bespreken…”. Pips heeft er toen erg onder geleden.
Ik verwacht elke dag het bevel van mijn uitwijzing en handel verdoofd. De alternatieven, ik weet het, zijn niet denderend. Ik vrees de onvermijdelijke strubbelingen indien ik voor een aanbouw bij B. opteer. Zal ik hun manier van leven kunnen aanvaarden?? De aankoop van een stuk grond door de Fontein waarop ik een stulpje zou neerzetten en er bij wijze van spreken “heer en meester” zou zijn maakt mij ook angstig; want alleen in een heel nieuwe omgeving in de grijze donkere jaren die mij nog resten… Inslapen en ontwaken, de problemen waren rond…
15 november
Het regent, de bomen staan sinds de hevige wind van dinsdag nu bijna kaal op een paar koppige blaadjes na.
Ik keek naar de film “Out of Africa” waar de liefste begraven werd in een met struikgewas omzoomde vlakte, een leeuwenpaar strekte zich behaaglijk uit over de verste terp. De treurende vrouw verdween alleen naar de einder toe.
Buiten druilt het nog steeds en over de Zenne klinkt het gekandenseerde geluid van een ziekenwagen.
Er kwamen geen bezoekers vandaag en ik heb de deuren van de galerij weer gesloten voor een week.
De buurman haalde het abonnementsgeld op voor het parochieblad. De tekst op het achterblad ervan geeft nog wat binding met het gebeuren onder de dorpstoren, ook drukte Mr Pastoor mijn bijdrage af “mijmeringen” waarin ik wat nostalgisch treur om de afbraak van het oude boerderijtje om de hoek waar nu een jong stel een modern stulpje bewoont.
De zondagsmis werd opgeluisterd door de harmonie, dat was wellicht de oorzaak dat er meer godsvolk bewoog in het intiem bebloemde kerkje.
Zondagnamiddag te lande onder de herfstige vochtigheid. De geluiden verstillen zodat ik nu en dan een blad hoor vallen van de kamerplant achter de divan. Ik denk dat hij aan verpotting toe is opdat hij de winter zou doorstaan; ik hoop dat ik er een dezer dagen aan begin…
(blz 40)
Vorige week bracht ik een bezoek aan een dame in een bejaardenflat aan de rand van de stad. De residente leeft er in herinnering en beweegt moeizaam van de leunstoel naar de tafel in de koestering van een overladen interieur. Ze keek naar de tuin waarover wat nattigheid zweefde. “In de zomer moet je komen dan is het hier zo mooi”, zei ze vermoeid. Ik voelde me opgelucht toen ik de omgeving verliet en probeerde vóór de avonddrukte de autoweg te bereiken. Al. die me vergezelde voelde zich onwel en toen ik haar een paar dagen later opbelde vernam ik de jobstijding: opname in het ziekenhuis en de kleine beroerte belette haar niet zich behoorlijk uit te drukken. Ze is nu weer in de vertrouwde omgeving, maar de dokter schreef haar een complete rust voor van vier weken.
J. Deleu heeft mijn brief beantwoord, zonder verontschuldigen zich beroepend op zijn persoonlijke mening. Ik denk dat de wijze raad van Pips: “laat alle kritiek over je heen gaan, puur eruit wat waar is en voor de rest verloochen jezelf niet”. Soms herhaalde hij ook het Frans gezegde: “Les chiens aboient, la caravane passe…”
december 1992
De derde decembermaand in de eenzaamheid van het steeds verder verkwijnende landhuis. De kinderen pramen me het kerstfeest naar oude gewoonte hier te laten plaatsvinden; ik voel me beroerd en futloos en wou dat deze weken zo snel mogelijk verglijden. Deze maand waar Pips zo van hield. De glitter en de schijnglans wordt weer overal geïnstalleerd en de brievenbus puilt uit van de publicitaire koopjes en prullaria.
Ik ben met Begga naar de handelsbeurs geweest in Antwerpen. Het duurde nog eens zo lang om een parkeerplaatsje te vinden en ik neem me voor bij een volgende verplaatsing het openbaar vervoer te benutten.
Bij Begga hebben we F. nog even nagevierd voor zijn 99ste jaar. Hij beweegt moeizaam maar zijn geest is helder en hij genoot van de schuimwijn die sprankelde in de kristallen glazen. Om 8u was ik thuis en luisterde nog even naar de BBC waar de scheidingsperikelen aan het koningshuis mode is. Zo lijken wat overal deprimerende toestanden te heersen. Waarom niet meer genieten van de kleine alledaagse dingen en hunkert de mens steeds naar het onbereikbare? Ik herinner me een passage in een schoolopstel van meer dan vijftig jaar geleden waar ikzelf trachtte naar “alles wat heel ver is en heel schoon!”
G’ke is op bezoek geweest en heeft hier wat verpoosd bij een hoopje strijk. We wisselden wat ideeën uit en ik stelde vast doe zij ook al bekommerd is over de kinderen hun reilen en zeilen. De eeuwige gang van het bestaan.

(vanaf blz 41 opnieuw handgeschreven dagboek)

(blz 41)
18 december ‘92
De nacht was me ongenadig en ik heb me opgelegd geen slaapmiddeltje in te nemen. Het atelier met het divanbed is nu mijn rustplek en op dezelfde plaats waar jij de laatste jaren de slaap opzocht lig ik nu meestal met open ogen. De strepen licht langs het gordijn doen me denken aan je bekommernis je van alle helligheid af te sluiten. Je installeerde de schildersezel met het grote boegbeeld als een scherm voor een klaarte die je belette in te sluimeren. Ik heb ettelijke keren de lamp aangestoken en heb de trage uren geteld kijkend naar de doeken waarin je onuitputtelijke droomwereld staat afgebeeld –
Het was een bewogen avond. Op TV kwamen de niet aflatende beelden van de zogezegde onverdraagzaamheid tegen de vreemde inbreng (?) waarvan Aloïs Gerlo getuigt: “Het multiculturalisme is de nieuwe heilsleer van de gauchisten, na de ineenstorting van hun linkse ideologie. Het is gericht tegen het wezen van de Vlaamse beweging”. De films en documentaires brengen de zoveelste keer het vertekende beeld van de nazigruwelen. Wanneer zal er ooit objectief een oordeel kunnen geveld? Wij worden nu gelijkgesteld met de negatieve oorlogsgebeurtenissen. Ik zag een fragment van een crematie en kromp ineen bij de herinnering, ook als ik bij de overlijdensberichten lees over een verassing moet ik de gedachte van me afduwen… Op de Franse TV1 was er een uitzending over de buitennatuurlijke verschijnselen en contacten met de overledenen – ik geloof het niet al zou ik het willen.
(blz 42)
Voor een paar nachten heb ik me wel in een moment tussen waak en slaap je horen roepen: “Moeke… Moeke…”. Het heeft me de gehele dag beziggehouden. Soms verwart m’n droom je met mijn vader en zie ik het huis van mijn jeugd.
De beslissing omtrent het huis zal nu wel in één der volgende weken vallen. Ik voel me als een asielzoeker. Soms berustend, soms radeloos.
2 maart 1993
Twee maanden sinds ik nog iets aan dit voorgaande toevoegde en toch bleef ik even bezwaard. Hoe heb ik het alles reeds zovele maanden volgehouden. De winterreis bracht me nog meer onzekerheden… Het vertoon van mensen op leeftijd die nog even zich vastklampen aan de zinloze beroerselen en zich inbeelden dat de leegte kan gevuld worden met ijl gewoord. Ik voel mezelf niet meer. Als een wegkwijnende fossiel en slinger voort tussen de dagen als een losgeslagen anker. Kennissen en vrienden vallen één voor één af. De oude vrouw in het Kölner Bahnhof bracht me het schrille beeld der nog resterende jaren. Begga belde me op en berichtte me haar ongeluk. Sterven is niet erg, zei ze, ik was bewusteloos en wist niet meer hoe alles gebeurde. De man van S. is gestorven en de vriendin van Al. ligt verlaten in de afdeling der terminale patiënten op het einde te wachten.
(blz 43)
1 mei 1993
Ik kom zoëven terug van het jubileumfeest van G. en D. Vele oude bekenden en de jonge “nachwuchs” die zelf al aankomende pubers hebben. Ik had een gelegenheidsvers geschreven, luchtig losjes zoals het bij dergelijke feestjes nu eenmaal hoort. Misschien heeft het niemand gemerkt maar de mokerslag van de voorbije dagen drukt krachtig op m’n gemoed. Het blaadje van de SP waarin Pappie zó erg gebrandmerkt wordt met het onvermijdelijke gedicht aan H. Wellicht is dát het teken om de band met deze contreien nu eindelijk te breken. Weg, weg van het odium dat nu op mijn naam kleeft. Gelukkig zijn er nog goede vrienden die me hebben opgevangen, trouw en oprecht. Met G. was ik donderdagavond bij de V.Nat debatclub. Het was een herademing. Ook kreeg ik de kaarten van het Zangfeest toegestuurd. Ik zal er morgen met Begga naar toe gaan.
Het zangfeest was indringender dan vorig jaar. Ik zocht vergeefs naar een lied van Pips (Remi Van Duyn werd herdacht die zoveel van Pips heeft geregisseerd). Gaf vluchtig Anton Van Wilderode een hand en verloor even Begga in de stroom.
Je bent nu meer dan ooit aanwezig. Soms zit het heel hoog.
Met Al. dinsdag een kleine trip gemaakt. Ze ziet er niet goed uit en geeft me allerlei suggesties voor de koop. Ik doe alsof en spreek en lach mechanisch.
Ben naar Averbode geweest. De vrienden worden grijs en moe. Ik had het even erg in de kapel. Een bejaarde vrouw kende aleens je naam niet meer, een andere sprak met geestdrift over je toespraak in Wieze… Een zekere
(blz 44)
Mieke Vanden Berghe droeg een rits gedichten voor maar geen enkele van jou, wat zou gepast hebben, cfr. het publiek.
Al. belde me vanmorgen op. Ze werd benaderd door het bedrijf Verh. voor de koop van heel het goed. Het brengt me weer in een ontredderde stemming. Ik zal nu wachten tot zondag als de gehele familie aanwezig is om de definitieve beslissing te horen zodat ik opnieuw normaal kan ademhalen na zovele jaren beklemming. St. en Ca. zijn hier geweest. De roddels over de straatnaamgeving verebben. De mensen in de buurt zijn vriendelijk, al vermoed ik hun commentaar.
Terug uit Hasselt om 8u.
(blz 45)
Lente 1993
Pappie,
Ik stond zo-even voor het venster dat uitgeeft op het terras, de zon verwarmt al even beschut achter de gevel tegen de koele noordoostenwind en ik sprak onweerstaanbaar tot je “in de zomer zijn we weer aan zee”. In het huis is het kil, al blijft de kachel in de studio doorbranden.
Ik leef van de ene morgenpost naar de andere en verwacht het bericht van de openbare verkoop. De perken werden nochtans weer gemaaid en het oogt mooier dan ik wou verwachten bij de eventueel grijpgrage kooplustigen.
Ik speel ambulancier voor gebroken armen en benen bij zoon en kleinzoon van Al.
Ook Gke is in ziekteverlof met een geschonden miniscus. Ze kan nu, al wordt ze in haar bewegingen gehinderd, wat uitrusten van het schoolse werk.
Omdat de lente stilaan doorzet heb ik de melaatse gevel wat opgekalefaterd. Jij klaagde er steeds over hoe triestig hij er na de winter uitzag. Ik heb een potje witte verf gekocht en zal de voordeur een beurt geven want op 27 april komen een paar oud-leerlingen van Hasselt op bezoek. Ik zal weer het onbehouwen uitzicht van vensters en deuren moeten verontschuldigen.
Al. belt niet meer als ik het zelf niet doe. Ze nam contact op met haar notaris. Hij denkt dat de verkoop in mei zal plaatsvinden. Ik verwacht het en toch maakt het bericht me onpasselijk.
M. wou dat ik Mevr. J. vervang bij een trip met de Esselens naar Düsseldorf.
(blz 46)
We verbleven er in de officiersmess. Heel comfortabel. ‘k Ben het niet gewoon!
Vandaag 18 april heb ik Mevr. D. gaan uithalen voor de Bormsmis in Merksem. Ze nodigde me uit in “het Scheldezicht” op de linkeroever. Ik zag een vrachtschip voorbijvaren, precies het schilderij in de galerij en ik moest de opkomende gedachten verdringen. Mevr. D. is een lieve dame maar zoals we opmerkten tijdens de mis: de oude garde is moe en vergrijsd.
(blz 47)
De dagen rond O.H. Hemelvaart 1993.
De dag begon druilerig en ik mijmer over de belevenissen van een druk weekbegin.
Zondag was heel de familie aanwezig voor de herdenkingsmis. De kleinkinderen joelden over de perken en het was weer zoals in de vroegere jaren alleen “jij” ontbrak waarmee het allemaal begon. Als je naam weerklinkt in het kleine kerkje (Brab. gotiek) zie ik je weer met je volle 1.92m maar liggend opgebaard: arduinen ridder onwezenlijk en toch zo indringend nabij.
De heftige meibloesems in de tuin zijn alweer verdwenen en aan de takjes van de heesters kleven de papiertjes die de kleinkinderen eraan bevestigden bij hun schattenjacht. Ik laat ze hangen als zoekgetuigen van hun aanwezigheid en mijmer maar door. Waarom werden we te gul bedeeld met te “emfindliche” gevoelens? Hoe eenvoudiger zou het zijn als we wat luchtiger over de kommer heen de scherpe kantjes konden vijlen.
Ik zag voor een paar dagen een film anno 1940 met vedetten die we als jonge puber ook al vereerden: Olivia de Havilland en Eroll Flyn! De laatste beelden met crèmerige hemelse muziek. Nu vinden we het kitsch maar toen deed het ons romantisch wegsmelten! Alleen de tekst onder het beeld “happy end” bleef me bij. Het klonk zo ongeveer: “Er is geen groot verdriet dat toch bevrijdend kan
(blz 48)
worden, geen donkere wolk zonder dat randje licht, geen onheil waaruit toch iets goeds keert”.
Het is nu ook de tijd dat de kinderen van ex-collega’s, vol zoete min, inschepen voor de levenstocht. Ik word dan uitgenodigd op mis en recepties die als maar rijkelijker en voorzeker geldverslindender (!) worden, zoals gisteren in Mechelen en al was de bruidegom weduwnaar en reeds opa, de jongere bruid (ook al 45) had er beslist een groots gebeuren voor gewild. De misviering werd voorgegaan door drie celebranten en twee koren vertolkten o.a. aangepaste motetten van Bach. Ik dacht aan het sublieme “Bist du bei mir”. De bruid droeg haute-couture in kant, Milaan-Versace met een oogverblindende rug décolleté, wel even gewaagd vond ik tussen de bedaarde pijlers van de O.L.Vr. kerk. Tijdens de receptie gleed bruidegoms hand teder over de gebronzeerde schouderbladen. Onwillekeurig dacht ik aan de eigen omoplates waar ik de laatste dagen reumascheuten in vermoed.
De gehuwde aanwezigen zullen wel de eigen trouwdag hebben gememoreerd. Een heel leven flitst door je en het ene moment dat je erin het meest beroerde blijft de laatste dag van het definitieve afscheid. “In goede en kwade dagen”, zegde het bruidspaar voorzeker lippendienst op het ogenblik dat pijn en verdriet zo ver af is.
(bl 49)
donderdagmorgen in mei ’93.
Het onweerde vannacht, niet erg. De regen viel strak neer over het terras ritmisch en mals over het grasperk. Ik lag een tijdje wakker en dacht aan het vers van Adama Van Scheltema dat we in onze jeugd afdreunden “Het regent, o wat regent het, ik hoor het in m’n warme bed”…
Tegen de morgen had ik een heerlijke droom. Het bracht me terug wel 40j geleden. In de trein met kleine G. aan de hand stond ik voor het venster. Aan de halte stond pappie ons op te wachten. Hij stond er op het perron rijzig in zijn mooie beige pak. We wuifden elkaar toe. De trein gleed nog even verder maar toen we afstapten bleef alles wazig en onwezenlijk… de droom brak af. Ik sloot het venster want de kilte na de nachtelijke regenbui drong door in de spijt van het ontwaken. De zwoele hitte der voorbije dagen was verdwenen. De barometer duidde “veranderlijk” aan. Ik droeg de droom nog mee in de ochtenduren.
1 juni
Uit Hasselt teruggekomen. Ik was via de oude weg Leuven-Diest ernaartoe gereden. In het geboortedorp was er de omlegging. Zo kwam ik langs het ooit vertrouwde huis omringd door drukke handelshuizen, daar waar vroeger de rode papavers en de korenbloemen door het graan schoten een grote parking aan het Gouden Kruispunt. Waar waren de karren haperend over de hobbelige kasseien en de stoere Brabantse paarden – voorbij, onherroepelijk voorbij – Het landschap, vreemd niet te herkennen. Alleen de strook tussen Winge en Tielt lag er nog even bij zoals toen. De brede linde voor de vroegere afspanning had de tijd overleefd. In Kiezegem leunde de verweerde grafstenen tegen de geroeste Diestse bakstenen van de oude kerk. Het verkeer was druk en de fietsweg van vijftig jaar geleden nergens te bekennen.
(blz 50)
Bij R. vond ik de hartelijkheid weer die een verademing leek na de deprimerende tocht. We speurden naar de vertrouwde plekken van zoveel jaar terug. De zangerig-zoete Limburgse intonatie bracht sfeer. Als A. aan het woord was hoefden de anderen niet veel in te brengen. Het doek “Geborgenheid” leek de ideale plaats van eindbestemming bij iemand die de kern der dingen nog ontdekt en benadert met een preciesheid die verrast. Ik geloof dat F. met minder reserve één van zijn geesteskinderen ter plaatse zou weten omdat juist inzicht en begrip in zijn visionaire bewogenheid zeldzaam blijken.
Zaterdag 5 juni
Ik kwam terug van een trip naar de Saarstreek, heimat van M. 700km op de teller en langs grote Duitse autowegen moet je de pedaal wel doordrukken. Het maakte me onbehaaglijk en onwennig. Zoals het hele feestgebeuren bij C. en R. daarboven op de berg waar de Hondsuch zich kronkelend uitspreidt en waar de “camere”-genodigden de weelde tentoon spreiden van een genoegdoening na een leven van hard labeur weliswaar. Luxe en comfort. Ik zal hier wel even moeten wennen in het belabberde huis waar maar geen oplossing lijkt aan te komen zodat ik node de bezoekers rondleid en alle aandacht vraag voor het oeuvre van Nand.
10 juni
De hitte drukt mediterraan en beklemmend. Ik gaf de tafel op het terras een verfbeurt en ook de voordeur die in een hachelijke toestand verkeert.
Naar Al. getelefoneerd. Ze werd nog niet geopereerd en voelt zich zeer eenzaam. Er overvalt me plots een onzeggelijke weemoed. Pips, ik mis je zó.
Ik zoek de betekenis op van “Raratonga”. Raratonga, ik legde het uit als het eiland van geluk, ver en begeerlijk. Ik zie nu
(blz 51)
dat het het grootste eiland is van de Cook-groep in de Stille Zuidzee (Polynesië). En weer besef ik hoe Pips in een andere wereld bewoog ver van aardse beslommeringen had hij al het Nirwana bereikt, de onthechting van elke rusteloze vezel die ons bindt en waarvan we node kunnen scheiden zonder ontreddering en verdriet. Waar haal ik de kracht om die onthechting door te voeren, te bewegen in die andere dimensie die glimlacht, meewarig om onze zwakheid.
Vandaag bleek weer de idee bewaarheid. Een bedenking die Bert zó dikwijls aanhaalde: Immer wan mann denkt es geht nicht mehr, kommt von Irgendwo ein Lichtlein her“. Bij de gemeenteberichten stond de beslissing afgedrukt dat de zijstraat van de Vogelzang nu toch definitief de F.V.straat zal heten.
15 juni ‘93
Met Begga haar roots gaan opzoeken en deprimerende reis – langs verbouwingen, verschraalde kerkhoven en oude kennissen – We zijn daarna bij Al. in het ziekenhuis geweest, de steeds terugkerende nare ervaring van een opgelegde dwingende taak. Hoelang nog – De hangende onzekerheid –
Met A. De M. naar Oostende. Ik stond aan het familiegraf. De zilverplantjes hadden sinds oktober goed stand gehouden, waren zelfs in gele bloemtoppen hoog opgeschoten. Ik had elders plantjes over. Ik moet telkens even zoeken naar de graftombe om dan weer plots de confrontatie aan te gaan altijd met die knagende weemoed en die onzeglijk troosteloosheid die me steeds overvalt als ik de dodentuinen betreed. Schuw en verlaten met op een tiental meter de drukke levensader van het denderende verkeer – en nog even verder de zee diep en wijd uitdeinend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *